CONCEPT CANNABISWET 2.0

CONCEPT CANNABISWET 2.0

©MARIO LAP, 2012



CONCEPT TEKST VAN DE WET

WET van "datum", Stb., tot vaststelling van bepalingen betreffende Cannabis en het kader waarin haar producten voor niet medische doeleinden kunnen worden verstrekt.
Wij BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut!
doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Opiumwet Stb.167 te wijzigen en aan te vullen met een nieuwe wet, welke ten aanzien van de productie en verstrekking van cannabis zowel uit sociaal-hygiënisch als uit sociaal economisch oogpunt regelen stelt;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

1. Begripsbepalingen

Art. 1. 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
b. cannabis: elk deel van de plant van het geslacht Cannabis, waaraan de hars niet is onttrokken, alsmede ieder middel bevattende een tetra-hydra-cannabinol gehalte hoger dan 0.5%; met uitzondering van de zaden en cannabis of cannabisproducten voor medische toepassingen;
c. kweekinrichting: de besloten ruimte, waarin een in artikel 3, eerste lid, bedoeld bedrijf of de in dat lid bedoelde werkzaamheid wordt uitgeoefend, met - voor zover zij samen daarmee tot dat doel in gebruik zijn - de open aanhorigheden daarvan;
d. verkoopinrichting: de besloten ruimte, waarin een in artikel 3, tweede lid, bedoeld bedrijf of de in dat lid bedoelde werkzaamheid wordt uitgeoefend, met - voor zover zij tezamen daarmee tot dat doel in gebruik zijn - de open aanhorigheden daarvan en de in de onmiddellijke nabijheid daarvan gelegen gedeelten van de openbare weg;
e. bedrijfsleider: hij, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin een in dit artikel onder c of d bedoeld bedrijf wordt uitgeoefend, dan wel aan de uitoefening van de bedoelde werkzaamheid in een of meer inrichtingen;
f. beheerder: hij, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van een in dit artikel onder c of d, bedoeld bedrijf of de bedoelde werkzaamheid in een inrichting;
g. inspecteur: de inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid, belast met het toezicht op de naleving van het bij en krachtens deze wet bepaalde;
h. landelijk keurmerk: door de inspecteur te verlenen waarmerk dat op de gevel van de inrichting dient te worden geplaatst en waaruit de controle door de inspecteur van in onderhavige inrichting te verstrekken cannabis blijkt.
2. Voor de toepassing van deze wet wordt onder vervaardigen begrepen raffineren en omzetten.

2. Algemene bepalingen

Art. 2.1. Het is verboden cannabis binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen zonder daartoe door Onze Minister schriftelijk gegeven verlof.
2. Bij algemene maatregel van bestuur zullen nadere voorschriften ten aanzien van het in lid 1 bedoelde verlof worden vastgesteld.
3. Voor een verlof kan een jaarlijkse vergoeding worden geheven volgens een tarief, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.

Art. 3.1.a. Het is verboden zonder vergunning van de inspecteur bedrijfsmatig cannabis te verbouwen, bewerken, verwerken, vervaardigen, verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.
b. Onder bedrijfsmatig verbouwen is niet begrepen het voor eigen gebruik kweken dan wel in bezit hebben van maximaal vijf cannabis planten en de daarvan afkomstige oogst voor eigen gebruik aan te wenden.
2. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders bedrijfsmatig aan particulieren cannabis te verstrekken noch voor gebruik ter plaatse noch voor gebruik elders dan ter plaatse.

Art. 4.1. Een vergunning is vereist voor iedere inrichting.
2. Geen vergunning wordt verleend voor het uitoefenen van een in artikel 3 eerste en tweede lid bedoeld bedrijf anders dan in een inrichting
3. Bij overgang van een onderneming of instelling, waarin zodanig bedrijf of zodanige werkzaamheid wordt uitgeoefend, op rechtverkrijgenden onder algemene titel gaan tevens de krachtens deze wet aan de ondernemer verleende verloven, vergunningen, verklaringen en ontheffingen - onverminderd het in deze wet ten aanzien van de intrekking en het vervallen daarvan bepaalde - op de rechtverkrijgenden over.

Art. 5.1. Voor het verkrijgen van een vergunning voor het uitoefenen van een in artikel 3 eerste en tweede lid genoemd bedrijf moet worden voldaan aan het bij en krachtens de volgende leden bepaalde.
2. De bedrijfsleiders en de beheerders dienen aan de volgende eisen te voldoen:
a. zij mogen niet onder curatele staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet zijn;
b. zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;
c. zij moeten de leeftijd van vijfentwintig jaar hebben bereikt.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden naast de in het tweede lid gestelde eisen andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van bedrijfsleiders en beheerders gesteld en kan de in dat lid onder b, gestelde eis nader worden omschreven.
4. Alvorens tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid wordt overgegaan, wordt de Centrale Raad voor de Volksgezondheid gehoord.

Art. 6.1. Voor het verkrijgen van een vergunning zoals bedoeld in artikel 3 eerste lid moet tevens worden voldaan aan het krachtens de volgende leden bepaalde.
2. De inrichting, productie en product dienen te voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur in het belang van de volksgezondheid en sociale hygiëne te stellen eisen.
3. Tevens dient te worden medegewerkt aan de periodieke keuring en bepaling van het gehalte van de werkzame bestanddelen zoals deze zal worden verricht door een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instituut.
4. Ten aanzien van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede en derde lid is artikel 5, vierde lid van overeenkomstige toepassing.

Art. 7.1. Voor het verkrijgen van een vergunning zoals bedoeld in artikel 3 tweede lid moet tevens worden voldaan aan het krachtens de volgende leden bepaalde.
2. De inrichting dient te voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur in het belang van de volksgezondheid en sociale hygiëne te stellen eisen.
3. Tevens dient de inrichting te zijn voorzien van het landelijk keurmerk zoals dit kan worden verleend door de inspecteur op nader bij algemene maatregel van bestuur te regelen wijze en voorwaarden.
4. Bij gemeentelijke verordening kunnen in dat belang ten aanzien van inrichtingen in de gemeente of in bij verordening aangewezen delen daarvan verdergaande, alsmede andere eisen worden gesteld.
5. Ingeval het vierde lid toepassing heeft gevonden, worden bij gemeentelijke verordening regelen gesteld betreffende het verlenen van ontheffing van krachtens dat lid gestelde eisen en betreffende het instellen van beroep bij gedeputeerde staten door de betrokkene tegen een besluit tot weigering of intrekking van een ontheffing.
6. Ten aanzien van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede en derde lid is artikel 5, vierde lid, van overeenkomstige toepassing. Een voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van zodanige algemene maatregel van bestuur wordt Ons gedaan mede door Onze Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid.
7. Alvorens tot vaststelling van een verordening als bedoeld in het vierde of vijfde lid wordt overgegaan, worden de Provinciale Raad voor de Volksgezondheid en de Kamer van Koophandel en Fabrieken gehoord.
8. Ten aanzien van zodanige verordening zijn de artikelen 199, 203, 205 en 206 van de gemeentewet (Stb. 1851,85) van toepassing. Zodanige verordening wordt niet afgekondigd, alvorens haar goedkeuring onherroepelijk is geworden.

Art. 8.1. Voor het verkrijgen van een vergunning zoals bedoeld in artikel 3 eerste en tweede lid, moet bovendien onderscheidenlijk door de ondernemer of de ondernemers gezamenlijk, door een bedrijfsleider en door een beheerder worden voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen van kredietwaardigheid, van handelskennis en van vakbekwaamheid.
2. Bij of krachtens die maatregel kunnen regelen worden gesteld omtrent de wijze, waarop het voldoen aan de daarbij gestelde eisen van kredietwaardigheid moet blijken
3. Voorts worden bij of krachtens die maatregel de bewijsstukken aangewezen, waaruit het voldoen aan de daarbij gestelde eisen van handelskennis en van vakbekwaamheid moet blijken.
4. Ten aanzien van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid is artikel 5, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

Art. 9.1. Een krachtens artikel 3 tweede lid verleende vergunning geldt ten aanzien van het verstrekken van cannabis niet:
a. voor andere tot de inrichting behorende lokaliteiten dan die, welke in de vergunning zijn aangewezen.
b. voor andere gedeelten van de openbare weg dan die, waar dat verstrekken bij gemeentelijke verordening uitdrukkelijk is toegestaan
2. Bij een gemeentelijke verordening als bedoeld in het eerste lid, onder b, worden tevens voorschriften gegeven, welke door de vergunninghouders bij het op de openbare weg verstrekken van cannabis moeten worden in acht genomen.
3. Ten aanzien van zodanige verordening zijn de artikelen 199, 203, 205 en 206 van de gemeentewet van toepassing.

Art. 10. Deze wet is niet van toepassing met betrekking tot middelen van vervoer tijdens hun gebruik als zodanig.

3. Bijzondere bepalingen

Art. 11. Het is verboden een onderdeel van een inrichting gelijktijdig in gebruik te hebben voor het bedrijfsmatig of in de uitoefening van de in artikel 3 tweede lid bedoelde werkzaamheid verstrekken van cannabis aan particulieren en de in artikel 3 eerste lid bedoelde werkzaamheid kweken dan wel verbouwen van cannabis.

Art. 12.1. Het is verboden bedrijfsmatig cannabis, cannabisproducten of spijzen en dranken die cannabis bevatten aan particulieren te verstrekken anders dan in goed gesloten verpakking:
a. die voldoet aan regelen, welke dienaangaande door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken kunnen worden gesteld;
b. waarop de gehaltes aan werkzame bestanddelen van de cannabis die zij bevat, duidelijk zichtbaar in gewichtsprocenten is vermeld.
2. Een krachtens het eerste lid, onder a, vastgestelde beschikking wordt in de staatscourant bekend gemaakt.

Art. 13.1. Het is verboden bedrijfsmatig of in de uitoefening van de in artikel 3, tweede lid bedoelde werkzaamheid cannabis te verstrekken aan personen beneden de leeftijds- grens van achttien jaar.
2. Het is degene die het in artikel 3, tweede lid, bedoelde bedrijf uitoefent, verboden toe te laten, dat in die onderdelen van de inrichting waarin cannabis wordt verstrekt personen beneden de leeftijdsgrens van achttien jaar aanwezig zijn.

Art. 14. Het is verboden bedrijfsmatig of in de uitoefening van de in artikel 3, tweede lid, bedoelde werkzaamheid cannabis te verstrekken, indien redelijkerwijs moet worden vermoed, dat dit tot verstoring van de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid zal leiden.

Art. 15. Het is verboden enige reclame uiting of affichering ten aanzien van cannabis op een vanaf de openbare weg zichtbare plek te plaatsen anders dan het landelijk keurmerk  en uitingen of affichering, die voldoen aan regelen die door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken kunnen worden gesteld; evenals het verboden is reclame uitingen ten aanzien van cannabis te publiceren in enigerlei vorm of medium en anders dan om niet wervende activiteiten ten aanzien van cannabis aan de dag te leggen indien deze niet voldoen aan regelen die door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken kunnen worden gesteld.

Art. 16.1. Het is degene, die een in artikel 3, tweede lid, bedoeld bedrijf of de in dat lid bedoelde werkzaamheid uitoefent, verboden in die onderdelen van de inrichting waar cannabis wordt verstrekt, gedurende de tijd, dat zij daartoe voor het publiek geopend zijn, personen beneden de leeftijdsgrens van achttien jaar dienst te laten doen.

4. Gemeentelijke belasting op het verstrekken van cannabis

Art. 17.1. De gemeentebesturen heffen jaarlijks een belasting op het uitoefenen van een in artikel 3, tweede lid bedrijf of de in dat lid bedoelde werkzaamheid naar de grondslag van de in een kalenderjaar bij die uitoefening bereikte omzet van cannabis.
2. De belasting bedraagt ten aanzien van de uitoefening van een in artikel 3, tweede lid, bedoeld bedrijf of de in dat lid bedoelde werkzaamheid ten minste Fl.10,- en ten hoogste Fl.25,- per 1000 gram cannabis of gedeelte daarvan.
3. Ten aanzien van de belasting zijn de artikelen 269-271, 280-301 en 303 van de gemeentewet van toepassing, met dien verstande, dat zij wordt geheven bij wege van aanslag.


5. Vergunningen

Art. 18.1. Onze Ministers van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en van Economische Zaken bepalen, welke gegevens een aanvrage om een vergunning als bedoeld in artikel 3 eerste en tweede lid dient te bevatten.
2. Bij het indienen van een aanvrage moet een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag worden betaald.
3. De aanvrage wordt geacht niet te zijn ingediend, zolang de krachtens het eerste lid verlangde gegevens niet zijn verstrekt of het ingevolge het tweede lid verschuldigde bedrag niet is betaald.
4. Op de aanvrage wordt binnen drie maanden beslist.
5. Een krachtens het eerste lid vastgestelde beschikking wordt in de staats courant bekend gemaakt.

Art. 19.1. Een vergunning wordt geweigerd indien:
a. niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 5, 6 of 7 geldende eisen;
b. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn
c. artikel 4, tweede lid, zich tegen de verlening van de gevraagde vergunning verzet.
2. Een vergunning kan voorts worden geweigerd, indien door de in de inrichting wonende echtgenoot of een aldaar wonend kind van een beheerder der inrichting niet wordt voldaan aan dezelfde eis, die ingevolge artikel 5, tweede lid, onder b, en het te dien aanzien krachtens het derde lid van dat artikel bepaalde voor de beheerders geldt.

Art. 20. Een vergunning als bedoeld in artikel 3 eerste of tweede lid wordt bovendien geweigerd indien niet is aangetoond, dat wordt voldaan aan de ingevolge artikel 8 geldende eisen.

Art. 21.1. Een vergunning wordt verleend, indien geen der in de artikelen 19 en 20 bedoelde weigeringsgronden aanwezig is.
2. Het besluit tot verlening van de vergunning als bedoeld in artikel 3 tweede lid wordt mede aan de inspecteur toegezonden. Het wordt eerst van kracht, zodra het onherroepelijk is geworden.
3. Het besluit tot weigering van een vergunning is met redenen omkleed en wordt aan de aanvrager toegezonden bij aangetekende brief.

Art. 22.1. In een vergunning worden vermeld:
a. de plaats, waar de inrichting zich bevindt
b. in geval van een vergunning zoals bedoeld in artikel 3 tweede lid de oppervlakten van de krachtens artikel 9, eerste lid, onder a, daarin aangewezen lokaliteiten
c. in geval van een vergunning zoals bedoeld in artikel 3 eerste lid de totale oppervlakte te gebruiken voor de aanplant van cannabis alsmede het maximaal op enigerlei moment aanwezig te hebben aantal cannabisplanten.
d. de bedrijfsleiders en de beheerders.

Art. 23. Indien een in een vergunning aangewezen lokaliteit zodanige verandering heeft ondergaan, dat zij terwijl nog wordt voldaan aan de ingevolge artikel 6 of 7 geldende eisen, niet langer beantwoordt aan de in de vergunning gegeven omschrijving, wordt deze omschrijving op verzoek van de vergunninghouder overeenkomstige bedoelde verandering gewijzigd.

Art. 24.1. Een vergunning wordt ingetrokken indien:
a. de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvrage een andere beslissing zou zijn genomen, als op de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
b. niet langer wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 5, 6 of 7 geldende eisen;
c. zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;
2. De intrekking van een vergunning krachtens het eerste lid onder b, kan, voor zover de grond tot intrekking niet de persoon van de vergunninghouder betreft eerst geschieden een maand nadat van het voornemen daartoe aan de vergunninghouder bij aangetekende brief mededeling is gedaan.
3. Het besluit tot intrekking van de vergunning is met redenen omkleed en wordt aan de vergunninghouder toegezonden bij aangetekende brief. Het wordt eerst van kracht, zodra het onherroepelijk is geworden.

Art. 25.1. Indien burgemeester en wethouders in geval van een vergunning bedoeld in artikel 3 eerste lid van oordeel zijn dat deze vergunning op een der in artikel 24 genoemde gronden moet worden ingetrokken, doen zij daartoe onder opgave van redenen aan de inspecteur een voorstel.
2. Binnen drie maanden na ontvangst van zodanig voorstel neemt de inspecteur daaromtrent een besluit. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan burgemeester en wethouders.

Art. 26.1. Indien de inspecteur in geval van een vergunning bedoeld in artikel 3 tweede lid van oordeel is, dat deze vergunning op een der in artikel 24 genoemde gronden moet worden ingetrokken, doet hij daartoe onder opgave van redenen aan burgemeester en wethouders een voorstel.
2. Binnen drie maanden na ontvangst van zodanig voorstel nemen burgemeester en wethouders daaromtrent een besluit. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan de inspecteur.

Art. 27. Een vergunning vervalt wanneer:
a. sedert haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
b. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
c. de verlening van een vergunning strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

6. Goedkeuring en beroep

Art. 28.1. Een verordening krachtens artikel 7 of 9 vastgesteld, behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.
2. Gedeputeerde staten beslissen binnen drie maanden na de dag, waarop zij de verordeningen ontvangen hebben.
Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste drie maanden verdagen.
3. Indien:
a. gedeputeerde staten binnen de in het tweede lid gestelde termijn noch een beslissing, noch een bericht, de beslissing verdagende, aan de gemeenteraad hebben ingezonden of
b. zij, ingeval binnen die termijn zodanig bericht is ingezonden, vóór het verstrijken van de termijn, waarvoor hun beslissing verdaagd is, geen beslissing aan de gemeenteraad hebben ingezonden, wordt de verordening geacht te zijn goedgekeurd.

Art. 29.1. Alvorens te beslissen horen gedeputeerde staten:
a. de betrokken bedrijfslichamen
b. de inspecteur en
c. de inspecteur van de volkshuisvesting binnen hun provincie belast met het staatstoezicht op de volkshuisvesting.
2. Gedeputeerde staten beslissen bij een met redenen omkleed besluit.
3. Zij doen mededeling van hun besluit aan de gemeenteraad en aan de in het eerste lid bedoelde organen.
4. Onze Minister van Economische Zaken wijst de bedrijfslichamen aan, die voor de toepassing van het eerste lid als betrokken bedrijfslichamen worden aangemerkt.
5. Een krachtens het vierde lid vastgestelde beschikking wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.

Art. 30. De gemeenteraad en de in artikel 29, eerste lid, bedoelde organen kunnen binnen dertig dagen na ontvangst van de hun overeenkomstig het derde lid van dat artikel gedane mededeling bij Ons beroep instellen.

Art. 31.1. Wij beslissen bij een met redenen omkleed besluit.
De voordracht tot zodanig besluit wordt Ons gedaan door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en voor zover het besluit een krachtens artikel 7 vastgestelde verordening betreft, met Onze Minister van Volkshuisvesting
2. Onze beslissing wordt medegedeeld aan gedeputeerde staten, aan de gemeenteraad en aan de in artikel 29, eerste lid, bedoelde organen.

Art. 32.1. Tegen een besluit tot weigering of intrekking van een vergunning kan de betrokkene beroep instellen bij gedeputeerde staten.
2. Tegen een besluit tot verlening van een vergunning kan de burgemeester alsmede de inspecteur beroep instellen bij gedeputeerde staten.
3. Tegen een krachtens artikel 25, tweede lid of artikel 26 tweede lid, genomen besluit, houdende weigering van de intrekking van een vergunning, kan de burgemeester beroep instellen bij gedeputeerde staten.
Gelijke bevoegdheid komt de inspecteur toe, indien deze een voorstel als in die artikelen bedoeld heeft gedaan.
4. Voor de toepassing van dit artikel wordt het niet binnen de gestelde termijn besluiten met een besluit tot weigering gelijk gesteld.

Art. 33.1. Het beroepschrift, waarbij krachtens artikel 32 beroep wordt ingesteld, wordt binnen vier weken bij burgemeester en wethouders ingediend.
Dezen zenden het onverwijld door.
2. Indien het beroep is ingesteld door de burgemeester of de inspecteur, doen burgemeester en wethouders daarvan onverwijld bij aangetekende brief mededeling aan de vergunning- houder.
3. De in het eerste lid gestelde termijn begint voor de aanvrager of de vergunninghouder, alsmede voor de inspecteur met ingang van de dag, volgende op die, waarop het besluit hun is toegezonden; voor de burgemeester met ingang van de dag, volgende op die, waarop het besluit is genomen.
4. Indien binnen de daarvoor gestelde termijn geen besluit is genomen, begint de in het eerste lid gestelde termijn met ingang van de dag, volgende op die, waarop het besluit uiterlijk had moeten zijn genomen.

Art. 34.1. Gedeputeerde staten beslissen, de inspecteur gehoord, binnen twee maanden, nadat het beroep is ingesteld. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste twee maanden verdagen.
2. De besluiten van gedeputeerde staten bevatten de gronden waarop zij berusten

Art. 35. Een krachtens artikel 34 vastgesteld besluit kan, voor zover het met de wet of het algemeen belang strijdt, door Ons worden geschorst of vernietigd.

7. Overige bepalingen

Art. 36. Indien in strijd met deze wet cannabis wordt verstrekt kunnen burgemeester en wethouders het voortzetten van dat verstrekken beletten. Zij zijn daarbij bevoegd aan andere personen dan hen, die wonen in de ruimte, waarin dat verstrekken heeft plaats gevonden, de toegang tot die ruimte te ontzeggen.

Art. 37. Het is verboden ter zake van een aanvrage om een vergunning, een verklaring of een verlof onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken.

Art. 38. Allen die betrokken zijn of zijn geweest bij de uitvoering van deze wet, zijn verplicht tot geheimhouding van al hetgeen hun in hun hoedanigheid is bekend geworden, voor zover zij niet in hun hoedanigheid tot mededeling daarvan bevoegd of verplicht zijn.

Art. 39. Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van deze wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur.

Art. 40. Voor zover in deze wet niet anders is bepaald, kunnen ten aanzien van de onderwerpen, waarin zij voorziet, geen provinciale of gemeentelijke verordeningen worden gemaakt.

8. Toezicht en opsporing

Art. 41.1. Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur wijst de inspecteur en ambtenaren van het staatstoezicht op de volksgezondheid aan belast met het toezicht op de naleving van het bij en krachtens deze wet bepaalde.
2. Onze Ministers van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en van Economische zaken wijzen te zamen de andere ambtenaren aan, belast met het toezicht op de naleving van het bij en krachtens deze wet bepaalde.
3. Een krachtens het eerste of het tweede lid vastgestelde beschikking wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.

Art. 42. Met de opsporing van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn belast:
a. de ambtenaren, aangewezen bij artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering;
b. de krachtens artikel 41 aangewezen ambtenaren, voor zover zij door Onze Minister van Justitie daartoe zijn aangewezen.

Art. 43. De in de artikelen 41 en 42 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd inzage te verlangen van alle bescheiden en daarvan afschrift te nemen, een en ander voor zover dit naar hun redelijk oordeel voor de vervulling van hun taak met betrekking tot deze wet nodig is.
Te dien einde kunnen zij bescheiden gedurende ten hoogste vijf dagen onder zich houden.

Art. 44.1. De in de artikelen 41 en 42 bedoelde ambtenaren zijn te allen tijde bevoegd tot het betreden van:
a. alle lokaliteiten, waar anders dan om niet cannabis aan particulieren wordt verstrekt of waar naar hun redelijk vermoeden zodanige verstrekking plaatsvindt;
b. alle plaatsen, waarvan de betreding naar hun redelijk oordeel voor de vervulling van hun taak met betrekking tot deze wet nodig is.
2. Zo nodig verschaffen zij zich toegang met behulp van de sterke arm.

Art. 45.1. In woningen treden de in de artikelen 41 en 42 bedoelde ambtenaren tegen de wil van de bewoner niet binnen dan in tegenwoordigheid van de burgemeester of van een commissaris van politie, dan wel voorzien van een algemene of bijzondere schriftelijke last van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, of Economische Zaken en Onze Minister van Justitie te zamen, de procureur-generaal bij het gerechtshof of de officier van justitie, of van een bijzondere schriftelijke last van één zijner hulpofficieren.
2. Van het binnentreden maken zij binnen tweemaal vierentwintig uur een proces-verbaal op, waarin van het tijdstip van het binnentreden en van het daarmede beoogde doel melding wordt gemaakt. Zij dragen zorg, dat een afschrift van het proces-verbaal aan de officier van justitie wordt toegezonden en dat een afschrift aan de bewoner wordt uitgereikt of te zijner behoeve aan de woning bezorgd.

Art. 46.1. De in de artikelen 41 en 42 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd goederen aan een onderzoek en opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen, een en ander voor zover dit naar hun redelijk oordeel voor de vervulling van hun taak met betrekking tot deze wet nodig is.
2. De genomen monsters worden voor zover mogelijk, aan de rechthebbende op de goederen teruggegeven.

Art. 47. De in de artikelen 41 en 42 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken, voor zover dit naar hun redelijk oordeel voor de vervulling van hun taak met betrekking tot deze wet nodig is. Zij kunnen daartoe van de bestuurder vorderen zijn vervoermiddel te doen stilhouden en het naar een door hen aangewezen plaats over te brengen.

Art. 48.1. Ieder is verplicht aan de in de artikelen 41 en 42 bedoelde ambtenaren alle medewerking te verlenen, welke naar hun redelijk oordeel voor de vervulling van hun taak met betrekking tot deze wet nodig is.
2. Wanneer naar het redelijk oordeel van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren onvoldoende medewerking wordt verleend, kunnen zij op kosten van de nalatige de nodige maatregelen treffen.
3. Zij, die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen van het geven van inlichtingen, doch uitsluitend voor zover betreft hetgeen hun in hun hoedanigheid is toevertrouwd.
Zij kunnen voorts de inzage van bescheiden en het verlenen van medewerking weigeren, voor zover hun plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt.

Art. 49. De in artikel 41 bedoelde ambtenaren zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.

9. Bepalingen van strafrechtelijke aard

Art. 50. Voor de toepassing van de in deze paragraaf vervatte bepalingen wordt verstaan onder:
a. bedrijfsleider: hij, die algemene leiding geeft aan een onderneming dan wel aan de uitoefening van de in artikel 3 eerste of tweede lid bedoelde werkzaamheid in een of meer inrichtingen;
b. beheerder: hij, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van een bedrijf in een ondernemingsonderdeel dan wel aan de uitoefening van de in artikel 3 eerste of tweede lid bedoelde werkzaamheid in een inrichting.

Art. 51.1. Voor de naleving van de in de artikelen 52 en 53 omschreven verboden en voorschriften zijn onverminderd het in artikel 48 bepaalde, aansprakelijk de ondernemer, alsmede de bedrijfsleider en, ten aanzien van het door hem beheerde onderdeel der onderneming of instelling, de beheerder.
2. Indien de ondernemer een rechtspersoon is, treedt voor de toepassing van het eerste lid in plaats van de ondernemer de bestuurder.

Art. 52. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 2 eerste lid gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren en een geldboete van de vijfde categorie, hetzij met één van deze straffen.

Art. 53.1. Bij overtreding van een verbod, gesteld bij of krachtens een der artikelen 3, 14 of een der voorschriften verbonden aan een verlof als bedoeld in artikel 2 tweede lid, wordt degene, die voor naleving daarvan aansprakelijk is, gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
2. Behalve de bijkomende straffen genoemd in artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht, kan als zodanige straf worden opgelegd de gehele of gedeeltelijke stillegging van de onderneming of instelling, waarin het feit is gepleegd voor een tijd van ten hoogste een jaar.
3. De ondernemer of bestuurder en de bedrijfsleider zijn niet strafbaar, indien zij niet tevens beheerder zijn van dat onderdeel der onderneming of instelling, waarin of ten aanzien waarvan de overtreding werd gepleegd, en zij aantonen, dat zij de nodige bevelen hebben gegeven, de nodige maatregelen hebben genomen, de nodige middelen hebben verschaft en het redelijkerwijs te vorderen toezicht hebben gehouden om de naleving van het overtreden verbod of voorschrift in of ten aanzien van dat onderdeel te verzekeren.

Art. 54.1. Bij overtreding van:
a. een verbod, gesteld bij of krachtens een der artikelen 11, 12, 13, 14, 16, 17 of 36
b. een voorschrift, gegeven bij of krachtens artikel 7, vierde lid of artikel 46 eerste lid;
c. een krachtens artikel 41 gegeven voorschrift, voor zover de niet-naleving uitdrukkelijk is aangeduid als een strafbaar feit, wordt degene, die voor naleving daarvan aansprakelijk is, gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van ten hoogste tweeduizend gulden.
2. Indien ten tijde van het begaan van een strafbaar feit als bedoeld in het vorige lid nog niet twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens het begaan van een van die strafbare feiten of wegens overtreding van artikel 252 van het Wetboek van Strafrecht onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste acht maanden of geldboete van ten hoogste tienduizend gulden.
3. Behalve de bijkomende straffen, genoemd in artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht, kan als zodanige straf worden opgelegd de gehele of gedeeltelijke stillegging van de onderneming of instelling, waarin het feit is gepleegd, voor een tijd van ten hoogste een jaar.
4. De ondernemer of bestuurder en de bedrijfsleider zijn niet strafbaar, indien zij niet tevens beheerder zijn van dat onderdeel der onderneming of instelling, waarin of ten aanzien waarvan de overtreding werd gepleegd, en zij aantonen, dat zij de nodige bevelen hebben gegeven, de nodige maatregelen hebben genomen, de nodige middelen hebben verschaft en het redelijkerwijs te vorderen toezicht hebben gehouden om de naleving van het overtreden verbod of voorschrift in of ten aanzien van dat onderdeel te verzekeren

Art. 55.1. De in artikel 52, strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
2. De in de artikelen 53 en 54, strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen

Art. 56. Deze wet kan worden aangehaald als: "CANNABISWET".

Art. 57 Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen, dat deze in het staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerile Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten .............