Artikelen - Cannabis

  • justitiële verkenningen 1993
  • Cannabis en het demotivatiesyndroom van de wetgever.

    mario lap

    INLEIDING

    In het navolgende betoog zal ik pogen uiteen te zetten waarom het huidige "gedoogbeleid", gezien als instrument van een fase in het acculturatieproces van cannabis in Nederland, mijns inziens noodzakelijkerwijs dient uit te monden in een vergunningenstelsel waarin zowel de produktie als verkoop van cannabis geregeld zijn.

    In Nederland bestaan momenteel tenminste vijftienhonderd cannabisverkooppunten, die feitelijk worden gedoogd. In de meeste gevallen betreft het coffeeshops. De verkoop van soft drugs in deze coffeeshops betreft hasj (cannabisprodukt) en weed (cannabis). De hasj komt uit diverse landen en wordt nauwelijks geproduceerd op basis van binnenlandse teelt.

    Dit heeft onder meer met de arbeidsintensiteit en arbeidskosten te maken. De nederwiet, hennep van eigen bodem, wordt zowel kleinschalig als ook semi-professioneel op grotere schaal geteeld. Hoewel er wel een gedoogbeleid voor koffieshops bestaat is dat voor de teelt van hennep niet het geval.

    Door ge‹ntensiveerde justiti‰le aandacht voor de bevoorrading van coffeeshops dreigen de coffeeshops in crimineler vaarwater te komen. De justiti‰le interventies verstoren de genormaliseerde bevoorradingspatronen. Een groot aantal coffeeshops verzet zich tegen de "drift" naar een crimineler bestaan en de eigenaren van deze coffeeshops willen het liefst een normale juridische status inclusief de daarbijbehorende fiscale afdrachten en contributies maar dat kan gezien de huidige wetgeving niet. Dit lijkt alom te worden gerealiseerd maar de wetgever aarzelt. Sterker nog: ten opzichte van cannabis lijkt de wetgever bevangen door een demotivatiesyndroom.

    VERGUNNINGENSTELSEL

    Bij het huidige beleid is de Nederlandse cannabismarkt zoals gezegd voor de aanvoer en produktie aangewezen op criminele organisaties of door het strafrecht bedreigde particulieren, wiens bij de cannabishandel verkregen middelen voor een aanzienlijk deel buiten het perspectief van de fiscus blijven, hetgeen op zich al een uit algemeen maatschappelijk oogpunt zeer ongewenste situatie is.

    Alleen door middel van een vergunningenstelsel1 kunnen wij tot een adequate controle en beheersing van zowel de produktie als de verkoop van cannabisprodukten in Nederland komen en zal uiteindelijk een volledige onttrekking van de Nederlandse cannabismarkt aan de criminele sfeer plaats kunnen hebben.

    Een vergunningenstelsel zal deze omvangrijke bron van inkomsten voor de georganiseerde criminaliteit vervangen door een bedrijfstak waarin menigeen een legale carriere zal kunnen opbouwen en kan een ontlasting van het justitieel apparaat bewerkstelligen door een vermindering van de werkdruk bij de opsporing, berechting en bestraffing van Opiumwetdelicten.

    Deze de jure legalisatie zal de cannabismarkt onder het fiscaal regime brengen zoals dat voor alle goederen en diensten geldt, en indien wenselijk kan tot de heffing van accijnzen, als op andere genotmiddelen, over worden gaan.Uit deze revenuen kan dan de controle door bijvoorbeeld een Nationaal Bureau Cannabis gefinancierd worden, zodat een verantwoorde kwaliteitscontrole plaats kan hebben daar waar nu geen enkel instrument beschikbaar is, dat voorkomt dat cannabis-consumenten met produkten van inferieure kwaliteit worden geconfronteerd. Uit het oogpunt van deze consumenten en de volksgezondheid is het voorts wenselijk dat de samenstelling en potentie van door hen aan te schaffen cannabisprodukten kenbaar zal zijn door middel van betere produktinformatie.

    Een gelegaliseerde situatie komt voorts tegemoet aan de behoefte bij gemeenten aan een bestuurlijk duidelijker en beter functionerende beheersing van cannabis-verkooppunten, zowel ten aanzien van kwaliteit als kwantiteit, dan nu mogelijk is door middel van het driehoeksoverleg en de richtlijnen voor het opsporingsbeleid inzake strafbare feiten van de Opiumwet.

    In dit verband is het wellicht zinnig erop te wijzen dat de bestrijding van de produktie en handel in verdovende middelen in internationaal verband faalt en ook gedoemd is te falen indien men op deze wijze voortgaat met een beleid waarbij geen ander resultaat geboekt wordt dan met de toenmalige "drooglegging" in de Verenigde Staten namelijk:

    De creatie van een illegaal circuit met de daarbij behorende misdadige organisaties en grote hoeveelheden illegaal verkregen vermogen met als enige verschil dat dit proces nu op globaal niveau plaatsvindt2 en dus vrijwel onmogelijk te bestrijden blijkt en zo een ontwrichting van onze maatschappij veroorzaakt waarin van de middelen van het strafrecht geen enkele preventieve of andere bijdrage valt te verwachten dan een verder gaande criminalisatie.

    Wanneer wij in dit verband de gezondheidsrisico's van bijvoorbeeld cannabis in ogenschouw nemen kunnen wij niet anders concluderen dan dat een strafrechtelijke benadering van deze substantie een middel oplevert dat vele malen schadelijker is dan de kwaal.

    Nu verkeren wij in Nederland in de situatie dat het gebruik van en de kleinhandel in cannabis dan wel niet de jure maar wel de facto aan het strafrecht onttrokken zijn maar er zijn diverse factoren aan te wijzen die ons nopen tot de laatste legaliserende stap.

    • de groeiende behoefte bij met name de plaatselijke overheden aan een betere regulering van de "coffeeshops" en dit zowel ten aanzien van de kwaliteit als de kwantiteit.
    • het besef dat de grote internationaal opererende handelaren in cannabisprodukten door middel van de handel in cannabis grote hoeveelheden geld genereren.
    • de winsten afkomstig van de groothandel in cannabisprodukten worden ook aangewend voor andere criminele activiteiten. - een aanzienlijk gedeelte wordt "wit gewassen" en genvesteerd in de bovenwereld hetgeen een niet te onderschatten bedreiging voor het economische en politieke systeem in Nederland en elders oplevert3 .
    • het ontbreken van enigerlei kwaliteitscontrole op cannabisprodukten en de noodzaak van consumentgerichte produktinformatie.
    • het ontbreken van de mogelijkheid tot een fiscale benadering van de handel in cannabisprodukten, zoals die voor andere goederen en diensten geldt.4
    • de constatering dat de Nederlandse cannabisproduktie vooralsnog niet in handen is van de georganiseerde criminaliteit5 en in staat is een hoogwaardig produkt te leveren dat illegale invoer overbodig kan maken.
    • het ontbreken van mogelijkheden om de medewerking van coffeeshops bij preventieve en voorlichtende activiteiten te verplichten.
    • het grote publiek ervaart de kleinhandel in cannabisprodukten als uiterst lucratief en het feit dat deze handel juist door het illegale karakter verschoond blijft van een fiscaal regime dat voor hen wel geldt, schept een situatie van rechtsongelijkheid en onrechtvaardigheid die niet langer te rechtvaardigen valt.
    • ook de kleinhandel zelf ervaart het vaak als problematisch dat de door hen gegenereerde inkomsten noodzakelijkerwijs een illegaal karakter hebben.

    De enige mogelijkheid om aan bovenstaande problemen het hoofd te bieden lijkt dan ook de invoering van een vergunningenstelsel waarin zowel de produktie als de verstrekking van cannabisprodukten zal zijn geregeld.

    Om tot een dergelijke regeling te kunnen komen is een wijziging van de Opiumwet wenselijk zodat cannabis aan de werkingssfeer van voornoemde wet wordt onttrokken en bijvoorbeeld in een systeem gebracht kan worden, met een zekere gelijkenis aan de Drank-Horecawet. Deze optie lijkt te verkiezen boven een regeling conform Artikel 3a Opiumwet in verband met de complexiteit van de te reguleren markt en de voor handhaving benodigde bevoegdheden.

    Voorts moet worden bezien in welke mate de bestuurlijke activiteiten, zoals die nu ten aanzien van de handhaving van de Drank-Horecawet plaatsvinden en de handhaving van de voorgestelde regeling geco"rdineerd kunnen worden.

    Ook lijkt het verstandig om, op gemeentelijk niveau, te komen tot het opnemen in het bestemmingsplan van al dan niet geschikte of wenselijk geachte lokaties. Dit zowel ten aanzien van de kweekinrichtingen als de verkoopinrichtingen, opdat langs deze weg eventuele moeilijkheden op het gebied van de ruimtelijke ordening en openbare orde in een vroeg stadium ondervangen kunnen worden en tot een betere allocatie en getalsmatige beperking van verkooppunten kan worden gekomen.

    Ook gezien vanuit het oogpunt van de hulpverlening lijkt een regulering van de huidige situatie te verkiezen.6

    Door middel van een vergunningenstelsel kunnen verplichtingen tot voorlichting en andere preventieve maatregelen hun ingang vinden opdat de potenti‰le consument beter van de gevaren van hoog-frequent cannabisgebruik doordrongen zal zijn en er beter toe kan worden bijgedragen dat men zich tot verstandige gebruikspatronen beperkt.

    Er zijn diverse redenen aan te geven waarom een regeling gelijkend op de huidige Drank-Horecawet te verkiezen valt waarvan ik er hier enkele zal noemen:

    De wenselijkheid van een regeling op het gebied van de hoedanigheid van de lokaliteiten waar cannabis zal worden verkocht, dan wel bedrijfsmatig gekweekt en van de personen die daar hun bedrijf van maken, alsmede van de omstandigheden, waaronder de verkoop van cannabisprodukten tot bijzondere gevaren aanleiding kan geven.

    Dergelijke motiveringen hebben ook de Drank-Horecawet tot grondslag gediend met dien verstande dat in de voorgestelde wet ook de produktie van cannabis zal zijn geregeld hetgeen in de Drank-Horecawet ten aanzien van alcoholhoudende dranken niet het geval is.

    De status van genotmiddel met een niet onaanvaardbaar risico leent zich in het bijzonder voor een regeling als in de Drank-Horecawet aangezien langs deze weg een bestuurlijke controle in verband met de openbare orde en ruimtelijke ordening alsmede op volksgezondheidsaspecten kan plaats vinden. De basis voor dergelijke bestuurlijke systemen is reeds aanwezig in het kader van voornoemde Drank-Horecawet.

    INTERNATIONAAL

    De huidige situatie in Nederland ten aanzien van cannabis kan als in het buitenland genoegzaam bekend worden voorondersteld en gezien de onwenselijkheid van de effecten van een hernieuwde criminalisering van cannabis op de volksgezondheid en op de sociale positie van de gebruikers lijkt een regulering van de in Nederland geldende praktijk dan ook verre te verkiezen boven het elders gevoerde beleid.

    Dit temeer daar met het Nederlands beleid ten aanzien van cannabis goede resultaten ten aanzien van de scheiding der drugsmarkten behaald lijken te zijn, hetgeen lijkt te resulteren in een verminderde instroom van harddrug-gebruikers ten opzichte van andere landen, terwijl ook het aantal cannabisgebruikers in Nederland niet significant is gestegen ten opzichte van het buitenland. Dit met als bijkomend voordeel dat deze gebruikers, door de depenalisering van het gebruik van cannabis in 1976, niet met het strafrechtelijk systeem zijn of worden geconfronteerd en een normaal gentegreerd bestaan kunnen leiden te vergelijken met dat van een willekeurige consument van legale genotmiddelen.

    Zodoende lijkt het vanuit volksgezondheidsoogpunt alleszins te verdedigen, dat wij tot een regulering van de bestaande situatie komen en dat het buitenland ons de ruimte geeft om ervaringen met een dergelijk beleid op te doen. Met dien verstande dat grensoverschrijdend verkeer betreffende cannabis zonder uitdrukkelijke toestemming van de overheid strafrechtelijk bedreigd zal blijven. Een dergelijk beleid is dan volledig in overeenstemming met de preambule van het Enkelvoudig Verdrag betreffende verdovende middelen, New York 1961, aangezien wij langs deze weg de verslaving aan en de illegale handel in verdovende middelen trachten te voorkomen dan wel bestrijden

    Indien wij nu de bepalingen uit het Enkelvoudig Verdrag betreffende cannabis nader beschouwen (Artikel 28 jø Artikel 23 Single Convention on Narcotic Drugs, 1961)7 kunnen wij tot de volgende conclusie komen. Wanneer wij bij Algemene Maatregel van Bestuur de Keuringsdienst van Waren of een Nationaal Cannabisbureau belasten met de taken als genoemd in voornoemd verdrag te verrichten door een regeringsbureau (Art 23), is een vergunningenstelsel niet strijdig met de inhoud van voornoemd verdrag, daar dan geen sprake zal zijn van misbruik of sluikhandel maar van gebruik en handel.

    Een cannabiswet dient mijns inziens enkele specifieke regelingen te bevatten waarin de volgende onderwerpen dienen te zijn geregeld:

  • 1. Overeenkomstig de Drank-Horecawet lijkt het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur de aangewezene voor de uitvoering van een cannabiswet aangezien dit ministerie het best in staat mag worden geacht zaken betreffende genotmiddelen te behandelen. Dit temeer daar bij dit ministerie reeds een afdeling alcohol, drugs en tabak aanwezig is die over een ruime ervaring op het gebied van deze middelen en analoge regelingen beschikt.
  • 2. Het lijkt verstandig indien "coffeeshops" die een vergunning tot het verstrekken van cannabis bezitten, daarvan blijk geven door middel van een door de inspectie te verstrekken keurmerk. Dit temeer daar enige andere wervende activiteiten mijns inziens minder gewenst zijn.
  • 3. Voornoemde vergunning dient mijns inziens in verband met de openbare orde, volksgezondheidsaspecten en ruimtelijke ordening door Burgemeester en Wethouders in overleg met de Inspectie Volksgezondheid verleend te worden.
  • 4. Naar aanleiding van de vooralsnog illegale status van cannabis in het buitenland en het Enkelvoudig Verdrag dient men een regeling te treffen, waarbij grensoverschrijdende handelingen ten aanzien van cannabis met gevangenisstraf bedreigd blijven, indien deze handelingen plaats vinden zonder uitdrukkelijk verlof van bijvoorbeeld de Minister van WVC.
  • 5. Het lijkt verstandig om de verbouw van cannabis voor eigen gebruik buiten het kader van een dergelijke regeling te houden. Dit is mogelijk door bijvoorbeeld een aantal van vijf planten op te nemen als ondergrens voor het vergunningenstelsel.
  • 6. Er moet een bevoegdheid opgenomen worden krachtens welke
  • regels kunnen worden geformuleerd ten aanzien van de verpakking. Hierbij moet gedacht worden aan o.a een vermelding van het gehalte werkzame bestanddelen en andere produktinformatie.
  • 7. Mijns inziens dient de verkoop van met cannabis toebereide etenswaren verboden te zijn. Dit vanuit de ervaring dat voornoemde spijzen voor consumenten qua werking moeilijk doseerbaar zijn en omdat men aan het uiterlijk van deze spijzen moeilijk of niet het cannabis-bevattende karakter kan afzien. Met name voor kinderen is het niet kenbaar dat het hier om genotmiddelen gaat terwijl juist het uiterlijk van dergelijke etenswaren een grote aantrekkingskracht op hen kan uitoefenen.
  • PROBLEEMSTELLING

    De realiteit gebiedt het volgende te stellen:

    • de Nederlandse cannabis-markt wordt voor een aanzienlijk deel voorzien door de produktie van "Nederwiet".
    • Er vindt hoegenaamd geen export van kant en klaar Nederlands eindprodukt plaats, wel van zaden, clonen, lampen etc.
    • De prijs van te exporteren Nederwiet is verre van concurrerend vergeleken met hasj en marihuana afkomstig uit ontwikkelingslanden
    • De georganiseerde criminaliteit smokkelt meest hasj vanwege o.a. geur, omvang, handzaamheid en winstmogelijkheden.
    • Op buitenlandse cannabismarkten wordt geen Nederwiet aangeboden en de consument in bijvoorbeeld Duitsland en Frankrijk is in het geheel niet bekend met dit produkt.
    • Overigens dient hier gezegd, gehoord vele justitie-, politie- en gemeentemedewerkers, dat er in veel gemeenten nauwelijks problemen met cannabis-verkooppunten zijn en dat de vrees gerechtvaardigd is dat door een ongedifferentieerd repressiever beleid wellicht het kind met het badwater wordt weggegooid.

    CONCLUSIE

    Bij justitie en de diverse politiekorpsen is nu reeds, vanwege het al dan niet strafrechtelijk optreden, een gedegen kennis over al dan niet "bonafide" bedrijfsmatige kwekers van cannabis aanwezig en het lijkt dan ook verstandig om langs deze weg te komen tot een aantal "gedoogde" kwekers, die dan bijvoorbeeld bij wijze van wetenschappelijk experiment gecontroleerd kunnen worden op produktiewijze, economische en gezondheidsaspecten.

    Indien wij deze "gedoogde" producenten van Nederwiet slechts toestaan hun produkten te leveren aan "gedoogde" verkooppunten en verplichten tot het bijhouden van exacte bescheiden ten aanzien van geproduceerd, geleverd en aanwezig produkt lijkt het gevaar van export tot op grote hoogte te bezweren.

    Langs deze weg komen wij tot een aantal voor de bevoorrading van de Nederlandse markt "gedoogde" cannabisproducenten die in een later stadium in aanmerking kunnen komen voor een vergunning. Zodoende kan een vergunningenstelsel voor zowel de produktie als verkoop van cannabis vorm krijgen.

    Mario Lap beleidsmedewerker Nederlands Instituut voor Alcohol & Drugs Utrecht

    GERAADPLEEGDE LITERATUUR

    1. Political ideologies and drug policy, 1992 Sebastian Scheerer European Journal on Criminal Policy and Research Vol 1 no 1

    2. Cannabis Criminals, the social effects of punishment on drug users, 1980 Patricia G. Erickson Addiction Research Foundation, Toronto Canada

    3. Inventarisatie cannabis-verkooppunten in werkgebieden van korpsen rijks- en gemeentepolitie, rapportage van een enquete H. Kuipers, Niad, Utrecht 1991

    4. Hasjiesj en marihuana, rijp voor keurmerk K. de Leeuw Algemeen Dagblad 1991

    5. Nederland toe aan stop op de koffieshop K. van Es Parool 27.2.1992

    6. Export van nederwiet baart CRI zorgen G. den Elt, E. Stolkwijk Algemeen Dagblad 27.2.1992

    7. Aanpak van Nederland dient als voorbeeld in Duits hasj-debat S. van der Hoek Volkskrant 29.2.1992

    8. Drugs, Duitsers en het Amsterdamse model B. Bommels Elseviers Weekblad 7.3.1992

    9. De groei en bloei van de nederwiet F. Bosman, K. van Es 4.4.1992

    10. CRI diep onder de indruk van kwaliteit Nederlandse hennep Volkskrant 19.6.1991

    11. Huiskwekertjes bepalen groot deel van hennepmarkt C. van Zwol NRC 10.8.1991

    12. Softdrugs horen niet langer in Opiumwet thuis, pleidooi politiechefs R. Knijff Telegraaf 25.10.1991

    13. Vooral groothandel in softdrugs bestrijden Algemeen Politieblad vol. 140 1991 no 22 p.32

    14. Drugsrechtspraak in verschillende rechtsgebieden E. de Marees van Swinderen Tijdschrift voor Alcohol, Drugs en andere Psychotrope stoffen vol 17 1991 no 1

    15. Hasj en cannabis als deel van de cultuur Nuchter bekeken vol 29 no 8 p 8

    16. Licit and illicit drug use in Amsterdam, report of a houshold survey in 1990 on the prevalence of drug use among the population of 12 years and over. J.P. Sandwijk, P.D.A. Cohen, S. Musterd Amsterdam, Instituut voor Sociale Geografie van de Universiteit van Amsterdam 1991

    17. Cannabisgebruik in Nederland. Een perspectief vanuit de hulpverlening. Els Noorlander Amsterdams Drugstijdschrift 1992, 1

    18. Rechtsgutachten für die Deutsche Aids Hilfe "Moglichkeiten und Grenzen der Legalisierung und Entkriminalisierung des Berahmen einer Novellierung des BtMG" Lorenz Böllinger Frankfurt am Main

    19. Strafrecht, Drogenpolitik und Verfassung Lorenz Böllinger Kritische Justiz Jrg 24 no 4 1991

    20. Deutscher Bundestag 12. Wahlperiode: Entwurf eines Gesetzes zur Änderung des Betäubungsmittelngesetzes. Drucksache 12/934, 12.07.91.

    21. Änderungsantrag der Fraktion der SPD zum Gesetzentwurf des Bundesrates zur Änderung des Betäubungsmittelgesetzes, Ausschussdrucksache 66 12. Wahlperiode, Drs. 12/934

    22. Drogenprobleme sachlich und behutsam er"rtern. Die SPD im Deutschen Bundestag, 689, 11 maart 1992

    23. Redebeitr„ge Bondsdag betreffende vonnis Neskovic (zie 27)

    24. Drogen und Drogenpolitik; Ein Handbuch Sebastian Scheerer, I. Vogt Frankfurt/New York (Campus verlag) 1989

    25. Die Genese der Bet„ubungsmittelgesetze in der Bundesrepublik Deutschland und in den Niederl„nden Sebastian Scheerer G"ttingen (Verlag Otto Schwartz & Co) 1982

    26. Drei Jahre danach. Das Drogengesetz macht Probleme Sebastian Scheerer Kriminologische Praxis 13, jrg nr19/20 1985

    27. Uitspraak; 713 Js 16817/90 StA Lbeck, 2 Ns(Kl.167/90)

    28. Uitspraak; 18 Ns 13 Ds 26 maart 1992 Hildesheim

    29. Drug use and human rights in Europe report fot the European Commission november 1992 Jos Silvis, Aart Hendriks en Norbert Gilmore Wiilem Pompe Instituut Utrecht & Mc Gill University Montreal

    30. Drogues, le d‚fi hollandais Isabelle Stengers en Olivier Ralet Les ˆmpecheurs de penser en rond, Delagrange 1991

    31. Open letter to Bill Bennett Milton Friedmann Wall Street Journal, sept.7., 1989

    32. Our right to drugs: The case for a free market Thomas Szasz Praeger, New York, 1992

    33. D‚p‚nalisation des drogues: articulation socio-politique et clinique Yves Cartuyvels et Dan Kaminsky contribution aux IXiŠme journ‚es de Reims

    34. Recht op roes Mario lap Tijdschrift voor Alcohol, Drugs en andere Psychotrope stoffen, no1, 1992.

    35. Recht op roes in Duitse grondwet Jos Silvis Nederlands Juristenblad, jrg.120, 21.1.1993

    36. A society of suspects: the war on drugs and civil liberties Steven Wisotsky Cato Policy Analysis, no. 180, Washington, 1992

    37. The unwinnable War on Drugs: why the ABA should pull out Rufus King Criminal Justice, vol. 7, no. 3, 1992

    38. A drug free America or a free America David Boaz University of California, Davis Law Review 24, 1991

    39. Drogues et relations internationales Olivier Brouet Editions Complexe 1991

    40. Kapitalverbrechen. Die Verwirtschaftung der Moral Hans See Dsseldorf, Classen, 1990

    41. Competing perspectives on drug use; the Dutch experience Goof van de Wijngaart Lisse, Swets & Zeitlinger, 1991

    42. Repensar las drogas Z.C. Gonzales Barcelona, Igia, 1989

    43. Drogenelend, Cannabis, Heroin, Methadon: Fr eine neue Drogenpolitik S. Quensel Campus, Frankfurt/New York, 1982

    44. Global prohibition regimes: the evolution of norms in international society Ethan Nadelmann WPO en Mass. Institute of Technology International Organisation, 44, 4, 1990

    45. The Gentlemen's Club. International Control of Drugs and Alcohol K. Bruun, L. Pan, I. Rexed Chicago/London, University of Chicago Press, 1975

    46. Beyond the war on drugs. Overcoming a failed public policy Steven Wisotsky Buffalo/New York, Prometheus Books, 1990

    47. Cannabis Criminals Revisited Patricia Erickson, Glen Murray British Journal of Addiction, 81, 1986

    48. The drug solution. Regulating drugs according to principles of efficiency, justice and democracy C.N. Mitchell Ottawa, Carleton University Press, 1990

    49. Living with Prohibition: Regular Cannabis Users, Legal Sanctions, and Informal Controls Patricia Erickson The International Journal of the Addictions, 24(3), 1989

    50. The case for legalization Ethan Nadelmann The public interest, 1988

    51. Coca‹ne en cannabis. Een gelijk beleid voor verschillende drugs Peter Cohen TvC nr. 6, 1987.

    52. Illicit drug use, peer attitudes, and perceptions of harmful effects among convicted cannabis offenders. Patricia Erickson International Journal of the Addictions,17(1), 1982

    53. Drugswetgeving in historisch perspectief Frits Frenkel TADP, nr.2, 1986

    54. Drogues et Droits de l'Homme Ligue Suisse des Droits de l'Homme, GenŠve, 1992

    55. Frankfurter Resolution Europ„ische St„dte im Zentrum des illegalen Drogenhandels Frankfurt am Main, 1990

    56. Thinking seriously about alternatives to drug prohibition Ethan Nadelmann Daedelus, 121, 1992

    57. Soft drugs legaliseren Freek Polak Parool, 23 maart 1993

    58. Neurobiology of marijuana abuse Mary E. Abood & Billy R. Martin TiPS Vol. 13, Mei 1992

    59. Reactie op rapport International Narcotics Control Board Mario Lap & Freek Polak Niad, Utrecht, maart 1993

    60. Prohibition as a necessary stage in the acculturation of foreign drugs Erik Fromberg Psychoactive Drugs and Harm Reduction: From Faith to Science Whurr publishers Ltd, London, 1993

    61. Rapport van de werkgroep drugs en overlast (herziene versie) o.v.v. Mr. P.H.A.J. Cremers uitgebracht aan de vergadering van procureurs-generaal februari 1993