Artikelen - Cannabis

Cannabis, van gedogen naar reguleren

proces, maandblad voor criminologie 1993

In het navolgende betoog zal ik pogen uiteen te zetten waarom het huidige "gedoogbeleid", als instrument van een fase in het acculteratieproces van cannabis in Nederland, mijns insziens noodzakelijkerwijs dient uit te monden in een vergunningenstelsel waarin zowel de produktie als verkoop van cannabis geregeld zijn.
Alleen door middel van een vergunningenstelsel kunnen wij tot een adequate controle en beheersing van zowel de produktie als de verkoop van cannabisprodukten in Nederland komen en zal uiteindelijk een volledige onttrekking van de Nederlandse cannabismarkt aan de criminele sfeer plaats kunnen hebben.
Bij het huidige beleid is de Nederlandse cannabismarkt voor de aanvoer en produktie aangewezen op criminele organisaties of door het strafrecht bedreigde particulieren, wiens bij de cannabishandel verkregen middelen voor een aanzienlijk deel buiten het perspectief van de fiscus bliven hetgeen op zich al een uit algemeen maatschappelijk oogpunt zeer ongewenste situatie is.
Door middel van een vergunningenstelsel zal deze omvangrijke bron van inkomsten voor de georganiseerde criminaliteit plaats maken voor een bedrijfstak waarin menigeen een legale carriëre zal kunnen opbouwen en kan een ontlasting van het justitieel apparaat plaats hebben door een vermindering van de werkdruk bij de opsporing, berechting en bestraffing van Opiumwetdelicten.
Door middel van deze de jure legalisatie zal de cannabismarkt, onder het fiscaal regiem vallen zoals dat voor alle goederen en diensten geldt, en kan indien wenselijk tot de heffing van accijnzen, als op andere genotmiddelen, over worden gaan. Uit deze revenuen kan dan de controle op produkt en verstrekking door bijvoorbeeld een Nationaal Bureau Cannabis gefinancierd worden, zodat een verantwoorde kwaliteitscontrole plaats kan hebben daar waar nu geen enkel instrument beschikbaar is, dat voorkomt dat cannabis-consumenten nodeloos met produkten van inferieure kwaliteit waarvan de samenstelling en potentie niet kenbaar zijn worden geconfronteerd met alle gezondheidsrisicos van dien.
f. Een bestuurlijk duidelijker en beter functionerende beheersing van verkooppunten, zowel ten aanzien van kwaliteit als kwantiteit, kan plaats hebben dan nu gebruikelijk is door
middel van het driehoeksoverleg.


In dit verband is het wellicht zinnig erop te wijzen dat de bestrijding van de produktie en handel in verdovende middelen in internationaal verband faalt en ook gedoemd is te falen indien men op deze wijze voortgaat met een beleid waarbij geen ander resultaat geboekt wordt dan met de toenmalige "drooglegging" in de Verenigde Staten namelijk:
De creatie van een illegaal circuit met de daarbij behorende misdadige organisaties en grote hoeveelheden illegaal verkregen vermogen met als enige verschil dat dit proces nu op globaal niveau plaatsvindt en dus vrijwel onmogelijk te bestrijden blijkt en zo een ontwrichting van onze maatschappij veroorzaakt waarin van de middelen van het strafrecht geen enkele preventieve of andere bijdrage valt te verwachten dan een verder gaande criminalisatie.
Wanneer wij in dit verband de gezondheidsrisico's van bijvoorbeeld cannabis in ogenschouw nemen kunnen wij niet anders concluderen dan dat een strafrechtelijke benadering van deze substantie een middel oplevert dat vele malen schadelijker is dan de kwaal.

Nu verkeren wij in Nederland in de situatie dat het gebruik van en de kleinhandel in cannabis dan wel niet de jure maar wel de facto aan het strafrecht onttrokken zijn maar er zijn diverse factoren aan te wijzen die ons nopen tot de laatste legaliserende stap.
- de groeiende behoefte bij met name de plaatselijke overheden aan een betere regulering van de "koffieshops" en dit zowel ten aanzien van de kwaliteit als de kwantiteit.
- het besef dat de grote internationaal opererende handelaren in cannabisprodukten zich ook bezighouden met andere illegale activiteiten en door middel van de handel in cannabis grote hoeveelheden geld genereren die zij of kunnen aanwenden voor andere criminele activiteiten of anders genoodzaakt zijn deze sommen "wit te wassen" hetgeen een niet te onderschatten bedreiging voor het economisch systeem in Nederland en elders oplevert.
- het ontbreken van enigerlei kwaliteitscontrole op cannabisprodukten en de noodzaak van consumentgerichte produktinformatie.
- het ontbreken van de mogelijkheid tot een fiscale benadering van de handel in cannabisprodukten, zoals die voor andere goederen en diensten geldt (zie diverse uitspraken hierover van het Hof Luxemburg).
- de kwaliteit van het Nederlands cannabisprodukt die de illegale invoer onnodig maakt en waarvan de produktie vooralsnog niet in handen is van de georganiseerde criminaliteit (zie CRI rapportage).
- het ontbreken van mogelijkheden om de medewerking van koffieshops bij preventieve en voorlichtende activiteiten te verplichten.
- het grote publiek ervaart de kleinhandel in cannabisprodukten als uiterst lucratief en het feit dat deze handel juist door het illegale karakter verschoond blijft van een fiscaal regiem dat voor hen wel geldt, schept een situatie van rechtsongelijkheid en onrechtvaardigheid die niet te rechtvaardigen valt. Ook de kleinhandel zelf ervaart het vaak als problematisch dat de door hen gegenereerde inkomsten noodzakelijkerwijs een illegaal karakter hebben.

De enige mogelijkheid om aan bovenstaande problemen het hoofd te bieden lijkt dan ook de invoering van een vergunningstelsel waarin zowel de produktie als de verstrekking van cannabisprodukten zal zijn geregeld.

Om tot een dergelijke regeling te kunnen komen is een wijziging van de Opiumwet wenselijk zodat cannabis aan de werkingssfeer van voornoemde wet wordt onttrokken en bijvoorbeeld in een systeem gebracht kan worden, met een zekere gelijkenis aan de Drank-Horecawet. Deze optie lijkt te verkiezen boven een regeling conform Artikel 3a Opiumwet ( door middel van een Algemene Maatregel van Bestuur ).
Voorts moet worden bezien in welke mate de bestuurlijke activiteiten, zoals die nu ten aanzien van de handhaving van de Drank-Horecawet plaatsvinden en de handhaving van de voorgestelde regeling gecoördineerd kunnen worden.
Ook lijkt het verstandig om op gemeentelijk niveau te komen tot het opnemen in het bestemmingsplan van al dan niet geschikte of wenselijk geachte locaties. Dit zowel ten aanzien van de kweekinrichtingen als de verkoopinrichtingen, opdat langs deze weg eventuele moeilijkheden op het gebied van de ruimtelijke ordening en openbare orde in een vroeg stadium ondervangen kunnen worden en tot een betere allocatie en getalsmatige beperking van verkooppunten kan worden gekomen.

Ook gezien vanuit het oogpunt van de hulpverlening lijkt een regulering van de huidige situatie te verkiezen.
Door middel van een vergunningstelsel kunnen verplichtingen tot voorlichting en andere preventieve maatregelen hun ingang vinden opdat de potentiële consument beter van de gevaren van hoog-frequent cannabisgebruik doordrongen zal zijn en er beter toe kan worden bijgedragen dat men zich tot laag-frequent cannabisgebruik beperkt. Ook anderszins kan alleen een verdere regulering de voorwaarden scheppen voor een adequate voorlichting opdat verstandig met genotmiddelen als cannabis zal worden omgegaan.

Er zijn diverse redenen aan te geven waarom een regeling gelijkend op de huidige Drank-Horecawet te verkiezen valt waarvan ik er hier enkele zal noemen:
De wenselijkheid van een regeling op het gebied van de hoedanigheid van de lokaliteiten waar cannabis zal worden verkocht, dan wel bedrijfsmatig gekweekt en van de personen die daar hun bedrijf van maken, alsmede op die omstandigheden, waaronder de verkoop van cannabisprodukten tot bijzondere gevaren aanleiding kan geven.
Dergelijke motiveringen hebben ook de Drank-Horecawet tot grondslag gediend met dien verstande dat in de voorgestelde wet ook de produktie van cannabis zal zijn geregeld hetgeen in de Drank-Horecawet ten aanzien van alcoholhoudende dranken niet het geval is.
De aard van genotsmiddel met een niet onaanvaardbaar risico leent zich in het bijzonder voor een regeling als in de Drank-Horecawet aangezien langs deze weg een bestuurlijke controle in verband met de openbare orde en ruimtelijke ordening alsmede een controle op volksgezondheidsaspecten kan plaats vinden en de basis voor dergelijke bestuurlijke systemen reeds aanwezig is in het kader van voornoemde Drank-Horecawet.





INTERNATIONAAL

De huidige situatie in Nederland ten aanzien van cannabis kan als in het buitenland genoegzaam bekend worden voorondersteld en gezien de onwenselijkheid van de effecten van een hernieuwde criminalisering van cannabis op de volksgezondheid en op de sociale positie van de gebruikers lijkt een regulering van de in Nederland geldende praktijk dan ook verre te verkiezen boven het elders gevoerde beleid.
Dit temeer daar met het Nederlands beleid ten aanzien van cannabis goede resultaten ten aanzien van de scheiding der markten behaald lijken te zijn, hetgeen lijkt te resulteren in een verminderde instroom van harddrug-gebruikers ten opzichte van andere landen, terwijl ook het aantal cannabisgebruikers in Nederland niet significant is gestegen ten opzichte van het buitenland. Met als bijkomend voordeel dat deze gebruikers niet met het strafrechtlijk systeem worden geconfronteerd en een normaal geïntegreerd bestaan kunnen leiden te vergelijken met dat van een willekeurige consument van legale genotsmiddelen.

Zodoende lijkt het vanuit volksgezondheidsoogpunt alleszins te verdedigen, dat wij tot een regulering van de bestaande situatie komen door invoering van een vergunningstelsel en dat het buitenland ons de ruimte geeft om ervaringen met een dergelijk beleid op te doen. Met dien verstande dat grensoverschrijdend verkeer betreffende cannabis zonder uitdrukkelijke toestemming van de overheid strafrechterlijk bedreigd zal blijven. Een dergelijk beleid is dan volledig in overeenstemming met de preambule van de Single Convention 1961 aangezien wij langs deze weg de verslaving aan verdovende middelen trachten te voorkomen dan wel bestrijden.
Indien wij nu de bepalingen uit het Enkelvoudig Verdrag betreffende cannabis nader beschouwen (Artikel 28 j° Artikel 23 Single Convention on Narcotic Drugs, 1961) kunnen wij tot de volgende conclusie komen. Als wij bij Algemene Maatregel van Bestuur de Keuringsdienst van Waren belasten met de taken als genoemd in voornoemd verdrag te verrichten door een regeringsbureau (Art 23), is een vergunningstelsel niet strijdig met de inhoud van voornoemd verdrag, daar dan geen sprake zal zijn van misbruik of sluikhandel maar van gebruik en handel.

Een cannabiswet dient mijns insziens wel enkele specifieke regelingen te bevatten waarin de volgende onderwerpen dienen te worden geregeld:

1. Overeenkomstig de Drank-Horecawet lijkt het ministerie van Welvaart, Volksgezondheid en Cultuur de aangewezene voor de uitvoering van een cannabiswet aangezien dit ministerie het best in staat mag worden geacht zaken betreffende genotmiddelen te behandelen. Dit temeer daar bij dit ministerie reeds een afdeling alcohol, drugs en tabak aanwezig is die over een ruime ervaring op het gebied van deze middelen beschikt.

2. Het lijkt verstandig indien "koffieshops" die een vergunning tot het verstrekken van cannabis bezitten, daarvan blijk kunnen geven door middel van een door de inspectie te verstrekken keurmerk. Dit temeer daar enige andere wervende activiteiten mijns insziens minder gewenst zijn.
Voornoemde vergunning dient mijns insziens in verband met de openbare orde en ruimtelijke ordening door Burgemeester en Wethouders in overleg met de Inspectie verleend te orden.

3. Naar aanleiding van de vooralsnog illegale status van cannabis in het buitenland dient men een regeling te treffen, waarbij grensoverschrijdende handelingen ten aanzien van cannabis met een flinke straf blijven bedreigd, indien deze handelingen plaats vinden zonder uitdrukkelijk verlof van bijvoorbeeld de Minister van WVC.

4. Het lijkt verstandig om de verbouw van cannabis voor eigen gebruik buiten het kader van een dergelijke regeling te houden-. Dit is mogelijk door bijvoorbeeld een aantal van vijf planten op te nemen als ondergrens voor het vergunningstelsel.
5. Er moet een bevoegdheid opgenomen worden krachtens welke
regels kunnen worden geformuleerd ten aanzien van de verpakking. Hierbij moet gedacht worden aan o.a een vermelding van het gehalte werkzame bestanddelen en andere produktinformatie.

6. Mijns insziens dient de verkoop van met cannabis toebereide etenswaren verboden te zijn. Dit vanuit de ervaring dat voornoemde spijzen voor consumenten qua werking moeilijk doseerbaar zijn en omdat men aan het uiterlijk van deze spijzen moeilijk of niet het cannabis-bevattende karakter kan afzien zodat het met name voor kinderen niet kenbaar is dat het hier om genotmiddelen gaat terwijl juist het uiterlijk van dergelijke etenswaren een grote aantrekkingskracht op hen kan uitoefenen.

Laat ik afsluiten met de behandeling van enige min of meer recente ontwikkelingen in het buitenland.

DUITSLAND
rechtspraak

1. Een "Vorlagebeschluss" van het Landesgericht Lübeck.
Rechter Neskovic bijgestaan door twee lekenrechters werd geconfronteerd met een dame die betrapt was toen zij een stukje hash van ± 1.5 g. aan haar man in de gevangenis wilde overhandigen en in plaats van een voorwaardelijke of andere straf op te leggen, verwees het gerecht de zaak, in een uitspraak van 88 blz. naar het Bundesverfassungsgericht wegens strijd met de grondwet en wel op de volgende gronden.
a. proportionaliteitsbeginsel, Grundgesetz art.3 lid 12; Het gebruik/bezit van cannabis met straf bedreigen en de ongezondere stoffen alcohol en nicotine ongemoeid laten terwijl de maatschappelijke schade die veroorzaakt wordt door de laatste twee stoffen veel groter is.
Dit met name omdat in eerdere uitspraken van het Bundes- verfassungsgericht over de Betaubungsmittelngesetz wordt gesteld, dat alleen middelen die even schadelijk of schadelijker dan alcohol zijn onder het strafrecht beho ren te vallen en nu, zoals het gerecht van de stad Lübeck stelt, is aangetoond, dat cannabis minder schadelijk is dan alcohol, deze stof aan het strafrecht behoort te worden onttrokken.
b. het grondwettelijk recht op roes als onlosmakelijk deel van het recht op zelfbeschikking, Grundgesetz art.2 lid 1 en 2;
Een ieder heeft het recht zelf te bepalen welk roesmiddel hij of zij verkiest en het is niet aan de staat om mensen het gevaarlijkere alternatief alcohol op te dringen door cannabisgebruik met straf te bedreigen. Men is met andere woorden, bij de bevrediging van het verlangen naar roes, door de staat gedwongen om het meer schadelijke alterna- tief alcohol te kiezen, hetgeen een onrechtmatige inmen- ging in de persoonlijke levenssfeer door de staat ople- vert.
2. Een soortgelijk "Vorlagebeschluss" van het Landesgericht Hildesheim. Hier betreft het een zaak waarbij een koper is verraden door zijn dealer en op grond van de aanschaf van een portie hashish van ± 50 DM is veroordeeld, welk vonnis in hoger beroep wordt afgehandeld als in Lübeck, zodat ook in deze zaak is verwezen naar het Bundesverfassungsgericht wegens vermeende strijd met de Duitse grondwet.

Nu is over de eventuele strijd van de "Duitse Opiumwet" met de
Grundgesetz al eerder gepubliceerd door o.a. Lorenz Böllinger in zijn "Rechtsgutachten für die Deutsche Aids-Hilfe", waarin overigens van strijd met meer artikelen van de grondwet wordt gerept dan in de vonnissen van de gerechten Lübeck en Hildesheim, maar een daadwerkelijke toetsing van de wet aan de grondwet, door een rechter in een strafzaak is uiteraard van een geheel andere orde en naar mijn mening van historische betekenis.

politiek

Het valt op dat er in Duitsland steeds meer stemmen opgaan die in de richting van decriminalisatie van drugs gaan. Met name interessant is de opstelling van de SPD. Die partij pleit onomwonden voor een beleid als het nederlandse, met een onderverdeling in hard- en softdrugs en een benadering op grond van het opportuniteitsbeginsel.
Ook uit de aan Nederland grenzende deelstaten zoals Nord-Rheinland-Westfalen vallen deze geluiden te beluisteren en streeft men naar een verregaande samenwerking met Nederland op drugsgebied.
Een belangrijke reden voor deze verandering in zienswijze is gelegen in het feit dat het duitse Openbaar Ministerie op grond van het legaliteitsbeginsel verplicht is te vervolgen.
Dit levert door het gebrek aan mogelijkheden om prioriteiten te stellen een enorme werkdruk op en draagt bij aan een situatie waarin men consumenten van cannabis moet vervolgen terwijl bijvoorbeeld grote handelaren in harddrugs vrij spel hebben.
Bij de rechtelijke macht in Duitsland heerst dan ook vaak het gevoel dat men in een soort tredmolen plaats heeft waarin delen van de jeugd onnodig worden gecriminaliseerd terwijl allerlei criminelen vrij uit gaan.

Mario Lap.

GERAADPLEEGDE LITERATUUR

1. Political ideologies and drug policy, 1992
Sebastian Scheerer
European Journal on Criminal Policy and Research Vol 1 no 1

2. Cannabis Criminals, the social effects of punishment on drug users, 1980
Patricia G. Erickson
Addiction Research Foundation, Toronto Canada

3. Inventarisatie cannabis-verkooppunten in werkgebieden van korpsen rijks- en gemeentepolitie, rapportagevan een enquete
H. Kuipers, utrecht NIAD 1991

4. Hasjiesj en marihuana, rijp voorkeurmerk
K. de Leeuw
Algemeen Dagblad 1991

5. Nederland toe aan stop op de koffieshop
K. van Es
Parool 27.2.1992

6. Export van nederwiet baart CRI zorgen
G. den Elt, E. Stolkwijk
Algemeen Dagblad 27.2.1992

7. Aanpak van Nederlanddient als voorbeeld in Duits hasj-debat
S. van der Hoek
Volkskrant 29.2.1992

8. Drugs, Duitsers en het Amsterdamse model
B. Bommels
Elseviers Weekblad 7.3.1992

9. De groei en bloei van de nederwiet
F. Bosman, K. van Es 4.4.1992

10. CRI diep onder de indruk van kwaliteit Nederlandse hennep
Volkskrant 19.6.1991

11. Huiskwekertjes bepalen groot deel van hennepmarkt
C. van Zwol
NRC 10.8.1991

12. Softdrugs horen niet langer in Opiumwet thuis, pleidooi politiechefs
R. Knijff
Telegraaf 25.10.1991

13. Vooral groothandel in softdrugs bestrijden
Algemeen Politieblad
vol. 140 1991 no 22 p.32

14. Drugsrechtspraak in verschillende rechtsgebieden
E. de Marees van Swinderen
Tijdschrift voor Alcohol, Drugs en andere Psychotrope stoffen
vol 17 1991 no 1
15. Hasj en cannabis als deel van de cultuur
Nuchter bekeken vol 29 no 8 p 8

16. Licit and illicit drug use in Amsterdam, report of a houshold survey in 1990 on the prevalence of drug use among the population of 12 years and over.
J.P. Sandwijk, P.D.A. Cohen, S. Musterd
Amsterdam, Instituut voor Sociale Geografie van de Universiteit van Amsterdam 1991

17. Cannabisgebruik in Nederland. Een perspectief vanuit de hulpverlening.
Els Noorlander
Amsterdams Drugstijdschrift 1992, 1

18. Rechtsgutachten für die Deutsche Aids Hilfe "Moglichkeiten und Grenzen der Legalisierung und Entkriminalisierung des Berahmen einer Novellierung des BtMG"
Lorenz Böllinger
Frankfurt am Main

19. Strafrecht, Drogenpolitik und Verfassung
Lorenz Böllinger
Kritische Justiz Jrg 24 no 4 1991

20. Deutscher Bundestag 12. Wahlperiode: Entwurf eines Gesetzes zur änderung des Betäubungsmittelngesetzes.
Drucksache 12/934, 12.07.91.

21. Änderungsantrag der Fraktion der SPD zum Gesetzentwurf des Bundesrates zur änderung des Betäubungsmittelgesetzes,
Ausschussdrucksache 66 12. Wahlperiode, Drs. 12/934

22. Drogenprobleme sachlich und behutsam erörtern. Die SPD im Deutschen Bundestag, 689, 11 maart 1992

23. Redebeiträge Bondsdag betreffende vonnis Neskovic

24. Drogen und Drogenpolitik; Ein Handbuch
Sebastian Scheerer, I. Vogt
Frankfurt/New York (Campus verlag) 1989

25. Die Genese der Betäubungsmittelgesetze in der Bundesrepublik Deutschland und in den Niederländen
Sebastian Scheerer
Göttingen (Verlag Otto Schwartz & Co) 1982

26. Drei Jahre danach. Das Drogengesetz macht Probleme
Sebastian Scheerer
Kriminologische Praxis 13, jrg nr19/20 1985

27. Uitspraak; 713 Js 16817/90 StA Lübeck, 2 Ns(Kl.167/90)

28. Uitspraak; 18 Ns 13 Ds 26 maart 1992 Hildesheim