Het misbruik van drugs in het politieke debat

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 
Artikelen - Drugsbeleid

Trimboslezing
Uitgesproken door Hedy d'Ancona
21 januari 1999.

Een eer en een plezier is het, om de jaarlijkse lezing ter nagedachtenis aan de door mij zeer bewonderde Trimbos te mogen houden. Ik hoop dit op een passende manier te doen.

In deze lezing wil ik de onbewuste en bewuste manipulatie op het beleids-gebied van drugs aan de kaak stellen door mijn persoonlijke ervaringen te ver-halen als praktiserend politicus op het terrein van drugs en drugsbeleid, ge-bruik makend van de resultaten van onderzoek.

In mijn opvatting is er een ongewenste kloof ontstaan tussen wet en wer-kelijkheid en moet er steeds meer geinvesteerd worden in wetshandhaving en bestrijding van de georganiseerde criminaliteit zonder dat hier indrukwekken-de resultaten tegenover staan. Bovendien, als het al zou lukken om op planta-ges de drugs te vervangen door andere gewassen, wordt dit succes teniet wor-den gedaan door de productie van zogenoemde designer-drugs, niet alleen in het westen, maar ook in Oost-Europa.

Echter, het ligt niet in de lijn der verwachtingen dat politici op korte ter-mijn hun boodschap zullen veranderen en legalisering of decriminalisering van drugs zullen bepleiten. Als er al een verandering komt, dan loopt deze langs de lijn van risicovermindering of harm reduction. Uit mijn betoog blijkt dat ik zelf een dergelijke verandering toejuich.

Resolutie 1986

In 1985 formeerde het Europees parlement een speciale commissie om het drugsprobleem in de lidstaten van de Gemeenschap te onderzoeken. Op grond van dit onderzoek binnen de Europese Gemeenschap zouden aanbevelingen geformuleerd worden voor een geharmoniseerde aanpak.

De Engelse conservatief Sir Jack Stewart Clark werd benoemd tot rappor-teur. Als enig Nederlands lid van de commissie had ik het niet eenvoudig. Ook toen al had Nederland de naam dat het drugsbeleid gelegaliseerd was. Hier mocht en kon alles wat elders streng verboden was. Het was in feite onbegon-nen werk om de uitgangspunten van ons beleid duidelijk te maken. Daarom nodigde ik de rapporteur uit voor een driedaags bezoek aan Nederland. We bezochten afdelingen verslavingszorg van enkele grootstedelijke GGD-en, een Amsterdamse methadonbus en een aantal coffeeshops. Sir Jack zag zeker en-kele positieve kanten in de Nederlandse aanpak, maar in de uiteindelijke rap-portage was hier weinig van terug te vinden. De meerderheid van de onder-zoekscommissie amendeerde het verslag zodanig dat het min of meer een pleidooi werd voor een repressieve aanpak naar Amerikaans voorbeeld. Als reactie hierop formuleerden de vertegenwoordigers van de linkse fracties een minderheidsrapport waarin werd gepleit voor normalisering van de politieke reactie op drugs. Dit zou zich onder meer moeten uiten in het justitiële on-derscheid tussen soft- en harddrugs, de toepassing van methadon voor de be-handeling van gebruikers van harddrugs en het beschikbaar stellen van steriele injectiespuiten voor intraveneuze drugsgebruikers.1

In de resolutie, die in oktober 1986 aan de plenaire vergadering werd voor-gelegd, werd geprobeerd vooral de gedeelde visie op de aanpak van het drugs-probleem te benadrukken. Vandaar dat een grote meerderheid van het Euro-pese Parlement zich op 6 oktober 1986 kon uitspreken voor het volgende.

•    Het opstellen van programma's voor zogenoemde crop substitution in drugsproducerende landen en het meewerken aan activiteiten op dit gebied van het drugsbestrijdingsfonds van de Verenigde Naties;
•    een intensievere samenwerking tussen politie en douane van de lidstaten;
•    het confisqueren van winsten uit de illegale internationale drughandel;
•    het streven naar gelijkschakeling van de juridische reactie op drugs in de lidstaten;
•    het gebruiken van het Europees Sociaal Fonds voor het creëren van moge-lijkheden voor ex-verslaafden op de arbeidsmarkt, om hun resocialisatie te simuleren;
•    het voeren van een fundamentele discussie over legalisering van drugs en over de gevolgen van het maken van onderscheid tussen soft- en harddrugs;
•    het uitvoeren van internationaal vergelijkend onderzoek naar de effecten van verschillende typen beleid voor de bestrijding van drugsproblemen;
•    het oprichten van een Europees documentatiecentrum voor de uitwisseling van de resultaten van dergelijk onderzoek.

Dat zich achter de drie laatste actiepunten een meerderheid kon scharen kwam ongetwijfeld doordat zowel de voor- als de tegenstanders van een libe-ralere drugsproblematiek geloofden in de uitkomsten van onderzoek om hun gelijk te halen.2

Aanpak na 1986

In de tussenliggende jaren is er zeker het een en ander veranderd. De verstrek-king van methadon is in bijna alle lidstaten geaccepteerd. In mindere mate geldt dit ook voor het verstreld(en van steriele naalden. In Lissabon werd een Europees drugsobservatorium opgericht dat zich onder andere bezig ging houden met vergelijkend onderzoek. Ook op het gebied van politieke en justi-tiele samenwerking is enige vooruitgang geboekt. De gelden bestemd voor substitutieprogramma's zijn zo gering, dat er in feite geen sprake is van een serieuze aanpak. Evenmin is er in het parlement ooit fundamenteel gediscussi-eerd over het legaliseren van alle drugs.

Wel bestaat er sinds het Verdrag van Maastricht een parlementaire com-missie die zich bezighoudt met zogenoemde derde-pijler-aangelegenheden. Hieronder vallen zaken die te maken hebben met de grensoverschrijdende aspecten van Justifie en Binnenlandse Zaken: de bestrijding van georganiseer-de criminaliteit, het vrije verkeer van personen, asiel en migratie, de bestrij-ding van racisme en vreemdelingenhaat, samenwerking tussen politie en justi-tie, en ook de strijd tegen drugs. In deze commissie werd onder andere een resolutie voorbereid, waarbij het Actieprogramma Drugs 1994-1999 werd be-commentarieerd.

In deze resolutie, wederom van Sir Jack Stewart Clark, werd toegegeven dat de strijd tegen drugs via repressie alleen ons verder van de juiste weg heeft afgebracht. Deze constatering, hoe juist ook, leidde echter niet tot voorstellen voor normalisering of liberalisering. Er bestond wel meer aandacht voor de verslaafden zelf in de vorm van behandeling en resocialisatie, naast alleen straf. Er was ook meer aandacht voor het reduceren van de vraag naar drugs door preventie. De bepleite samenwerking tussen lidstaten ging echter slechts over het aanpakken van de handel; het beleid voor de consumptie van drugs bleef een nationale aangelegenheid.

Dit alles betekende dat Nederland door de jaren heen het eigenzinnig drugsbeleid kon continueren. Een beleid dat door sommigen van mijn col-lega's met afgunst en door anderen met afschuw werd bezien. Deze aversie deerde ons lange tijd niet of nauwelijks. Toen echter het vrije personenverkeer via open grenzen vaste vormen kreeg door het Verdrag van Schengen, ont-stonden er problemen.

Franse reactie

Het Nederlandse beleid zou Franse jongeren tot verslaafden maken; coffee-shops zouden drugstoerisme in de hand werken; en een verschillende aanpak zou tot chaotische situaties in grensgebieden leiden. Vooral Frankrijk achtte de Nederlandse opstelling onhoudbaar. De Nederlanders zouden hun beleid moeten herzien op straffe van de opschorting van het Schengenverdrag. In dit laatste geval zouden grenscontroles weer ingesteld worden. De Franse presi-dent zelf liet geen gelegenheid voorbij gaan om Nederlandse bewindslieden te kapittelen.

Maar Nederland volhardde. Op grond van cijfers konden wij immers aan-tonen dat uit het oogpunt van volksgezondheid ons drugsbeleid redelijk suc-cesvol was. In vergelijking met Frankrijk hadden wij naar verhouding niet al-leen minder harddrugsverslaafden, maar ook minder Hiv-geinfecteerden en minder Ains-doden. De persoonlijk door Chirac aangestelde drugsonderzoe-ker mocht dan wel aantonen dat cannabis zeer gevaarlijk was voor muizen-hersenen, toonaangevende medische tijdschriften als The Lancet en het tijd-schrift van de KNMG, Medisch Contact, publiceerden hoofdredactionele artike-len waarin cannabis voor mensen niet erg schadelijk werd bevonden.
Dit alles mocht aanvankelijk niet baten. Een groep Europese justitieambte-naren die de agenda voorbereiden op het terrein van Justitie en Binnenlandse Zaken, bleek al ver gevorderd met een Raadsbesluit waarin gepleit werd voor harmonisering van het drugsbeleid in de Unie. Omdat ik dit in Brussel hoor-de, kon ik nog maar net op tijd de Haagse tweede-kamercollega's alarmeren die vervolgens minister Sorgdrager op het matje riepen. Zij kreeg toen de wei-nig benijdenswaardige taak om in Brussel als spelbreker te fungeren.
Dit was spijtig voor haar Franse collega, maar nog teleurstellender voor de Zweedse minister. Het was overigens maar de vraag of Fransen daar wakker van lagen; over de richting van het drugsbeleid bestonden daar in Frankrijk immers zeer uiteenliggende opvattingen. Naast president Chirac was er bij-voorbeeld het Europarlementslid Bernard Kouchner, de oprichter van Artsen zonder Grenzen. Hij bepleitte volledige legalisering van alle drugs.

Zweedse reactie

Van een verdeelde opvatting was in Zweden echter absoluut geen sprake. In Zweden staat een ook maar enigszins tolerante houding tegenover drugs gelijk aan politieke zelfmoord. Alle partijen, van links tot rechts, huldigen hetzelfde standpunt van zero tolerance. De entree van Zweden tot de Europese Unie heeft het drugsdebat in het parlement dan ook verhard en gepolariseerd.

Ik kreeg hier mee te maken toen ik voor de socialistische fractie rapporteur was voor het formuleren van een standpunt over een voorstel om drugs te legaliseren. Dit voorstel was ondertekend door zestig parlementariers, waar- onder genoemde Kouchner. Ik formuleerde een aantal aanbevelingen, die weliswaar niet zo ver gingen als het voorstel, maar die wel de discussie over drugs wilden normaliseren, het beleid reguleren en de repressie minimali-seren. Daartoe moest er een onderscheid gemaakt worden tussen hard- en softdrugs, waarbij werd aanbevolen het beleid voor softdrugs te decriminali-seren en harddrugs op doktersvoorschrift aan hopeloos verslaafden te ver-strekken. Daarnaast werd gepleit voor aanpassing van de nationale drugswet-gevingen aan de praktijk, zodat gedogen tot het verleden zou gaan behoren. Als laatste werd aangedrongen op evaluatie van de relevante vN-verdragen om deze te herzien, indien gewenst.'

Tegen de tijd dat er over dit werkstuk moest worden gestemd, had de commotie onder de tegenstanders lachwelckende vormen aangenomen. Zweedse kranten bestookten hun lezers met een overdosis aan onrustbarende berichtgeving. De parlementariërs die mijn voorstel steunden werden onder de kop De Europese drugsmaffia met foto en al op de voorpagina van de belang-rijkste krant afgedrukt.

De tegenstanders van de Zweedse toetreding tot de Unie haalden alsnog hun gelijk binnen. Hier werd immers het eerste bewijs gepresenteerd dat Zwe-den in de Europese beerput terecht was gekomen. Zweedse niet-gouver-nementele organisaties tegen drugsgebruik belobbyden het Parlement met brieven, posters en ook via het persoonlijk gesprek. In de Brusselse gangen waren dagelijks representanten van minstens drie van deze groeperingen aan-wezig.

Voor het eindresultaat zou de tegenstem van alle Zweedse afgevaardigden natuurlijk niet veel te betekenen hebben. Maar zij vonden praktisch de gehele Christen-democratische fractie aan hun zijde, en alles rechts daarvan en een deel van de liberale fractie. Toen bovendien bleek dat mijn Britse Labour-collega's de instructie van hun Horne Office om tegen te stemmen, gehoorzaam zouden opvolgen, was het pleit beslist. De voorstanders van het stuk steunden mijn verzoek om de aanbevelingen niet in stemming te brengen, maar terug te verwijzen naar de bevoegde parlementaire commissie zodat het nog eens goed bestudeerd kon worden.

Discrepantie tussen wet en werkelijkheid

Ik ga uitgebreid in op deze commotie, omdat ik hierdoor aan den lijve werd geconfronteerd met de bijna religieuze drift die politici bevangt als het over dit onderwerp gaat. Cijfers, resultaten van wetenschappelijk onderzoek, het oor-deel van praktijkdeskundigen, en zelfs de realiteit — dit alles verzinkt in het niet bij emoties en vooringenomenheden. Daarnaast wordt de angst en on-kunde bij het grote publiek door politici misbruikt vanuit electorale overwe-gingen. Ik illustreer dit aan de hand van de meest omstreden aanbevelingen.

Om te beginnen is er een discrepantie tussen wet en werkelijkheid in prak-tisch alle lidstaten van de Europese Unie. Uit onderzoek onder leiding van de Belgische hoogleraar De Ruyver blijkt dat niet alleen in Nederland maar ook in veel andere landen openlijk of stilzwijgend een onderscheid wordt gemaakt tussen hard- en softdrugs en tussen gebruikers en handelaren. Hierdoor wor-den gebruikers van softdrugs nog maar zelden strafrechtelijk vervolgd. In veel gevallen geldt hetzelfde voor gebruikers van harddrugs. Gedoogbeleid is dus niet een typisch Nederlandse aangelegenheid.4 Het enige typisch Nederlandse eraan is, dat het openbaar is en dat er voor softdrugs specifieke verkooppun-ten zijn.

Een vergelijking van het drugsbeleid in Frankfurt, Giitenborg, Lyon, Mo-dena, Rotterdam en het Kanton Wallis liet zien dat er in de Europese praktijk drie modellen zijn te onderscheiden. Het eerste is het harm reduction model. Hierin wordt als onvermijdelijk aanvaard dat drugs gebruikt worden; het be-leid streeft alleen beperking van de risico's voor de gebruiker na. Dit model wordt gevolgd in Frankfurt en Rotterdam. In de tweede plaats is er het thera-peutisch model, waarin de nadruk ligt op de behandelbaarheid van verslaving en op de noodzaak van behandeling van alle verslaafden. Deze benadering is dominant in Modena en Lyon. Het derde is het controlemodel, dat uitgaat van prohibitie en repressie. Dit wordt het sterkst gevolgd in Gbteborg en het Kanton Wallis.

Echter, bovengepresenteerde indeling is niet absoluut. In de praktijk wordt pergens een zuiver prohibitief en repressief beleid gevonden, nergens een blind geloof in therapie, en nergens een onvoorwaardelijk gedogen, laat staan legalisering.s

Het accepteren van dit soort genuanceerde gegevens blijkt voor zeer veel politici onmogelijk. Er mag niets worden gedoogd. Als zij deze werkelijkheid al onder ogen zien, dan vloeit er de eis uit voort dat alsnog de werkelfilcheid moet worden aangepast aan de wetgeving.Dit was dan ook de boodschap van de Britse minister van Binnenlandse Zaken, Jack Straw. Hij sprak onze com-missie toe in de periode dat zijn land voorzitter was van de Europese Unie. Dat hij niet helemaal loze woorden sprak, bleek niet alleen uit de instructie die mijn Engelse Labour-collega's kregen voor hun stemgedrag, maar ook uit het feit dat de minister zijn eigen zoon verplichtte zich bij de politie aan te geven nadat deze — om de tuin geleid — een joint verkocht had aan een verslaggeef-ster.

Dit alles wijst op een grote kloof tussen politieke en maatschappelijke wer-kelijkheid. Nu ik het toch over de Britten heb, een ander voorbeeld van deze kloof was de grote weerstand die een andere aanbeveling uit bovengenoemd stuk van een deel van het Europees Parlement bij hen opriep, namelijk ver-strekking van harddrugs op medisch voorschrift. Dit verzet is moeilijk te rijmen met de realiteit in het Verenigd Koninkrijk, waar dergelijke verstrekking al lang en nog steeds gebeurt.

Ciffers

Het Europees waarnemingscentrum voor drugs in Lissabon, het European Monitoring Centre for Drugs ans Drugs Abuse, EMCDDA, publiceert jaarlijks een overzicht, waaruit geleidelijk effecten van verschillend beleid zichtbaar worden.° Nederland blijkt vrij positief te scoren als het gaat om de percentages hard-drugsverslaafden, Hiv-geinfecteerden, Ams-patiënten en overige drugsge-relateerde sterfgevallen. Deze uitkomsten werden door de Zweden echter niet voor mogelijk gehouden. Vandaar een opdracht aan de afdeling Onderzoek en Documentatie van het Europese Parlement om het nog eens uit te zoeken.7

Uit het verslag komt naar voren dat vergelijking van cijfers tussen leden een hachelijke onderneming is, omdat gehanteerde kernbegrippen niet dezelfde betekenis hebben. Aileen al het begrip drugsverslaafde wil in Nederland iets anders zeggen dan in Zweden. In Nederland wordt namelijk gesproken van soft- en harddrugs, en van gebruik en misbruik, omdat vanuit diverse discipli; nes aannemelijk kan worden gemaakt dat het gerechtvaardigd is een onder-scheid te maken tussen drugs met een beperkt, en drugs met een onaanvaard-baar risico. Dit is in Zweden niet aan de orde: elk gebruik is misbruik en elk frequent gebruik is verslaving. Daarnaast zijn er in beide landen verschillen in opzet van statistieken als het gaat om indeling in bevolkingscategorieën.

En tot slot is het ook niet goed mogelijk om sterfgevallen onder drugsver-slaafden tussen beide landen te vergelijken. Het is in Nederland al niet een-voudig om goede sterftecijfers te krijgen (de cBs-cijfers sporen bijvoorbeeld niet met gegevens uit de grote steden), laat staan dat internationale vergelij-king mogelijk is.

Als het Lissabons observatorium wil voldoen aan zijn belangrijkste op-dracht, het vergelijken van de effecten van verschillend beleid, dan is van het grootste belang om vergelijkbaarheid mogelijk te maken door uniform toe te passen indicatoren. De laatste berichten zijn dat deze indicatoren eraan ko-men. Of de feiten dan wel acceptabel zijn, is overigens de vraag. Ook waar vergelijking tot dusver mogelijk was, geloofden de tegenstanders van het Ne-derlands beleid niet in voor dit beleid gunstige resultaten.

Ongeloof was en is ook het lot van praktijkdeskundigen. Zo werd de be-treffende Europese parlementaire commissie toegesproken door drie hoofd-commissarissen van politie van drie grote Duitse steden, waaronder Frankfurt. Decriminalisering van drugs was volgens hen de enige oplossing om het pro-bleem beheersbaar te houden. Maar een dergelijk oordeel uit de mond van degenen die geacht worden de wet te handhaven, zaait verwarring onder hen die nu juist geloven in repressie. Het overtuigt hen niet.

Dit geldt ook voor het onderdeel dwangbehandeling van verslaafden. Alleen hulpverleners uit Zweden propageren deze aanpak nog; de meeste praktijk-mensen van elders zetten vraagtekens bij de effectiviteit van dit soort behan-delingen. Maar voor veel politici, ook in Nederland, lijkt het belangrijk om zich niet wars te tonen van paardenmiddelen. De criminaliteit wegens drugs-verslaving moet worden teruggedrongen, daar vraagt het grote publiek om. Ditzelfde publiek is er kennelijk makkelijker van te overtuigen dat de verslaaf-den moeten worden opgeborgen, dan dat men de handel via decriminalisering van haar profijt moet beroven. Dus worden de ogen gesloten voor vragen als: is het bestrijden van criminaliteit wel conflictloos te verenigen met de hulp-verlening; of: is het te verdedigen dat nieuwe behandelmethoden in de ge-zondheidszorg of het gevangeniswezen worden ingevoerd voordat ze op hun effectiviteit getoetst zijn?

De Stichting Drugsbeleid, een privaat platform voor discussie en menings-vorming, keert zich in ons land tegen strafrechtelijke opvang van verslaafden, op grond van de volgende argumenten. Met strafrechtelijke dwang wordt sys-tematische discriminatie van drugsverslaafden aan verboden roesmiddelen in de wet opgenomen, terwijI andere verslaafden als alcoholisten vrij uit gaan (hier is Zweden overigens consequenter: dwangbehandeling geldt daar ook voor alcoholverslaafden). De selectie op grond waarvan middelen verboden moeten worden, berust op achterhaalde ideeën en niet op wetenschappelijke criteria. Bovendien geven voorstanders een te rooskleurig beeld van de uit-komsten van onderzoek op dat vlak. De Stichting vindt het verstandiger om Ten alternatief drugsbeleid te maken dat de problemen aanpakt langs andere, effectievere wegen dan repressie.

Zelfs in Nederland, waar men denkt en droomt in kosten-batenanalyses, houdt het denken op als het om de repressieve aanpak van drugs gaat. Het-zelfde geldt voor Europa. Repressieve maatregelen hebben niet geleid tot be-sparing of beteugeling van de kosten die drugsgebruik veroorzaakt. Tussen 1985 en nu is de productie, handel en consumptie van illegale drugs toegeno-men, ondanks alle inspanningen om dit alles terug te dringen. Niet dat dit zo maar moet worden geaccepteerd. Met de wereldhandel in drugs is tussen de drie en vijf biljoen dollar gemoeid, die via witwassen in de normale economie belanden. Daardoor kan de wereldeconomie uit haar balans gebracht worden, kunnen democratieën worden ondermijnd, en wordt een wereldwijde maffia gesteund. Maar de vraag is of repressie dit verhelpt.

Resolutie 1998

Ik had het eerder over de terugverwijzing van mijn werkstuk naar de parlementaire commissie, om te voorkomen dat het Europees parlement zich massaal zou uitspreken tegen liberalisering of, beter gezegd, normalisering van het drugsvraagstuk. Ik mocht nog opgelucht zijn dat ik hiervoor een meerder-heid achter me kreeg, maar de gehele vertoning stemde tot somberheid. Het was in zekere zin immers een manifestatie van de emotie, de irrationaliteit en de schijnheiligheid waarmee de politiek het onderhavige onderwerp aanpakt. Mij bleef dus niets anders over dan in urenlange gesprelcken met mijn Engelse fractiegenoten en mijn Zweedse collega's van alle politieke gezindten te bezien waar de voor hen onverteerbare accenten lagen. Een leerzame exercitie.

De Engelsen bleven vasthouden aan het volgende (gedicteerd door het Home Office en minister Straw): geen vrijheid voor lokale autoriteiten om een zelfstandig drugsbeleid te maken toegespitst op de lokale situatie; stipte toe-passing van de conventies van de Verenigde Natie (maar de zoon van de mi-nister himself belandde dus niet achter de tralies, nadat hij zich bij de politie meldde); geen decriminalisering van softdrugs; geen harddrugs op recept.

De Zweden gingen nog een stuk verder. Ik leerde dat op het gebruik van de woorden `misbruik van drugs' in politieke teksten een absoluut taboe rust. Het onderscheid tussen gebruik en misbruik bestaat voor hen niet. Alle gebruik is immers problematisch. Daarom is ook het woord harm reduction taboei evenals het onderscheid tussen soft- en harddrugs, omdat alle drugs hard zijn. Andere taboes zijn de begrippen: experiment en pragmatisch, gedogen, nor-maliseren en reguleren. Het enige doel is een drugsvrije samenleving en deze wordt bereikt door geen enkele tolerantie toe te staan. Dit is vanzelfsprekend in het licht van de opinie de conventies van de Verenigde Naties naar letter en geest moeten worden uitgevoerd.

Tijdens deze onderhandelingsfase stuurde de Europese Commissie ons haar aanbevelingen voor de bijzondere zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over internationale samenwerking in de strijd tegen drugs', zodat het commentaar hierop in de uiteindelijke resolutie kon worden meege-nomen.' Deze resolutie werd op 6 oktober 1998 met grote meerderheid in de plenaire zitting in Straatsburg aanvaard. Gezien het voorgaande is het duide-lijk dat deze versie onaanvaardbaar was voor degenen die voor legalisering van drugs pleiten, maar ook voor degenen die het Zweedse model aanhangen. Bij elkaar opgeteld blijft dit overigens een minderheid.

Een terechte vraag is of het nog de moeite waard is om een dergelijke grootste-gemene-deler resolutie het parlement door te loodsen. Het lijkt mij van wel, gezien een aantal aanbevelingen van de resolutie. Er staat bijvoor-beeld in dat de uiteenlopende benaderingen van het drugsvraagstuk harmonisering van wetgeving en praktijk op dit moment verhinderen en dat daarom het Europees drugsbeleid gericht moet worden op samenwerking tussen Eu-ropese instellingen, lidstaten, regio's en steden; dat prioriteit moet worden toegekend aan het beleid om de vraag en de gezondheidsrisico's te beperken; en dat de strijd tegen drugs niet alleen een zaak van politie en justitie is, maar dat het evenzeer gaat om bestrijding van sociale marginalisering. Van belang is ook de aanbeveling dat er een evenwicht gevonden moet worden tussen de idealistische benadering van een drugsvrije samenleving en de positieve effec-ten van een pragmatische aanpak. Daarnaast — en dat is ook positief — wordt aangedrongen op beleidsexperimenten. En tot slot, op grond van de erkenning dat er een discrepantie bestaat tussen feitelijke wetgeving en de toepassing hiervan in de praktijk, wordt gevraagd om onderzoek naar de vraag in hoever-re deze discrepantie verenigbaar is met de geratificeerde internationale con-venties over drugs.

De feitelijke erkenning dat er overal gedoogd wordt, is een stap vooruit. De rechterzijde van het parlement ging er waarschijnlijk van uit dat discrepantie tussen wet en werkelijkheid niet toegestaan is onder de conventies van de Ver-enigde Naties. Ikzelf meen dat een inventarisatie van alle afwijkingen en expe-rimenten die met kennis van de bevoegde autoriteiten van de VN plaatsvinden wel eens zou kunnen resulteren in aanpassing van de conventies.
Maar zover zijn we nog lang niet. De resolutie bevat weliswaar aanbevelin-gen die in overeenstemming zijn met feiten of wenselijkheden van een genor-maliseerde aanpak, maar via amendering kwamen er ook aanbevelingen in die afkomstig zijn uit de keuken van law and order.

Ontwikkelingen in het Europarlement van de laatste vijftien jaar

Als ik nu de ontwikkelingen van de laatste vijftien jaar in de opvatting over drugs binnen het Europees Parlement beknopt zou moeten aangeven, dan constateer ik het volgende. Er is meer steun gekomen voor het gedogen van het gebruik van drugs. Bovendien is het aantal experimenten en programma's in het kader van harm reduction is uitgebreid. Er is sprake van methadonver-strekking, naaldenuitruil, testen van pillen (het zogenoemde early warning system) en verstrekking van heroine op medisch voorschrift.

Daarentegen is het drugsvraagstuk politiek gepolariseerd, niet alleen door het Zweeds beleid dat zich onderscheidt door een restrictieve aanpak, maar ook in de overige lidstaten zelf. Het Nederlands beleid wordt bijvoorbeeld in de Europese Unie verdedigd door alle leden van de PVDA en D66, de VVD is daarover verdeeld en de leden van het CDA zijn ertegen.

Alle illegale drugs de wereld uit

Onder het behoudender deel van het electoraat slaan pleidooien voor een re-pressief getinte aanpak van de drugsproblematiek aan. En vandaar dat politici uit die hoek geneigd zijn het drugsvraagstuk in die termen te verwoorden. Maar ook sociaal-democratische partijen in Europa en die met liberale signa-tuur tonen zich op dit punt eerder behoudend dan vernieuwend. En dit geldt trouwens ook voor de Democraten in de Verenigde Staten." Kennelijk is men in brede kring onmachtig of onwillig om de povere resultaten van een repres-sief beleid te erkennen en over het voetlicht te brengen. Kennelijk is het mak-kelijker en wordt meer winst geboekt met variaties op het thema: alle illegale drugs de wereld uit. Hoe hebben politici mensen voor deze eenzijdige visie weten te mobiliseren? En welke belangen hebben zij hierbij?

Demoniseren

In de eerste plaats, politici demoniseren drugs. Gevaren en bedreigingen wor-den gigantisch opgeblazen. Drugs worden gepersonifieerd tot vijanden. En deze vijand komt van buiten of via buitenlanders. De mythe van het superge-vaar van drugs werd geconstrueerd in de tweede helft van de negentiende eeuw en was gericht tegen het opiumgebruik in China en India.' Maar later zien we hetzelfde in de houding van de Verenigde Staten tegenover Latijns Amerika en Mexico. Eigenbelang kan aan het vijandsbeeld bijdragen. Zo moest de narcodiplomatie ertoe dienen om de hegemonie van de VS op het Amerikaanse continent te revitaliseren."

Het vijandsbeeld ldinkt door in woordgebruik: de huidige war on drugs in de Verenigde Staten is vanaf 1970 aan de gang. President Nixon riep drugs uit tot publieke vijand en verklaarde de drugsproblematiek tot nationale nood-toestand.14 Tijdens een plechtige bijeenkomst kreeg veelgebruiker Elvis Presley de benoeming tot special agent in the struggle against drugs. Het ging overigens om meer dan een publiciteitscampagne. De oorlogsverklaring legitimeerde verlegging van prioriteiten in de besteding van publieke middelen: wetshand-having in plaats van armoedebestrijding.

Levine meent dat er een relatie bestaat tussen de repressiviteit van het drugsbeleid en de ongecontroleerde macht van regeringen.' Met andere woorden, regeringen zouden voor hun eigen positie gebaat zijn bij wapenge-kletter tegen drugs. Ter bestrijding van het kwaad kan immers de politie of het leger worden ingezet, kan er gebruik worden gemaakt van undercover-agenten, kan er worden vervolgd en afgeluisterd. In dat opzicht is het dus effectief voor politici om de aan drugs verbonden gevaren uit te vergroten. Zo verspreidden de regeringen van Bush en Reagan in de jaren tachtig de boodschap dat crack de meest gevaarlijke en verslavende drug uit de menselijke geschiedenis was. Vervolgens gebruikten ze deze beeldvorming om de slechte situatie in de Ame-rikaanse binnensteden te verklaren. Niet het verkeerde sociaal-economische beleid was daaraan schuldig; het was crack.

Overigens, de prijs voor deze aanpak is een enorme toename van het aantal gedetineerden. In de afgelopen jaren werden in de Verenigde Staten meer dan 1000 nieuwe gevangenissen gebouwd om 1,8 miljoen gevangenen te herber-gen. In 1998 zitten er op elke 100.000 volwassen mannen 1100 mannen achter de tralies, meer dan één procent.'

Tot slot, door de zienswijze dat drugs als vijandige invasie zijn aan te merken wordt het afwijzen van een normaal gesprek over sociale en volksgezondheids-aspecten van drugs gerechtvaardigd. Een oorlogsverklaring ontslaat politic van de inoeizame plicht te denken en te praten in nuances.

Onder dergelijke omstandigheden hebben pleitbezorgers van de harde lijn het in de Verenigde Staten getroffen met een generaal als hoogste drugsdes-kundige. Generaal Barry McCaffrey liet er bij zijn informele gesprek in het Europese drugsobservatorium op 17 juli 1998 met een aantal Europese politi-ci, onder wie ikzelf als voorzitter van de bevoegde parlementaire commissie, geen twijfel over bestaan. De termen die hij hanteert, de strategieen die hij ontwikkelt, de grafische voorstellingen waarvan hij zich bedient — het is alles rechtstreeks ontleend aan de krijgskunde.' En in deze strategie past ook dat men steun verwerft, en steunfuncties creeert over de hele wereld. En dit ge-beurt. De ungass-conferentie van de Verenigde Naties die in juni vorig jaar in New York werd gehouden was op enkele uitzonderingen na (Nederland, Ca-nada, Australie en Portugal) ééri grote steunbetuiging aan de door de Verenig-de Staten voorgestane aanpak.

Morele waarden

In de tweede plaats dankt de politieke mobilisering voor het repressieve beleid haar succes ook aan het beroep dat wordt gedaan op morele waarden, op het belang van het gezin, op het partij kiezen in de strijd tussen goed en kwaad. In de westerse samenleving zijn voor individualisering, gebroken gezinnen, jon-geren zonder enig perspectief, toenemende criminaliteit en gevoelens van on-veiligheid nog geen afdoende remedies gevonden. Een drugsvrije samenleving geeft hier een fictief doel en de war on drugs wordt een soort heilige oorlog. Vanuit een dergelijke opstelling kunnen geen concessies worden gedaan aan risicobeperking. Elk compromis in de sfeer van decriminalisering en norma-lisering geldt als verwerpelijk omdat het afbreuk doet aan de boodschap dat drugs slecht zijn en door slechte mensen worden gebruikt." In zekere zin wor-den juist diegenen die recreatief en zonder schade drugs gebruiken als de grootste bedreiging gezien van de morele en de rechtsorde. Cohen' merkt in dit verband op dat heersende elites streven naar controle, zogenaamd om be-volkingen te beschermen tegen moreel en politiek extremisme.

Het principieel afwijzen van allerlei vormen van risicobeperking heeft met deze opstelling te maken. De drugsgebruiker is de vijand en wordt niet gehol-pen." Deze voor de Verenigde Staten deels nog steeds actuele houding, bestaat eveneens in Zweden. Ook daar worden drugs als de belangrijkste vijand ge-zien, waarbij andere sociale problemen in het niet vallen. Boekhout van Solin-ge analyseerde en verklaarde de Zweedse houding tegenover drugs.19 Al is het probleem in kwantitatieve zin niet groot, de strijd ertegen is indrukwekkend.

De functie van deze inzet is om de bedreigde nationale identiteit te versterken nu het traditionele Zweedse model onder druk staat. De sociaal-economische situatie deed afbreuk aan de alom bewonderde Zweedse welvaartsstaat en aan het heilig geloof in het organisatorisch en regelgevend vermogen van de over-heid. De moraliteit van de Zweden is in essentie nog gebaseerd op de waarden van de arbeidersbevolking van weleer en de leefstijl van drugsgebruikers staat hier lijnrecht tegenover.

Dit idee van moraliteit werd in 1970 ideologisch gelegitimeerd door Jan Myrdal, een van Zwedens bekendste intellectuelen die schreef dat drugsver-slaafden een aantasting zijn van het morele gehalte van de samenleving en dat drugs en criminaliteit de onderdrukte positie van de werkende ldasse bevesti-gen. Een aantasting ook van wat typisch Zweeds genoemd wordt. Vandaar dat in Zweden via de televisie telefoonnummers worden verspreid om anonieme tips over drugsgebruikers door te geven. Vandaar ook dat de Zweden het de-bat in Europa over drugs als uitermate bedreigend ervaren. Deze morele pa-niek wordt in stand gehouden door de media en de meer dan 200 nietf gouvernementele organisaties (NGo's) die zich in dat land met dit onderwerp bezighouden.

Angst en onzekerheid

Een derde categorie van redenen voor de acceptatie van het restrictieve drugs-beleid heeft te maken met het inspelen op gevoelens van angst en onzekerheid, met name waar het gaat om het welzijn van eigen kinderen. In de preventie-campagnes gaat het daarom vooral over de gevaren van drugs. Alle ouders van kinderen in de leeftijdsgroep 14-16-jarigen ontvangen in Zweden het Hash-boek, waarin de bedreigingen van cannabis worden geètaleerd. Maar al vanaf hun zevende jaar krijgen Zweedse kinderen lessen over drugs op school. Deze voorlichting gaat als vast onderdeel door het hele curriculum heen. Overigens heeft dit niets uitstaande met objectieve voorlichting. Het gaat om het drama-tiseren van de gevaren. In deze voorstelling van zaken past ook de stepping stone-theorie. Dit is het idee dat het gebruik van cannabis de start is van een drugscarrière waarin steeds zwaardere middelen worden gebruikt, en dat niet als uitzondering maar als regel.

Het inspelen op de angst wordt in Zweden eveneens ondersteund door kranten en opiniebladen. Bergmark en Oscarsson analyseerden vijftien Zweedse nieuwsbladen over een periode van drie jaar. Het beeld dat daaruit naar voren komt is angstaanjagend. Drugs brengen onomkeerbare verande-ringen teweeg in lichaam en geest, aldus de artikelen. De gevolgen zijn psy-chose, angsten, apathie, hersenletsel, immuniteitsziekten, enzovoort. De ge-bruiker zelf is ontoerekeningsvatbaar, dan wel een psychisch wrak. Een andere onderzoeker, Tham, vermeldt eveneens de rol van de pers. De vier belangrijkste dagbladen hebben in de periode 1981-1991 meer dan 12.000 artikelen over drugs gepubliceerd.'

Maar het inspelen op angst gebeurde ook elders. Ansinger, voor de Tweede Wereldoorlog de zogenoemde drugs-tsaar in de Verenigde Staten, publiceerde de griezeligste verhalen over marihuana waarin jonge mensen moorden of zelfmoord plegen.' Passend in deze context is de verregaande inmenging van de overheid in het privé-bestaan. Thuis, op het werk, op school kan er gesur-veilleerd worden. Rond veel scholen in de vs staan borden met de tekst: Drugs free Zone. Twaalf miljoen leerlingen volgen in een schooljaar het DAFtE-project (drug abuse resistance education). Dit is een drugsvoorlichtingsprogramma, waarbij kinderen ten overstaan van het onderwijzend personeel, autoriteiten en hun ouders de plechtige gelofte afleggen en een certificaat ondertekenen om nooit drugs te zullen gebruiken. Van ouders wordt aangenomen dat zij de natuurlijke bondgenoten zijn in de strijd voor een drugsvrije samenleving. Dus ook voor hen zijn er cursussen, mediacampagnes, boeken of spuitbussen die in de kamer van jongeren sporen van drugsgebruik zichtbaar kunnen ma-ken. Ook het omgekeerde is het geval: gebruikende ouders kunnen worden ontzet uit de ouderlijke macht.

Als sluitstuk van een dergelijke aanpak geldt zowel in de Verenigde Staten als in Zweden het testen op gebruik van drugs door onderwijsinstellingen of werkgevers."

Schijnverlossing

'Het misbruik van het onderwerp drugs door politici gebeurt dus door een appèl te doen op de veronderstelde immense risico's, op moreel besef en op angst. Hier hoort bij dat de sociale realiteit en de feiten geselecteerd, verdraaid of ontkend worden. Zo blijkt uit Amerikaans onderzoek dat een aanpak als het hierboven beschreven DARE niet werkt. Maar voor politici is dit geen reden om van koers te veranderen.

In plaats van koersverandering geven zij een schijnverlossing van angst en paniek door uitzicht te geven op een drugsvrije samenleving. Deze kan in hun visie worden afgedwongen door wet- en regelgeving. Deze politici willen niet erkennen dat deze hemel op aarde weinig kans van slagen heeft; dat er nog nooit een periode in de geschiedenis is geweest waarin mensen geen bewust-zijnsveranderende middelen gebruikten; dat de oorlog tegen de drugs men-senlevens kost, heel veel geld kost en weinig resultaat oplevert; en dat er bijna dagelijks nieuwe drugs worden uitgevonden waardoor steeds meer mensen zich kunnen verrijken met de illegale productie en handel.

Het credo van deze politci blijft: een drugsvrije samenleving en geen enkele tolerantie voor degenen die daar anders over denken.

Voorlichting

Daarom moet de jeugd beschermd en dus voorgelicht over wat op de loer ligt. Coggans en Watson concluderen dat drugsvoorlichting op school vaak ont-kent dat veel jonge mensen drugs in hun vrije tijd gebruiken omdat ze willen experimenteren of de aangename kanten van de roes willen leren kennen, en niet louter omdat ze kennis missen of de sociale vaardigheden om nee te zeg-gen.' Het negeren van deze feiten maakt veel voorlichting zinloos. Want als het gebruik van drugs alleen maar ellende zou brengen, zou het stulcken min-der populair zijn. Zinvolle drugsvoorlichting houdt hier rekening mee. Het meeste drugsgebruik blijft buiten de gevarenzone, net als bij het drinken van alcohol. Van deze kennis zouden politici gebruik moeten maken.'

Ziende blind, horende doof?

Onderzoek toont aan dat repressief beleid niet helpt. Een dergelijk beleid geeft dezelfde percentages van drugsgebruik te zien als een liberaal beleid. Maar , zelfs dit overtuigende gegeven brengt geen bewustzijnsverruiming bij politici. Daardoor wordt de ldoof tussen politieke boodschap en sociale werkelijkheid groter en groter.

Ondanks cijfers, onderzoelcsuitkomsten en logische argumenten blijft het politieke debat zich bedienen van retoriek, volgens Alex Wodak.' Hij meent dat een eventuele omslag van verbieden naar normalisering niet teweegge-bracht wordt door feiten en gezond verstand, maar eerder door de hoge kos-ten van de repressie, zeker als er in de publieke sector bezuinigd moet worden. De angst voor AIDS heeft hier en daar voor een gewijzigde opstelling gezorgd. Verbod en repressie zorgen er immers voor verlies van contact met intrave-neuze drugsgebruikers, en dan worden kansen voor preventie gemist. Als sommige politici vanuit volksgezondheidsoptiek de drugsproblematiek zou-den benaderen — zoals in Nederland , Zwitserland en Australië wordt gedaan — dan wordt de strijdigheid met de conventies van de Verenigde Naties omzeild. Deze conventies staan immers uitzonderingen toe voor de toepassing van ver-boden drugs voor wetenschappelijk onderzoek of medische behandeling.

Maar hoe belangrijk deze inbreng vanuit de medische hoek ook is, ik be-twijfel of deze het politieke debat fundamenteel kan beinvloeden. Misschien weegt de publieke opinie zwaarder. Opiniepeilingen zijn tegenwoordig ééri van de belangrijkste richtingaanwijzers voor een politieke koers. In het World Drug Report van de United Nations Drug Control Program (uNDcp) werd bijvoorbeeld een eerlijk en interessant hoofdstuk gewijd aan het legalisering-debat.' Het geeft een overzicht van argumenten voor harm reduction, waarbij wordt gerefereerd aan de Frankfurter Resolutie die in 1990 werd ondertekend door negen Europese steden. Ook wordt inzicht gegeven in de stand van zaken van het legaliseringsdebat, waarbij de schrijvers ook aangeven hoe legalisering gereguleerd kan worden. Dit alles overziend lijkt mij het verschil tussen risico-reductie en de wettelijk geregelde beschikbaarheid van drugs gering. Het pleit voor de schrijvers dat zij deze conclusie van mij mogelijk maken. Hun eigen conclusie is echter dat uit opiniepeilingen niet blijkt dat mensen voor legalise-ring kiezen. Dit is ook niet te verwachten. Het is gezien de heersende politieke ideologie al bijzonder dat er, althans volgens het World Drug Report, toene-mende belangstelling is voor alternatieve vormen van drugsbeleid.

Wetgeving en zelfs internationale conventies mogen hierbij geen belemme-ring vormen. Deze zijn immers niet in steen gehouwen: ze kunnen worden veranderd wanneer naties daar democratisch toe besluiten. Een dergelijke flexibele opstelling in een officieel rapport van de Verenigde Naties beschouw ik als een belangrijk signaal — al wordt er wel in ongeveer dezelfde alinea al gesproken over de lastige vragen die voorstanders van drugslegalisering nog bevredigend moeten beantwoorden voordat 'hearts and minds across the world will follow them'.

Het antwoord op een van die vragen: Wat gaat er precies gaat gebeuren als drugs gelegaliseerd worden?', kan niemand voorspellen. Voorspelbaar is wel dat voortgaan op dezelfde weg de kloof vergroot tussen de boodschap dat drugs verboden horen te zijn en de werkelijkheid die zich hier niet aan stoort. Dit maakt dat de politieke droom in niets meer lijkt op de werkelijIcheid van hulpverleners, politie, wetenschappers en gebruikers.

Rol van Nederland

Als we de praktijk van drugsgebruik beheersbaar willen houden, dan moet de politiek de omstandigheden waaronder jongeren kennismaken met drugs veranderen evenals de context waarin mensen illegale drugs kopen en consumeren.' De rol die ons land op dit terrein speelt, is intemationaal gezien niet uniek, maar wel uitzonderlijk. Dit komt volgens sommigen doordat wij een kleine, flexibele en daarom innovatieve samenleving hebben.

Progressieve beleidsexperimenten op het terrein van maatschappelijke vraagstulcken inspireren zelfs ons grote buurland Duitsland, althans in enkele deelstaten.' In Sleeswijk-Holstein bijvoorbeeld wordt de mogelijkheid bestu-deerd om de verkoop van cannabis te reguleren via apotheken. Maar de poli-tieke tegenstand in Duitsland is groot, met name van christen-democratische zijde — kijk maar naar andere deelstaten in bijvoorbeeld het conservatieve Zuid-Duitsland, waar een straffe, repressieve lijn wordt gepreekt. Het is inte-ressant te zien of de nieuwe Bundesregierung, die is samengesteld uit partijen die in de oppositie wel eens liberale geluiden lieten horen, de tot nu toe vrij passieve houding op dit gebied opgeeft. Maar ik betwijfel het, gezien het taboe dat op deze discussie rustte tijdens de verldezingsstrijd van de SPD.27

Het Nederlandse voorbeeld lijkt enigszins gevolgd te worden in België. Net als bij ons willen zij hier het vervolgingsbeleid van gebruikers officieel wijzigen. Ook gaan er in enkele steden experimenten met heroïneverstreldcing van start. Maar er is geen sprake van verkooppunten voor softdrugs. Uit de mond van Europese collega-politici heb ik nog nooit een pleidooi gehoord voor de cof-feeshop. De bijstellingen van ons coffeeshopbeleid in 1995 worden in Europa gezien als erkenning van falend beleid. Dat het vrij normaal is dat er na bijna twintig jaar een evaluatie en bijstelling komt, spreekt bij de tegenstanders van de Nederlandse aanpak geen rol.

Nu heb ik er zelf in debatten altijd op gewezen dat wij niet kunnen preten-deren de oplossing voor het drugsprobleem gevonden te hebben. Eerst en vooral niet vanwege de hypocrisie over de achterdeur van de coffeeshop. Het is een gemiste kans dat in 1995 bij de herziening van het beleid geen regeling is gevonden voor de productie van softdrugs en de bevoorrading van de ver-koopplaatsen.

Het plan dat onlangs onder verantwoordelijkheid van de Stichting Drugs-beleid werd gepresenteerd, voorziet hier wel in. Illegale handel in cannabis, het ontbreken van controle op de deugdelfildieid, de onmogelijke situatie voor politie en justitie die inconsequent moeten zijn in het vervolgen van cannabis-producenten — dat alles zou uit de wereld kunnen worden geholpen door een gedoogbeleid voor telers, waarbij de afspraak is dat zij uitsluitend aan erkende coffeeshops mogen leveren en dat coffeeshops uitsluitend zaken mogen doen met gedoogde telers.'

Ook Nederlandse drugsexperts van allerlei disciplines, die in 1994 al een pleidooi hielden voor drugsbeheersing door legalisering, stellen een scenario voor waarbij een Nationaal Drugsbureau kwekersvergunningen verstrekt, maar ook andere zaken reguleert.' Het wordt tijd dat de discussie op het poli-tieke niveau weer vlot getrokken wordt. Angst voor problemen met collega-lidstaten in de Europese Unie mag ons hier niet van weerhouden. Als wij niet verder durven te gaan met veranderingen in ons drugsbeleid, zullen wij steeds meer in het defensief gedrongen worden en blij moeten zijn met behoud van het halfbakken bestaande.

Uit buitenlandse literatuur blijkt dat het Nederlandse beleid wordt gebruikt als bewijs voor de mogelijkheid om te legaliseren, maar ook als bewijs voor het omgekeerde. Om met het laatste te beginnen, het Nederlandse parlement wil op basis van kennelijk slechte ervaringen het aantal coffeeshops met de helft verminderen, het wil de leeftijd waarop softdrugs gekocht kunnen worden, verhogen van zestien naar achttien jaar en het heeft de hoeveelheid cannabis voor persoonlijk gebruik verminderd tot vijf gram. Dit wordt vervolgens in het Europese drugsdebat vaak aangevoerd als een bewijs voor mislukking.

Maar degenen die legalisering bepleiten, wijzen op het succes van het Neder-lands beleid vanuit volksgezondheidsoptiek. Zij laten zien dat er geen relatie bestaat tussen repressief drugsbeleid en de omvang van de drugsproblematiek. Zij wijzen op de ineffectieve besteding van belastinggeld bij repressie. Zij wij-zen ook op het feit dat er geen overtuigend bewijs is voor de stepping stone-theorie, op het geringe risico van marihuana vergeleken met wel toegestane drugs als alcohol of tabak, op het feit dat er meer wordt geblowd in de Vere-nigde Staten dan in Nederland.'

In veel onderzoeken wordt het gebruik van cannabis internationaal verge-leken over de jaren heen. Tussen 1992 en 1996 wordt er in een aantal landen een toename van het cannabisgebruik geconstateerd. Het drugsbeleid van het betreffende land lijkt hierbij een ondergeschikte rol te spelen. Maar nogmaals, serieuze voorspellingen over hoe het gebruik of misbruik van drugs zich ont-wikkelt, blijven moeilijk zolang de echt gelegaliseerde situatie nergens be-staat.'

Desalniettemin blijft volgens de laatste uNGAss-conferentie van de Vere-nigde Naties het internationale drugsbeleid gebaseerd op de aanname dat een wereld zonder drugs wenselijk, maar bovenal mogelijk is. Het thema dat in dat verband standhoudt op de politieke agenda is beperking van vraag en aanbod — meer van hetzelfde dus. Dit houdt in: meer voorlichting, meer controle op het gebruik, meer onderdrukking en schending van mensenrechten in de pro-ducerende ontwikkelingslanden.' Voor een innovatieve aanpak, voor evalua-tie van het bestaande beleid of voor het functioneren van de internationale conventies was geen ruimte in de conferentie ingeruimd. Buiten het gebouw vi'n de Verenigde Naties konden vertegenwoordigers van de kleine boeren uit ender meer Latijns-Amerika verslag doen van hun uitzichtloze situatie. Zij lieten zien wat beperking van de teelt van drugsgewassen voor de armen in ontwikkelingslanden betekent. Waarbij nog opgemerkt kan worden dat uit het recent verschenen rapport van het drugsobservatorium in Lissabon blijkt dat de opmars van laboratoriumdrugs als XTC, indrukwekkend is. Aan deze ont-wilckeling komt geen derde-wereldland te pas.

Tot slot

Is het mogelijk om het publieke debat te ontdoen van electorale overwegingen, internationale plichtplegingen, kortzichtigheid en onwetendheid? Ik ben niet optimistisch over de kansen voor zo'n fundamentele doorbraak in het denken over drugs op de korte termijn. Wel geloof ik dat geleidelijke veranderingen onontkoombaar zijn. Gebaseerd op de nota Het drugsbeleid in de Benelwc werd onlangs door de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad een aanbeve-ling voor het drugsbeleid opgesteld. Hierin wordt het arbitraire onderscheid tussen legale en illegale drugs aan de orde gesteld, een te eenzijdige repressieve aanpak veroordeeld en, naast het gebruik van drugs, ook de handel in drugs als probleem gezien. Aan de regeringen van de Benelux wordt gevraagd om een tweesporenbeleid uit te stippelen dat enerzijds gericht is op het reduceren van risico's en anderzijds op resocialisatie van verslaafden. Ook wil men de medicinale toepassing van methadon en heroine toelaten. Tenslotte wordt gerefereerd aan decriminalisatie in het Verdrag van Frankfurt uit 1992." Ook het verslag van het drugsobservatorium in Lissabon over de stand van zaken in 1998 vermeldt dat er overal in de Europese Unie er meer aandacht komt voor harm reduction — zeker waar het gaat om jongeren die met XTC en amfetami-nen experimenteren.' Niet alleen in Nederlandse steden, maar binnenkort ook in Luik, Brussel en Antwerpen start de experimentele medische verstrek-king van heroine aan zwaar verslaafden. Er is dus een begin van erkenning dat risicovermindering een alternatief biedt voor repressie en met dat begin komt misschien legalisering in zicht.

Hoelang dit proces duurt, is moeilijk te zeggen. Hopelijk niet langer dan de tijd die nodig is om de leden van het Europees Jeugdparlement tot volgroeide politici te maken. Zij stelden namelijk kort geleden een resolutie op over drugs- en ontwikkelingsproblematiek. Deze getuigt van een deskundige, open, en objectieve manier om de zaken aan te pakken, heel anders dan de huisige generatie politici gewend is te doen. Het jeugdparlement maakt heel expliciet een onderscheid tussen gecontroleerd gebruik en misbruik van drugs en vraagt om de nadruk in het beleid te leggen bij dit onderscheid en niet langer bij het verschil tussen legaal en illegaal. Coca zou verwijderd moeten worden van de Verenigde-Natieslijst van verboden substanties en gelegaliseerd moeten wor-den zodat ontwikkelingslanden niet langer in hun productie en tradities wor-den belemmerd. Ook over preventie en voorlichting worden zeer interessante en inspirerende aanbevelingen gedaan.'

Het is te wensen dat dit type bijdragen de volle aandacht krijgt in het poli-tieke debat. Als de jeugd de toekomst heeft, is de hoop gerechtvaardigd dat over niet al te lange tijd ook politici het debat over drugs op normale toon-hoogte kunnen voeren.

Hedy d'Ancona 21 december 1998

Noten

1. Stewart Clark J. Report of the committee of Inquiry in to the drugs problem in the member states of the community. Brussel: 1986.
2. Maas B. Drugs in Europa. Uitgave van de socialistische fractie van het Eu-ropees Parlement. Brussel: 1987.
3. d'Ancona H. Ontwerpverslag over harmonisering van de drugswetgeving der lidstaten met een ontwerpaanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad. Brussel: 1997. (a4-0000/97, doc_ne \ pr \ 316 \ 316823)
4. Ruyver B de, et al. Identification of differences in drug penal legislation in the Member States of the European Union. Gent: Universiteit van Gent, Bel-gie.
5. Cattacin S, Lucas B, Vetter S. Drogenpolitische Modelle, eine vergleichende Analyse sechs Europdischer Realitdten. Zürich: Seismo, 1996.
6. Draft Report on the 1997 annual report of the emcdda.
7. Nederland en Zweden, vergelijlcing van wetgeving, beleid en cijfers op het gebied van illegale drugs. In opdracht van de afdeling Documentatie en On-derzoek van het Europees Parlement.
8. Rigter H. Kwaliteit van behandeling van verslaafden: Effectiviteit van justiti-ele drang en dwang. Utrecht: Trimbos-instituut, 1998.
9. Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement met het oog op de vaststelling van een gemeenschappelijk platform van de Euro-pese Unie. Com (97) 0670-c4-0113/98.
10. Aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad over de Europese samenwerking in het kader van de zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over drugs (ungass), Com (97) 0670 a4-0211/98.
11. Beke-Bramkamp R. Die Drogenpolitik der USA, 1969-1990, Unter beson-derer Berücksichtigung ihrer Auswirkungen auf die Bundesrepublik Deutsch-land und den Europaischen Einigungsproze13. Baden: Nomos Verlagsgesell-schaft, 1992.
12. Cohen P. Re-thinking drug control policy: Historical perspectives and conceptual tools. Presented at the United Nations Research Institute for Social Developement (unrisd), Geneva 7-8 july 1993. Amsterdam: Centre for Drug Research, 1993.
13. Walker WO. The Foreign narcotics policy of the United States since 1980: an end to the war on drugs? International Journal 1994; 49:37-65.
14. Leuw E, Kaplan Ch. De Amerikaanse 'war on drugs'. Justitiele verkennin-gen 1995; 21.
15. Levine H. Drug prohibition and demonization in the twentieth century. 8th International Conference on harm Reduction. Paris, 1996.
16. Schlosser E. The prison-industrial complex. The Atlantic Monthly Com-pany, 1998;282(6):51-77.
17. Buntin, J. The general and the "war" on drugs: Barry McCaffrey and the Office of National Drug Control Policy. c15-98-1427.0.
18. Zimring FE, Hawkins G. What kind of drugwar? Social Justice 1991; 18(4).
19. Boekhout van Solinge T. The Swedish Drug Control System. An in-depth review and analysis. Amsterdam: Centre for Drug Research, 1997.
20. Anslinger HJ. Marijuana - Assassin of Youth. The american Magazine, 1937;124.
21. Coggans N, Watson J. Drugs Education: Approaches, Effectiveness and Implications for Delivery. hebs working paper, 1, Health Education Board for Scotland, 1995.
22. Cohen P. Shifting the main purposes of drug control: From suppression to regulation of use. Reducation of sisks as the new focus for drug policy. Paper presented at the Euro-lbero-American Seminar, 8-9 October 1998, Porto.
23. Wodak A. The world illicit drug crisis: From prohibition to reform. The International Journal of drug policy (1994); 5(4): 218-220.
24. World Drug Report. United Nations International Drug Control Pro-- gramme. New York: Oxford University Press, 1997.
25. Booth M. Schaffer Library of Drug Policy. [Internet-site] 1996.
26. Tas JG van der. Kanttekening bij een Kehrtwende. Persoonlijke bespiege-lingen over Duitse normaliteit. Spectator 1998 (Il).
27. Cohen P, Sas A, redactie. Cannabisbeleid in Duitsland, Frankrijk en de Verenigde Staten. Amsterdam: Cedro, 1996.
28. Coffeeshop uit de schaduw. Plan voor regulering van de 'achterdeur'. Haarlem: Stichting Drugsbeleid, 1998.
29. Drugbeleid door legalisering. Een plan voor regulering van het drugspro-bleem. Werkgroep [welke werkgroep?1, Utrecht/Heemstede, 1994.
30. Califano JA, Letter. International Journal of Drug Policy 1998;9:365-7.
31. MacCoun R, Reuter P. Interpreting Dutch Cannabis Policy: Reasoning by Analogy in the Legalization Debate. Science 1997;278: 47-52.
32. Newsletter of ENCOD, European NGO Council on Drugs and Develop-ment, Drugs and Development, October, 1998 - 3.
33. Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad. Voorstel van aanbeveling betreffende de preventie van, de hulp bij en de bestrijding van het drugspro-bleem, 1998.
34. emcdda. European Monitoring Centre for Drugs and Addiction, 1998 An-nual report on the state of the drugs problem in the European Union. Luxem-bourg, Lisbao: EMCDDA, 1998.
35. Final Resolution of the European Youth Parliament on Drugs and Deve-lopment, Strasbourg, 2 November 1998.