Artikelen - Cannabis

"Van Nederweed en koffieshops"

I. Inleiding.

Het "gedoogbeleid" dat in Nederland sinds 1976 is gevoerd inzake het gebruik van cannabis voor recreatieve doeleinden heeft de volksgezondheid en het openbaar welzijn positief beïnvloed, zoals moge blijken uit de stabilisering1 van het aantal gebruikers, het lage aantal problematische verslaafden aan hard drugs en de redelijke mate waarin het is gelukt een scheiding der markten te bereiken en in stand te houden. In brede lagen van de bevolking is men op een ontspannen manier tegen cannabis gaan aankijken. Bij jonge gebruikers leidt ontdekking van het gebruik niet meer automatisch tot stigmatisering, marginalisering en/of psychiatrisering, zoals dat in de landen om ons heen en de V.S. nog altijd op grote schaal gebeurt. Bij problematisch gebruik kan iedereen, zelfs uit de laagste sociale lagen, terecht bij een divers en gemakkelijk toegankelijk behandelaanbod.

II. Productie, groothandel en nederweed.

Alvorens tot behandeling van de cannabis-verstrekkende horeca over te gaan dient hier enige aandacht gegeven te worden aan de productie en groothandel in cannabisproducten.
Daar waar door middel van toepassing van strafrechtelijke richtlijnen van een de facto legalisatie van de kleinhandel in cannabisproducten gesproken kan worden is er geen sprake van dergelijke richtlijnen voor aanvoer of productie.
Het mag als bekend worden voorondersteld dat de invoer d.m.v. smokkel en de groothandel in cannabisproducten voor een aanzienlijk deel in handen zijn van de georganiseerde criminaliteit, daar waar dit blijkens de laatste CRI rapportage ten aanzien van de productie van nederweed ( nederlandse marihuana ) nog niet het geval is. Er zijn diverse argumenten aan te geven voor een zekere bescherming van deze activiteit en een dergelijk beleid is dan ook te prefereren boven een louter repressieve benadering die er slechts toe zou leiden dat ook deze bedrijvigheid in handen van de georganiseerde criminaliteit valt.

1. De Nederlandse cannabis-markt wordt voor een aanzienlijk deel voorzien door de productie van "Nederweed".
2. Er vindt hoegenaamd geen export van Nederlandse hennepproducten plaats behalve zaden, klonen, lampen etc.
3. De prijs van Nederlandse marihuana is in het buitenland domweg niet concurrerend t.o.v. bijvoorbeeld marokaanse hash of ghanese marihuana.
4. De georganiseerde misdaad smokkelt liever hash vanwege geur, omvang, handzaamheid en winstmogelijkheden en op buitenlandse cannabis-markten wordt dan ook geen Nederweed aangeboden. De consument in bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland is overigens meer bekend met hashish.
5. Indien wij "gedoogde" producenten van Nederweed slechts toestaan hun product te leveren aan "gedoogde" verkooppunten en verplichten tot het bijhouden van exacte bescheiden t.a.v. geproduceerd, geleverd en aanwezig product lijkt het gevaar van export tot op grote hoogte te bezweren.
6. Bij diverse officieren van justitie en politiekorpsen is nu reeds, vanwege het al dan niet strafrechtelijk optreden, een gedegen kennis over al dan niet "bonafide" kwekers voorhanden en het lijkt dan ook verstandig om langs deze weg te komen tot een aantal "gedoogde" kwekers, die dan bijvoorbeeld bij wijze van wetenschappelijk experiment gecontroleerd kunnen worden op productiewijze en gezondheidsaspecten.
7. Door een "gedoogde" productie van cannabis in Nederland kan een verdere decriminalisatie van de cannabismarkt in Nederland plaats hebben.
Het lijkt dan ook wenselijk dat, de richtlijnen met betrekking tot de Opiumwetmiddelen van lijst II (hennepproducten) anders dan het gebruik, als volgt worden gewijzigd en aangevuld.
Het verouderde deel 3 handelend over de verkoop in jongerencentra genaamd:
deel 3; de huisdealer vervangen door een nieuw:

Deel 3. De kleinhandel in hennepprodukten,

bevattende de AHOJ-G-bepalingen en aan te vullen met enige nieuw te formuleren eisen zoals bijvoorbeeld: verbod of strenge eisen aan verkoop cannabisspijzen(spacecake), geen verkoop aan jongeren onder de 16 jaar en bijvoorbeeld een verplichting tot medewerking aan preventie, voorlichting en controle op product.
en aan te vullen met een nieuw:

Deel 4. De kleinschalige productie van cannabis voor recreatieve doeleinden.

Indien het OM of de politie geconfronteerd wordt met kleinschalige productie van cannabis voor recreatieve doeleinden conform nader te formuleren criteria, zal vanwege de maatschappelijke en bestuurlijke aspecten eerst na overleg met het lokale bestuur worden beslist over een eventueel strafrechtelijk ingrijpen. Met de term strafrechtelijk ingrijpen wordt gedoeld op de fase waarin een strafvervolging wordt overwogen, dus in de regel nadat door de politie opsporingshandelingen zijn verricht. Het passende kader voor dit overleg is het driehoeksoverleg en vanwege de bestuurlijke en maatschappelijke aspecten van de productie van cannabis dient deze activiteit dan ook - los van incidenten - regelmatig punt van bespreking te zijn in voornoemd driehoeksoverleg.
concept criteria kleinschalige productie cannabis

  • medewerking aan controle en keuring door Bureau.
  • geen levering anders dan aan de "gedoogde" kleinhandel
  • inzage bescheiden geproduceerd, geleverd en aanwezig product.
  • medewerking aan toezicht door Bureau op productiemethode i.v.m. eventueel te gebruiken bestrijdingsmiddelen, maximum aantal planten en verpakkingseisen.
  • geen overlast, hinder en/of verstoringen v/d openbare orde.
  • productie van max. 10 planten classificeren als voor eigen gebruik.

III. ANALYSE KNELPUNTEN CANNABIS-VERSTREKKENDE HORECA;

Ofschoon de feitelijke overlast en/of verstoringen van de openbare orde gerelateerd aan cannabis-verstrekkende horeca-gelegenheden vergeleken met de "normale" horeca sterk worden overdreven lijkt een betere bestuursrechtelijke benadering van het fenomeen "koffieshop" op zijn plaats.
Hier zijn een aantal redenen voor aan te geven:

1. Getalsmatige beperking

a. Anders dan bij bijvoorbeeld de alcohol-verstrekkende horeca ontbreekt het vaak aan middelen om het verschijnen van steeds maar nieuwe koffieshops tegen te gaan. Gegeven een vrijwel constante vraag naar cannabisproducten kan men dan ook concluderen dat bij een ongebreidelde groei koffieshop-eigenaren zich wellicht voor te verwerven inkomsten tot andere activiteiten dan enkel de kleinhandel in cannabisproducten zullen wenden.

b. Louter door het steeds grotere aantal te controleren gelegenheden wordt deze taak voor de politie ernstig bemoeilijkt, zoniet praktisch onuitvoerbaar, hetgeen in combinatie met het onder a. gestelde tot een ondergraving van ons succesvolle drugsbeleid kan leiden. c. Ook vanuit het oogpunt van beschikbaarheid voor de consument is een verdere toename van het aantal cannabis-verkooppunten nauwelijks te verdedigen

2. Locatie

Anders dan bij de reguliere horeca en vele andere bedrijfstakken ontbreekt het bij gemeenten vaak aan mogelijkheden om bijvoorbeeld d.m.v. het bestemmingsplan locaties aan te wijzen waar men de vestiging van cannabis-verstrekkende horeca al dan niet gewenst acht. Om die reden ziet men dat cannabis-verstrekkende horeca soms op ongewenste locaties ( bijvoorbeeld tegenover scholen of teveel per wijk ) gevestigd is.

3. Scheiding der markten

Het cannabis-beleid in Nederland gezien als hoeksteen van het Nederlandse drugsbeleid verdient een terdege ondersteuning gezien de cijfers t.a.v. de instroom van nieuwe hard-drugsverslaafden en het totaal aantal cannabisgebruikers in vergelijking met het buitenland. Het moet dan ook voorkomen worden dat koffieshops of andere horeca, maar zeker de cannabis-verstrekkende horeca zich met de handel in andere drugs inlaat zodat geen vermenging van markten zal optreden en cannabisgebruikers niet in koffieshops met andere drugs in aanraking komen.

4. Preventie en voorlichting

Het cannabis-beleid in Nederland heeft behoefte aan betere preventie en voorlichting ten aanzien van bijvoorbeeld:

  • hoog-frequent cannabisgebruik
  • problematisch cannabisgebruik
  • risicogroepen
  • andere legale en illegale genotmiddelen
  • verslaving

Mede gezien het gebruik onder bijvoorbeeld randgroepjongeren is er behoefte aan deze activiteiten op gebruikersniveau. Deze worden vaak langs de bestaande wegen ( ouders, lesprogramma's op school, hulpverlening etc.) niet of slecht bereikt.
Het lijkt dan ook wenselijk dat medewerking aan deze activiteiten van de eigenaren/beheerders van cannabis-verstrekkende horeca wordt verkregen dan wel afgedwongen.

5. Gelijkheidsbeginsel

Het wordt door reguliere horeca-ondernemers als onrechtvaardig beschouwd dat zij aan allerlei regels en eisen moeten voldoen terwijl deze in het geheel niet gelden voor de cannabis-verstrekkende horeca. Mede gezien de ongelijke behandeling van beide groepen door de fiscus levert dit een algemeen gevoel van onrechtvaardigheid op.

6. Betere controle

Bij de politie en andere instanties bestaat een grote behoefte aan bijvoorbeeld een checklist en andere middelen om tot een adequate controle van de diverse horeca-gelegenheden te kunnen komen. Voorts ontbreekt het in het geheel aan enigerlei kwaliteitscontrole op cannabisprodukten en is de samenstelling en kwaliteit voor de consument niet of slecht kenbaar. Dit in tegenstelling tot andere genotmiddelen. Gezien het grote aantal consumenten is een dergelijke situatie niet wenselijk.

7. Eisen aan eigenaren, personeel, inrichting e.d.

Het is wenselijk dat er aan eigenaren, beheerders, personeel en inrichting van cannabis-verstrekkende horeca-gelegenheden soortgelijke eisen worden gesteld als ook voor de alcohol-verstrekkende horeca gelden.

8. Inventarisatie

Het ontbreekt veelal aan enigerlei inventarisatie ten aanzien van genoemde gelegenheden. Vragen als; wat is een koffieshop?, wat is een koffiehuis?, welke zaken verkopen cannabisprodukten?, welke zijn "bonafide"? etc. blijven onbeantwoord.

IV. STRATEGIE

De kleinhandel in cannabisproducten (de zogenaamde koffieshops) dient en kan via deels bestuurs-, deels strafrechtelijke wegen tegemoet worden getreden daar een de jure legalisatie politiek op korte termijn niet tot de mogelijkheden behoort.
Men moet hier denken aan enerzijds het Besluit Horeca Hindewet, de Gemeentelijke Horecaverordening, Algemene Politieverordening en bestemmingsplannen en anderzijds via aanpassing van de richtlijnen voor vervolging van Opiumwetdelicten ( zie V Middelen). Langs deze weg kan tot een betere allocatie en getalsmatige beperking van koffieshops worden gekomen en kan tegelijkertijd de scheiding der markten in soft- en harddrugs worden ondersteund. Gestreefd moet worden naar een geleidelijke vervanging van verkoop van buitenlands (illegaal) product door nederlands (gecontroleerd en gekeurd) product en een verdergaande ontrekking aan de criminaliteit van de cannabismarkt.
In de toekomst (langere termijn) valt dan wellicht te denken aan een vergunningenstelsel waarin zowel de productie als de verstrekking van softdrugs geregeld zullen zijn (de jure legalisatie).
Dit afhankelijk van ook in het buitenland veranderende inzichten.

V MIDDELEN

1. Onderzoek

Mede gezien III onder 8 zijn er diverse initiatieven ondernomen om tot een betere inventarisatie te komen zoals;

  • in diverse gemeenten zijn werkgroepen gevormd die zich specifiek met voormelde problematiek bezighouden
  • landelijk onderzoek cannabisbeleid door Rijksuniversiteit Utrecht ( sociale wetenschappen en rechten) in samenwerking met het Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs

Langs deze weg worden enerzijds checklists ontwikkeld waarmee de politie, gemeentebestuur en organen de cannabisverstrekkende horeca evenals de reguliere horeca tegemoet kunnen treden ( zie ontwikkeling checklist alcoholverstrekkende horeca door STIVA in samenwerking met NIAD, politie, justitie, bedrijfschap horeca etc.)
Anderzijds wordt tot een landelijke inventarisatie gekomen van de cannabis-verstrekkende horeca zodat een onderscheid gemaakt kan worden tussen bijvoorbeeld:

  • koffiehuizen ( geen cannabis )
  • koffieshops ( wel cannabis )
  • cannabisverstrekkende vergunningbedrijven
  • andere cannabis-verstrekkende gelegenheden

2. bestuursrechtelijke middelen

a. instrumenten die de vestiging tegengaan dan wel beperken:

  • bestemmingsplannen
  • leefmilieuverordening horeca
  • Drank en Horecaverordening

Gezien het Besluit Horecabedrijven Hinderwet van 1.12.1992 is er een hinderwetplicht ontstaan voor alle horecaondernemingen.
Mede gelet op eventuele bestemminsplannen en leefmilieuverordeningen is het dan ook aanzienlijk eenvoudiger geworden om tot een getalsmatige beperking te komen dan wel de vestiging in het geheel te voorkomen
Er is door invoering van een Drank en Horecaverordening een verlof nodig voor het verstrekken van alcoholvrije dranken met identieke eisen aan de inrichting, beheerder etc. als ook voor vergunningbedrijven gelden

b. instrumenten die de exploitatie trachten te reguleren

  • Algemene Plaatselijke Verordening
  • sluitingstijden, sluiting bij harddrugs etc.
  • Drank- en Horecawet
  • Drank- en Horecaverordening
  • intrekking verlof bij gevaar voor openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en handelen in strijd met verlofvoorwaarden (zoals handel in harddrugs en/of andere regels uit richtlijnen gedoogbeleid)
  • Gemeentewet o.a. art.221 sluiting bij ernstige verstoring openbare orde of veiligheid
  • exploitatievergunning bredere juridische basis voor bevriezing aantal koffieshops

Hier moet vermeld worden dat het meest ideale beleid t.a.v. de cannabisverstrekking gevoerd zou kunnen worden d.m.v. directe regulering ( vergunningstelsel koffieshops, niet te verwarren met verlofstelsel alcoholvrije horecainrichtingen ). Dit zou een preventief vestigingsbeleid mogelijk maken door toetsing van een aanvrage aan het beleid. 5

3. strafrechtelijke middelen

zie richtlijnen voor het vervolgingsbeleid opiumwetsdelicten eventueel uit te breiden met nadere eisen zoals

  • verbod of nadere regels verkoop cannabisspijzen
  • geen verkoop onder 16 jaar
  • maximum hoeveelheid aanwezig te hebben cannabis
  • maximum hoeveelheid te verkopen cannabis per klant

4. procedures

4.1. Bij constatering van handel in hard-drugs in een koffieshop:

a. exploitant schriftelijk kenbaar maken dat verlof/vergunning zal worden ingetrokken en dat inrichting voor bepaalde tijd zal worden gesloten;

b. exploitant horen en

c. indien geen grond bestaat om een andere beslissing te nemen intrekken van het verlof of vergunning en inrichting voor onbepaalde tijd sluiten.

4.2. Handel in cannabis:

Bij verkoop aan jeugd jonger dan 16 jaar of geconstateerd gebruik van cannabis in de inrichting door jeugd jonger dan 16 jaar, affichering, het aanwezig hebben van cannabis anders dan geschikt voor direct gebruik en/of het aanwezig hebben van bijv. meer dan 300 gram cannabis;

a. waarschuwen exploitant;

b. bij continuering exploitant schriftelijk kenbaar maken dat verlof/vergunning zal worden ingetrokken en, in geval van herhaling, aangeven dat inrichting voor bepaalde tijd zal worden gesloten;

c. exploitant horen;

indien geen grond bestaat een andere beslissing te nemen, intrekken van het verlof of vergunning en, in geval van herhaling door nieuwe exploitant, inrichting voor bepaalde tijd sluiten;

Wanneer tevens sprake is van heling of andere criminele/illegale activiteiten;

a. exploitant schriftelijk kenbaar maken dat verlof/vergunning zal worden ingetrokken en dat inrichting voor bepaalde tijd zal worden gesloten;

b. exploitant horen en

c. indien geen grond bestaat om een andere beslissing te nemen intrekken van het verlof of vergunning en inrichting sluiten voor bepaalde tijd;

Bij handel in verdovende middelen waardoor het bevroren aantal koffieshops wordt overschreden;

a. exploitant schriftelijk kenbaar maken dat inrichting voor bepaalde tijd wordt gesloten;

b. horen exploitant;

c. indien geen grond bestaat een andere beslissing te nemen inrichting sluiten voor bepaalde tijd.

4.3. Herhaalde afwezigheid van de op het verlof c.q. de vergunning vermelde beheerder;

a. waarschuwen exploitant;

b. bij continuering exploitant kenbaar maken dat verlof/vergunning zal worden ingetrokken;

c. exploitant horen;

d. indien geen grond bestaat een andere beslissing te nemen intrekken van het verlof/vergunning en, in geval van herhaling door nieuwe exploitant, inrichting voor bepaalde tijd sluiten.

4.4. Bij bedrijfsmatige verkoop van alcoholhoudende dranken in een verlofinrichting;

a. waarschuwen exploitant;

b. bij continuering exploitant schriftelijk kenbaar maken dat verlof/vergunning zal worden ingetrokken en, in geval van herhaling, aangeven dat inrichting voor bepaalde tijd zal worden gesloten;

c. exploitant horen;

d. indien geen grond bestaat een andere beslissing te nemen, intrekken van het verlof of vergunning en, in het geval van herhaling door nieuwe exploitant, inrichting voor bepaalde tijd sluiten.

4.5. Overlast

Geluidsoverlast vanuit de inrichting;

a. door exploitant akoestische rapportage laten overleggen;

b. op grond van rapportage opdragen geluidsbeperkende maatregelen te treffen;

c. bij niet overleggen van de akoestische rapportage of het niet of niet volledig uitvoeren van de geluidsbeperkende maatregelen exploitant waarschuwen dat muziekvergunning kan worden ingetrokken;

d. bij continuering exploitant schriftelijk kenbaar maken dat verlof/vergunning zal worden ingetrokken;

e. exploitant horen;

f. indien geen grond bestaat een andere beslissing te nemen, intrekken van het verlof of vergunning en

in geval van herhaling door nieuwe exploitant, afhankelijk van de mate van overlast en het moment/de duur van de overlastvoor de inrichting voor bepaalde tijd andere sluitings- tijden vaststellen danwel de inrichting voor bepaalde tijd sluiten

Overlast door luidruchtige bezoekers (zowel in de inrichting als direct daarbuiten), voor zover dit leidt tot verstoring van de openbare orde, veiligheid, aantasting van de woon- en leefsituatie c.a.:

a. exploitant waarschuwen;

b. bij continuering afhankelijk van de mate van overlast en het het moment/de duur van de overlast exploitant schriftelijk kenbaar maken dat voor de inrichting andere sluitingstijden zullen worden vastgesteld of, in extreme gevallen dat het verlof danwel de vergunning zal worden ingetrokken;

c. horen exploitant;

d. indien geen grond bestaat een andere beslissing te nemen andere sluitingstijden voor bepaalde duur vaststellen danwel verlof of vergunning intrekken en

in geval van herhaling door dezelfde exploitant danwel een nieuwe exploitant sluiting van de inrichting voor bepaalde tijd.

Naast de administratieve procedures moet getracht worden om in overleg met de exploitant tot een aanvaardbare oplossing te komen. Zeker in geval van overlast blijft de overlast vaak niet tot een enkele vorm van overlast beperkt en is een totale aanpak op basis van overleg vaak de beste methode

Laat ik afsluiten met te stellen dat het huidige Nederlandse cannabisbeleid er toe heeft geleid dat Nederland het enige land is waar het is gelukt om het gebruik van een voorheen illegale stof te normaliseren en dat het zowel vanuit het oogpunt van volksgezondheid als van criminaliteitspreventie gewenst is dat deze situatie behouden blijft en ondersteund wordt door een verstandige bestuurlijke benadering. Dit temeer daar zich recentelijk in het buitenland een begin van navolging van de Nederlandse benadering begint af te tekenen.

Ik kan dan verwijzen naar de Bondsrepubliek met bijvoorbeeld initiatieven om tot een gedoogbeleid te komen in Sleeswijk-Holstein en andere Länder2 - d.m.v van vervanging van het legaliteitsbeginsel door het opportuniteitsbeginsel3 voor sommige drugsdelicten -, maar ook naar recente uitlatingen van de Franse minister van Binnenlandse Zaken Pasqua4 waarin hij o.a. oproept tot een debat over depenalisatie van "les drogues douces" in het Franse parlement. Meer in het algemeen kan geconcludeerd worden dat zich in de meeste lidstaten van de E.G. een iets mildere houding jegens softdrugs op gebruikersniveau begint af te tekenen en men met steeds meer respect kijkt naar de Nederlandse aanpak.

noten bij "Van Nederweed en koffieshops"

1. Ondanks recente cijfers die een stijging te zien geven - Kerngegevens Peilstations-onderzoek naar riskant middelengebruik onder scholieren vanaf 10 jaar, NIAD juli 1993 - kan men toch op langere termijn van een vrij stabiel aantal spreken.

2. Hessen. Hier dienen ook de diverse initiatieven vanuit de Frankfurter Resolution - European Cities for a New Drug Policy - en de gerechtelijke uitspraken van o.a. rechter Nescovic - Het recht op roes, Mario Lap, TADP 1992, genoemd te worden alsmede de diverse voorstellen van de SPD bondsdag-fractie.

3. Opportuniteits-beginsel of -principe: geen vervolgingsplicht voor het O.M. Het O.M. kan van vervolging afzien 'op gronden aan het algemeen belang ontleend'. Legaliteits-beginsel of principe: wel vervolgingsplicht voor het O.M. tenzij vervolging kansloos is.

4. Drogue: ouvrons le débat, door Charles Pasqua, Le Figaro, zondag 27 juni 1993

©1993 Mario Lap

beleidsmedewerker
Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs Utrecht