Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 
Artikelen - Cannabis
concept t.b.v. memorie van toelichting Cannabiswet.


1. ALGEMEEN DEEL
1.1.
Door middel van onderhavige regeling kunnen wij komen tot een adequate controle en beheersing van zowel de produktie als de verstrekking van cannabisprodukten in Nederland zodat:
a. Het voor cannabisconsumenten niet langer noodzakelijk zal zijn de door hen gewenste hoeveelheden cannabisprodukt langs andere (illegale) weg te verkrijgen.
b. De illegale invoer en produktie van cannabis niet langer winstgevend zullen kunnen plaatsvinden en zodoende de vorming van illegaal vermogen uit cannabishandel/smokkel zal plaats maken voor een bedrijfstak waarin menigeen een legaal bestaan zal kunnen opbouwen.
c. Een ontlasting van het justitieel apparaat plaats kan hebben door een vermindering van de werkdruk bij de opsporing, berechting en bestraffing van Opiumwetdelicten.
d. Een belastingtechnische benadering zijn ingang kan doen vinden zoals die ook geldt voor andere goederen en diensten. (Wellicht is het wenselijk tot de heffing van accijnzen, als op andere genotmiddelen, over te gaan, te meer daar uit deze revenuen de controle op produkt en verstrekking door bijvoorbeeld de Keuringsdienst van Waren gefinancierd kan worden.
e. Een verantwoorde kwaliteitscontrole plaats kan hebben waar nu geen enkel instrument beschikbaar is, dat er voor zorg draagt dat cannabisconsumenten niet nodeloos met produkten van inferieure kwaliteit worden geconfronteerd met alle gezondheidsrisico's van dien.
f. Een bestuurlijk duidelijker en beter functionerende beheersing van verkooppunten, zowel ten aanzien van kwaliteit als kwantiteit, kan plaatshebben dan nu gebruikelijk is door middel van het driehoeksoverleg.
g. Een verder gaande onttrekking van cannabis aan de criminele sfeer kan plaatshebben, daar men bij het huidige beleid voor de aanvoer en produktie nog steeds is aangewezen op criminele organisaties of door het
strafrecht bedreigde particulieren, die de bij de cannabishandel verkregen middelen ook voor andere criminele activiteiten kunnen aanwenden. Dit te meer omdat deze middelen vooralsnog voor een aanzienlijk deel buiten het perspectief van de fiscus blijven, hetgeen ook overigens een uit maatschappelijk opzicht ongewenste situatie is.

In dit verband is het wellicht zinnig erop te wijzen dat de bestrijding van de produktie en handel in verdovende middelen in internationaal verband faalt en ook gedoemd is te falen indien men op deze wijze voortgaat met een beleid waarbij geen ander resultaat geboekt wordt dan met de toenmalige "drooglegging" in de Verenigde Staten namelijk:
De creatie van een illegaal circuit met de daarbij behorende misdadige organisaties en grote hoeveelheden illegaal verkregen vermogen met als enige verschil dat dit proces nu op globaal niveau plaatsvindt en dus vrijwel onmogelijk te bestrijden blijkt en zo een ontwrichting van onze maatschappij veroorzaakt waarin van de middelen van het strafrecht geen enkele preventieve of andere bijdrage valt te verwachten dan een verder gaande criminalisatie.

1.2.
Alvorens tot een motivering van de keuze voor een op de Drank-Horecawet gelijkend systeem over te gaan lijkt het wenselijk om het Nederlands beleid ten aanzien van Cannabis kort vanuit historisch oogpunt te beschouwen.

Het gebruik van cannabis is geenszins nieuw in Nederland.
Gedurende de negentiende eeuw werd cannabis evenals andere psycho-actieve stoffen zoals cocaïne, zonder enige wettelijke beperking toegepast in talrijke elixers en medicijnen. Hieraan kwam een eind door maatregelen ter bescherming van de medische stand en pharmacie en niet om het gebruik te beperken.

In de jaren vijftig van deze eeuw zien we cannabis in Nederland opnieuw zijn intrede doen en wel in de elitaire kring van artiesten en studenten in Amsterdam zonder dat dit aanvankelijk veel aandacht trok. Maar naarmate in de jaren zestig het gebruik van cannabis bekender werd trok het de aandacht van de medische stand, waaronder ook een kleine conservatieve groep, en het Openbaar Ministerie en kwam het tot enige fikse veroordelingen. Een publiek debat ontstond toen wellicht ook omdat vele rechters zich realiseerden dat de door hen opgelegde straffen meer kwaad veroorzaakten dan het te bestraffen gebruik en dit debat bleef vele jaren onbeslist terwijl het aantal gebruikers steeg daar cannabis onderdeel uitmaakte van de hippie-cultuur.

Een cruciale gebeurtenis werd gevormd door een gerechtelijke uitspraak in 1971 waarin een hashish-handelaar in het bezit van enkele honderden kilo's werd vrijgesproken omdat zijn hashish niet zou beantwoorden aan de beschrijving van hashish in de Opiumwet van 1928. Hierop werd een adviescommissie (de commissie Baan) gevormd die reeds een jaar later adviseerde het drugbezit voor eigen gebruik te decriminaliseren evenals soortgelijke commissies in Canada en de U.S.A. hadden gedaan.
In tegenstelling tot Canada en de U.S.A. stemde in Nederland de ministerraad aanvankelijk voor de legalisatie van cannabis.
Uit angst verder internationaal geïsoleerd te geraken dan Nederland al was ten gevolge van het Israelisch-Arabisch conflict besloot men (wetswijziging 1976) tot het definiëren van cannabis als softdrug (drug met niet onaanvaardbaar risico) waarvan het bezit van kleine hoeveelheden voor eigen gebruik (tot dertig gram) als overtreding werd bestempeld, een vorm van depenalisering.

De volgende fase in het legaliseringsproces werd gevormd door het ontstaan van het instituut huisdealer in diverse jongerencentra. Het oogmerk hiervan was dat op deze wijze de leiding van het jongerencentrum enige controle op de handel in cannabis kon uitoefenen en dat de handel in harddrugs kon worden geweerd (zie de Richtlijnen voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de Opiumwet van 1976 aangevuld in 1978). Op grond van het opportuniteitsbeginsel werd afgezien van vervolging van voornoemde huisdealer indien hij zich onthield van publiekelijke affichering en ook niet anderszins provocerend zijn handel bedreef en pas na overleg met het lokale bestuur kon eventueel overgegaan worden tot een strafrechtelijk ingrijpen (het driehoeksoverleg).

Deze fase kreeg zijn vervolg door de opening van de eerste zogenaamde "koffieshop" in Amsterdam hetgeen na enige aarzeling onder bepaalde condities werd getolereerd (het AHOJ-beleid). De kleinhandel in cannabis werd op veel plaatsen ongemoeid gelaten althans aan de opsporing werd een lage prioriteit toebedeeld. Indien zij zich onthield van affichering of een andere vorm van reclame, van handel in harddrugs, geen overlast veroorzaakte en niet verkocht aan jongeren onder de zestien jaar werd in het driehoeksoverleg vaak besloten niet tot optreden tegen deze handel over te gaan.
Zo kunnen wij concluderen dat het gebruik, het bezit van kleine hoeveelheden voor eigen gebruik en de kleinhandel in cannabis dan wel niet de jure maar wel de facto zijn gelegaliseerd.

Het is in deze laatste fase dat wij ons bevinden en er zijn nu diverse factoren aan te wijzen die ons nopen tot de laatste legaliserende stap.
- de groeiende behoefte bij met name de plaatselijke overheden om te komen tot een betere regulering van de koffieshops en dit zowel ten aanzien van kwaliteit als kwantiteit.
- het besef dat de grote internationaal opererende handelaren in cannabisprodukten zich ook bezighouden met andere illegale activiteiten en door middel van de handel in cannabis grote hoeveelheden geld kunnen genereren die zij kunnen gebruiken voor andere criminele activiteiten of anders genoodzaakt zijn deze sommen "wit te wassen" hetgeen een niet te onderschatten bedreiging voor het economisch systeem in Nederland en elders oplevert.
- het ontbreken van enigerlei kwaliteitscontole op cannabisprodukten en de noodzaak van produktinformatie naar de consument.
- het ontbreken van de mogelijkheid tot een fiscale benadering van de handel in cannabisprodukten, zoals die ook voor andere goederen en diensten geldt (zie diverse uitspraken hierover van het Hof Luxemburg).
- de kwaliteit van het Nederlands cannabisprodukt die de illegale invoer onnodig maakt en waarvan de produktie vooralsnog niet in handen is van de georganiseerde criminaliteit (zie CRI rapportage).
- het ontbreken van mogelijkheden om de medewerking van koffieshops bij preventieve en voorlichtende activiteiten te verplichten.
- het grote publiek ervaart de kleinhandel in cannabisprodukten als uiterst lucratief en het feit dat deze handel juist door het illegale karakter verschoond blijft van een fiscaal regiem dat voor hen wel geldt, schept een gevoel van rechtsongelijkheid en onrechtvaardigheid dat niet te rechtvaardigen valt. Ook de kleinhandel zelf ervaart het vaak als problematisch dat de door hen gegenereerde inkomsten noodzakelijkerwijs een illegaal karakter hebben.

De enige mogelijkheid om aan bovenstaande problemen het hoofd te bieden lijkt dan ook de invoering van een vergunningstelsel waarin zowel de produktie als de verstrekking van cannabisprodukten zal zijn geregeld.


1.3
In verband met deze regeling is een wijziging van de Opiumwet noodzakelijk zodat cannabis aan de werkingssfeer van voornoemde wet wordt onttrokken en in een systeem gebracht kan worden, met een zekere gelijkenis aan de Drank-Horecawet.
Voorts moet worden bezien in welke mate de bestuurlijke activiteiten zoals die nu ten aanzien van de handhaving van de Drank-Horecawet plaatsvinden en de handhaving van de voorgestelde regeling gecoördineerd kunnen worden.
Ook lijkt het wenselijk op gemeentelijk niveau te komen tot het opnemen in het bestemmingsplan van al dan niet geschikte of wenselijk geachte locaties zowel ten aanzien van de kweekinrichtingen als de verkoopinrichtingen opdat ook langs deze weg eventuele moeilijkheden op het gebied van de ruimtelijke ordening en openbare orde in een vroeg stadium ondervangen kunnen worden zodat tot een betere allocatie en getalsmatige beperking van verkooppunten kan worden gekomen.


1.4
Ook gezien vanuit het oogpunt van de hulpverlening lijkt een regulering van de huidige situatie te verkiezen.
Door middel van een vergunningstelsel kunnen verplichtingen tot voorlichting en andere preventieve maatregelen hun ingang vinden opdat de potentiële consument beter van de gevaren van hoog-frequent cannabisgebruik doordrongen zal zijn en er beter toe kan worden bijgedragen dat men zich tot laag-frequent cannabisgebruik beperkt. Ook anderszins kan alleen een verdere regulering de voorwaarden scheppen voor een adequate voorlichting opdat verstandig met genotmiddelen als cannabis zal worden omgegaan.


1.5
Voor een op de Drank-Horecawet gelijkend systeem is gekozen om de navolgende redenen:
De wenselijkheid van een regeling op het gebied van de hoedanigheid van de lokaliteiten waar cannabis zal worden verkocht dan wel bedrijfsmatig gekweekt en van de personen die daar hun bedrijf van maken, alsmede op die omstandigheden, waaronder de verkoop van cannabisprodukten tot bijzondere gevaren aanleiding kan geven.
Dergelijke motiveringen hebben ook de Drank-Horecawet tot grondslag gediend met dien verstande dat in de voorgestelde Wet ook de produktie zal zijn geregeld hetgeen in de Drank-Horecawet niet het geval is.
De aard van genotsmiddel met een niet onaanvaardbaar risico leent zich in het bijzonder voor een regeling als in de Drank-Horecawet aangezien langs deze weg een bestuurlijke controle i.v.m. de openbare orde en ruimtelijke ordening alsmede een controle op volksgezondheidsaspecten kan plaats vinden en de basis voor dergelijke bestuurlijke systemen reeds aanwezig is in het kader van voornoemde Drank-Horecawet.



2. INTERNATIONAAL

2.1
De huidige situatie in Nederland ten aanzien van cannabis kan als in het buitenland genoegzaam bekend worden verondersteld en gezien de onwenselijkheid van de effecten van een hernieuwde criminalisering van cannabis op de volksgezondheid en op de sociale positie van de gebruikers lijkt een regulering van de in Nederland geldende praktijk dan ook verre te verkiezen boven het elders gevoerde beleid.
Dit te meer daar met het Nederlands beleid ten aanzien van cannabis goede resultaten ten aanzien van de scheiding der markten behaald lijken te zijn, hetgeen lijkt te resulteren in een verminderde instroom van harddruggebruikers ten opzichte van andere landen, terwijl ook het aantal cannabisgebruikers in Nederland niet significant is gestegen ten opzichte van het buitenland. Met als bijkomend voordeel dat deze gebruikers niet met het strafrechtelijk systeem zijn geconfronteerd en een normaal geïntegreerd bestaan kunnen leiden te vergelijken met dat van een willekeurige consument van legale genotsmiddelen.


2.2
Zodoende lijkt het vanuit volksgezondheidsoogpunt alleszins te verdedigen, dat wij tot een regulering van de bestaande situatie komen door invoering van een vergunningenstelsel en dat het buitenland ons de ruimte geeft om ervaringen met een dergelijk beleid op te doen, met dien verstande dat grensoverschrijdend verkeer betreffende cannabis zonder uitdrukkelijke toestemming van de overheid strafrechtelijk bedreigd zal blijven. Een dergelijk beleid is dan volledig in overeenstemming met de preambule van de Single Convention 1961 aangezien wij langs deze weg de verslaving aan verdovende middelen trachten te voorkomen dan wel bestrijden.
Indien wij nu de bepalingen uit het Enkelvoudig Verdrag betreffende cannabis nader beschouwen (Artikel 28 j
° Artikel 23 Single Convention on Narcotic Drugs, 1961) kunnen wij tot de volgende conclusie komen. Als wij bij Algemene Maatregel van Bestuur (zie dit wetsvoorstel Artikel 6 lid 2, 3 en 4) de Keuringsdienst van Waren belasten met de taken als genoemd in voornoemd verdrag te verrichten door een regeringsbureau (Artikel 23), lijkt de inhoud van dit voorstel niet strijdig te zijn met de inhoud van voornoemd verdrag, daar dan geen sprake zal zijn van misbruik of sluikhandel maar van gebruik en handel.
3. ARTIKELGEWIJZE BEHANDELING

begripsbepalingen

Artikel 1.1
a. Overeenkomstig de Drank-Horecawet is gekozen voor het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur omdat dit ministerie het best in staat mag worden geacht zaken betreffende genotmiddelen te behandelen. Dit te meer daar bij dit ministerie reeds een afdeling alcohol, drugs en tabak aanwezig is die over een ruime ervaring op het gebied van deze middelen beschikt.
b. Hier is gekozen voor de formulering zoals die ook onder het huidige regiem toegepast wordt, aangevuld met een minimum thc-gehalte aangezien langs deze weg de produktie van cannabis voor niet recreatieve toepassingen buiten de sfeer van deze wet gelaten kan worden.
c. niet voor nadere uitleg vatbaar
d. idem
e. idem
f. idem
g. idem
h. Dit waarmerk is noodzakelijk aangezien het langs deze weg kenbaar zal zijn dat in onderhavige inrichting cannabis wordt verstrekt onder controle van de inspecteur.

Artikel 1.2
Ook hier is gekozen voor de formulering zoals die ook nu in de Opiumwet wordt gebezigd aangezien deze formulering weinig ter verduidelijking overlaat.

algemene bepalingen

Artikel 2.
Dit artikel is opgenomen vanwege de actuele situatie in het buitenland waardoor grensoverschrijdende handelingen betreffende cannabis noodzakelijkerwijs een illegaal karakter zouden hebben. Indien elders overgegaan wordt tot een legalisering van cannabis is het door middel van afgifte van een verlof alsnog mogelijk de legale invoer dan wel uitvoer van cannabis mogelijk te maken.
Indien in strijd met deze wet grensoverschrijdend verkeer plaats heeft kan door middel van Artikel 2 juncto Artikel 53 een strafbedreiging van ten hoogste zes jaren gevangenisstraf en een geldboete van de vijfde categorie volgen.

Artikel 3.
1.a.
Plaatst de afgifte van een vergunning voor het verbouwen van cannabis onder de verantwoordelijkheid van de inspecteur voor de volksgezondheid, aangezien de belangen van de consument en de volksgezondheid in het algemeen op deze wijze het best gegarandeerd zijn.
1.b.
Schept de mogelijkheid van verbouw voor eigen gebruik met dien verstande dat het geoorloofd is om maximaal 5 cannabisplanten van het vrouwelijk geslacht, in welke fase van het groeiproces dan ook behalve die van onontkiemd zaad, tegelijkertijd in bezit te hebben en men pas tot een nieuwe ontkieming en daaropvolgende inzaaiing kan overgaan na de oogst voltrokken te hebben.
2.
Plaatst de verantwoordelijkheid voor afgifte van een vergunning tot het verstrekken van cannabisprodukten bij Burgemeester en Wethouders daar langs deze weg optimaal van belangen als openbare orde, ruimtelijke ordening en het algemene karakter van een gemeente kan worden uitgegaan.
Artikel 4.
Erfrechtelijke regeling zoals die ook bij de Drank-Horecawet van toepassing is.

Artikel 5.
Geeft overeenkomstige eisen aan de bedrijfsleiders en beheerders als bij de Drank-Horecawet.

Artikel 6.
Krachtens lid 2 kunnen conform Artikel 23 Enkelvoudig Verdrag gebieden, oppervlaktes dan wel ruimtes aangewezen worden waarop de verbouw is toegelaten en kan tot vaststelling van een maximum aantal te verbouwen planten worden overgegaan.
Voorts kan krachtens lid 2 een verplichting worden opgelegd om de oogst afkomstig van de planten af te leveren aan de Keuringsdienst van Waren (het Bureau conform Artikel 23 EV).

Artikel 7.
Geeft nadere eisen en beroepsmogelijkheden ten aanzien van cannbisverstrekkende inrichtingen. Dit geheel in overeenstemming met het systeem dat nu voor de Drank-Horecawet wordt toegepast.

Artikel 8.
Geeft de bevoegdheid om bijzondere eisen als warenkennis e.d. aan ondernemers te stellen zoals ook bij de Drank-Horecawet gebruikelijk is. Het ligt in de verwachting om krachtens dit artikel de eisen te formuleren die aan de opleiding van aanvragers van vergunningen moeten worden gesteld.
In dit verband is het wellicht zinnig om bijvoorbeeld het Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs een opleiding te laten verzorgen waarin men de nodige kennis betreffende cannabis alsmede een verantwoorde omgang met genotmiddelen kan opdoen.

Artikel 9.
Is geheel in overeenstemming met de Drank-Horecawet

Artikel 10.
idem

bijzondere bepalingen

Artikel 11.
Dit artikel is zowel gewenst als noodzakelijk om de verkoop van cannabis aan particulieren door kweekinrichtingen onmogelijk te maken. Op deze wijze wordt het onmogelijk dat er cannabis aan de controle en centrale verzorging door het Bureau ontsnapt. Dit in verband met het Enkelvoudig Verdrag en de ongewenstheid van verkoop zonder controle, kwaliteitstest, THC-gehalte bepaling en verpakking.

Voorts kan op deze wijze ongewenst grensoverschrijdend verkeer betreffende cannabis worden tegengegaan.

Artikel 12.
Dit artikel geeft in de eerste plaats uiting aan de ongewenstheid van een al te sterke vermenging van de markten voor alcohol en cannabis. Vanuit gezondheidsoogpunt en in verband met de openbare orde lijkt het niet wenselijk om de verkoop van cannabisprodukten en alcoholhoudende dranken gelijktijdig in een inrichting toe te staan.
In de tweede plaats verbiedt dit artikel de verkoop alsmede de aanwezigheid van met cannabis toebereide spijzen in een inrichting.
Tot deze bepaling is gekomen vanuit de ervaring dat voornoemde spijzen voor consumenten qua werking moeilijk doseerbaar zijn,
met alle mogelijke gevolgen van dien, alsmede dat men aan het uiterlijk van deze spijzen moeilijk of onmogelijk het cannabishoudend karakter kan afzien zodat het met name voor kinderen niet kenbaar is dat het hier genotmiddelen betreft terwijl het uiterlijk van deze spijzen vaak een grote aantrekkingskracht op hen uitoefent.
Indien consumenten deze produkten uit aan hen verstrekte cannabis wensen te bereiden staat het hen uiteraard geheel vrij dit in de huiselijke sfeer te doen. Wel lijkt het gewenst voorlichting hierover te verschaffen in de verstrekkende inrichtingen.

Artikel 13.
Schept de regelen ten aanzien van de verpakking voor cannabisprodukten. Deze kunnen wellicht geproduceerd worden uit de vezels afkomstig van het niet tot genotmiddel te verwerken deel van de cannabis m.a.w. cannabispapier.
De verplichting tot vermelding van het THC-gehalte is in het leven geroepen zodat de kwaliteit voor de consument kenbaar zal zijn en er een onderverdeling naar sterkte mogelijk zal zijn.

Artikel 14.
De leeftijdsgrens van achttien jaren is gekozen in aansluiting op het Nieuw Burgerlijk Wetboek. Men kan aannemen dat op deze leeftijd in het algemeen een zeker onderscheidend vermogen aanwezig is en dat men in staat moet worden geacht zelf tot op grote hoogte te kunnen beschikken over de capaciteit tot beslissen over het al dan niet consumeren van genotmiddelen, daar waar ook de eventuele vermogensrechtelijke gevolgen volledig voor rekening van de justitiabelen zelf komen.

Artikel 15.
1.
Schept de verplichting tot medewerking aan controle op de produktie door de overheid.
2.
Schept de mogelijkheid voor het bestuur om op te treden tegen diegenen die kennelijk in strijd met de geest van deze wet menen cannabis te kunnen verstrekken.

Artikel 16.
Verbiedt reclameuitingen van welke aard dan ook niet zijnde het landelijk keurmerk aangezien het maatschappelijk als ongewenst moet worden beschouwd dat het gebruik van genotmiddelen op enigerlei wijze gestimuleerd wordt door belanghebbenden.

Artikel 17.
zie Artikel 14.

gemeentelijke belasting

Artikel 18.
Geeft de gemeentebesturen de mogelijkheid om een belasting te heffen waaruit zij de kosten die aan deze wet voor hen verbonden zijn grotendeels kunnen financieren.

In verband met het betuursrechtelijke karakter van de verdere bepalingen van deze wet lijkt het mij vooralsnog noch noodzakelijk noch gewenst deze van een nadere uitleg te voorzien.

.o0o.o0o.o0o.o0o.o0o.o0o.