ACHTERGRONDEN EN RISICO'S VAN DRUGGEBRUIK (Baan Rapport)

ACHTERGRONDEN EN RISICO'S VAN DRUGGEBRUIK

rapport van de Werkgroep Verdovende Middelen (Baan rapport)

Werkgroep, ingesteld bij beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van de Minister van Justitie van 9 oktober 1968 en uitgebreid bij hun beschikking van 4 februari 1970

Inhoudsopgave

Inleiding

1. Instelling werkgroep en taakomschrijving

2. Definitie

3. Verantwoording van de werkwijze

4. Indeling van de stoffen

5. Onverantwoord gebruik

Deel I. Analyse van de situatie rondom drugs

Hoofdstuk 1. Risico's en schadelijke gevolqen die in direct verband staan met het gebruik van drugs

1.1. Risico

1.2. Afhankelijkheid van drugs

1.3. Fysieke schade

1.4. Psychische schade als direct gevolg van het gebruik van drugs

1.5. Schade voor de samenleving als gevolg van het gebruik van drugs

Hoofdstuk 2. Psychologische en sociaal-psychologische factoren die samenhangen met het druggebruik

2.1. Interimrapport van de Canadese Commissie

2.2. Incidenteel gebruik- regelmatig gebruik

2.3. Afweer van agressie; identiteitsproblemen

2.4. Nieuwsgierigheid, lust om te experimenteren

2.5. Persoonlijkheidskenmerken van druggebruikers

2.6. Vergelijking van verschillende opvattingen en conclusie

Hoofdstuk 3. Sociale aspecten van het druggebruik

3.1. Generatiebewustzijn

3.2. Ideologische achtergrond

3.3. Snelle verspreiding

3.4. Subcultuur

3.5. De 'Scene'

3.6. Proselyteren en handel

3.7. Invloed van de subcultuur op de participanten

Hoofdstuk 4. Epidemiologie van het druggebruik in Nederland

4.1. Beschrijvende epidemiologie

4.2. Analytische epidemiologie

4.3. Conclusies

Hoofdstuk 5. Geldend recht inzake drugs

5.1. Verdragen en hun betekenis voor de nationale wetgeving

5.2. Nationale wetgeving

5.3. Opsporing

5.4. Vervolging

5.5. Rechterlijk beleid

Hoofdstuk 6. Cannabis (Hennep)

6.1. Begripsomschrijving en herkomst van marihuana en hashish

6.2. Bestanddelen van hennephars

6.3. Farmacologische werkzaamheid van cannabis

6.4. Effecten op korte termijn

6.5. Effecten op lange termijn

6.6. Psychosen en andere ongunstige reacties

6.7. Steppingstone-hypothese

6.8. Dosering

6.9. Het T.H.C.-gehalte van in Nederland in beslag genomen hashish-monsters

6.10. Controlemogelijkheden ten aanzien van het gebruik van cannabis

6.11. Samenvatting en conclusie

Deel II. Aanbevelingen

Hoofdstuk 1. Inleiding

1.1. Uitgangspunten

1.2. Doelstelling van hetdrugbeleid

Hoofdstuk 2. Justitieel beleid

2.1. Legislatieve mogelijkheden

2.2. Een terreinverkenning

Hoofdstuk3. Voorlichting en jeugdbeleid

3.1. Aard en organisatie van de voorlichting

3.2. Geen geisoleerde behandeling van het drugvraagstuk

3.3. Jeugdbeleid

Hoofdstuk4. Hulp- en dienstverlening

4.1 Voorwaarden waaraan moet worden voldaan

  1. Specifieke problemen
  2. Netwerk van diensten
  3. Kosten

Slotwoord

Bijlagen

ACHTERGRONDEN EN RISICO'S VAN DRUGGEBRUIK (Baan Rapport) | Overheids- en adviescommissies

Inleiding

1. Instelling werkgroep en taakomschrijving

Bij beschikking van 9 oktober 1968, nr. 103443 (Stcrt. 204), directoraat-generaal van de volksgezondheid, afdeling geneesmiddelenvoorziening, werd op grond van de overweging dat het toenemend gebruik van verdovende en andere middelen, zoals amfetaminen en hallucinogenen, reden vormen de problematiek met betrekking tot het gebruik van deze middelen te bestuderen in al zijn aspecten, zulks ten einde zo nodig maatregelen te kunnen treffen om voornoemd gebruik tegen te gaan, door de staatssecretaris van sociale zaken en volksgezondheid en de minister van justitie een Werkgroep Verdovende Middelen ingesteld, welke tot taak kreeg een onderzoek in te stellen omtrent:

A. de oorzaken van het toenemende gebruik van vorenbedoelde middelen;

B. het tegengaan van het onverantwoord gebruik van die middelen door:

  • a. doeltreffende opsporing van illegale handelskanalen;
  • b. doeltreffende opsporing en bejegening van gebruikers;
  • c. voorlichting over de gevaren van het gebruik zowel voor de bevolking in het algemeen als voor degenen, die beroepsmatig met die middelen in aanraking komen;
  • C. de juiste medisch-sociale behandeling van personen, die van die middelen afhankelijk of daaraan verslaafd zijn.

    De werkgroep werd door de staatssecretaris van sociale zaken en volksgezondheid geinstalleerd op 21 oktober 1968.

    Bij haar beraadslagingen, speciaal ten aanzien van de bejegening van gebruikers der in de overweging genoemde middelen, werd de werkgroep geconfronteerd met een gemis aan deskundigen uit de desbetreffende disciplines. Bij monde van haar voorzitter, de heer J. B. M. Veraart, geneeskundig hoofdinspecteur voor de geestelijke volksgezondheid, heeft de werkgroep meermalen bij de staatssecretaris van sociale zaken en volksgezondheid er op aangedrongen de nodige maatregelen te treffen tot uitbreiding van de werkgroep.

    Op 31 december 1969 bracht de werkgroep op een verzoek van de staats-secretaris van sociale zaken en volksgezondheid, gedaan bij schrijven van 24 juni 1969, een advies uit inzake 'regeling wekaminen'.

    Bij beschikking van 4 februari 1970,nr.170246(Stcrt.27),directoraat-generaal van de volksgezondheid, hoofdafdeling geneesmiddelenvoorziening en besmettelijke ziekten, werd de werkgroep uitgebreid. Tot lid van de werkgroep werden benoemd: dr. P.A. H. Baan,zenuwarts,geneeskundig hoofdinspecteur voor de geestelijke volksgezondheid; mr. A. E. M. A. Bakker, hoofd van de afdeling criminele zaken van het ministerie van justitie; drs. H. Cohen, wetenschappelijk medewerker aan het instituut voor sociale geneeskunde te Amsterdam; prof. I. Gadourek, hoogleraar in de sociologie aan de rijksuniversiteit te Groningen, tevens directeur van het sociologisch instituut aldaar; mr. J. F. Hartsuiker, officier van justitie, hoofd van het arrondissementsparket te Amsterdam; mr. E. J. Hoogenraad, raadadviseur bij het ministerie van justitie; H. J. Krauweel, directeur van de Jellinek kliniek te Amsterdam; J. van Londen, zenuwarts, hoofd afdeling geestelijke volksgezondheid van de G.G.en G.D. te 's-Gravenhage; W. G. Mulder, zenuwarts, hoofd van de afdeling geestelijke hygiene van de G.G. en G.D. te Amsterdam; mr. L. Oranje, hoofd van de hoofdafdeling staats- en strafrecht van het ministerie van justitie; C. J. de Rhoodes, commissaris van politie te Amsterdam; drs. W. N. Samsom, adviseur bij de hoofdinspectie voor de geneesmiddelen; J. B. M. Veraart*, zenuwarts; dr. A. H. Witte, adjunct-directeur van het gerechtelijk natuurwetenschappelijk laboratorium; prof. dr. D. Zuithoff, zenuwarts, psychiatrisch adviseur van het ministerie van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk; mr. R. E. van Galen-Herrmann, secretaris, werkzaam bij de stafafdeling wetgeving publiekrecht van het ministerie van justitie.

    In verband met het defungeren van de heer Veraart werd dr. P. A. H. Baan, geneeskundig hoofdinspecteur voor de geestelijke volksgezondheid, tot voorzitter van de werkgroep benoemd.

    In zijn brief van 20 januari 1970, rijksbegroting 10300, nr. 13, aan de Tweede Kamer stelde de staatssecretaris van sociale zaken en volksgezondheid onder 6.2.10 dat de taakopdracht van de commissie in overleg met de nieuwe voorzitter zo nodig zou worden herzien. Deze taakopdracht kwam in de in haar samenstelling gewijzigde werkgroep herhaaldelijk ter sprake.

    De algemeen aanvaarde conclusie was, dat met een eventuele wijziging van de taakopdracht weer veel tijd gemoeid zou zijn, terwijl de bestaande formulering de werkgroep voldoende ruimte bood om zich uit te spreken over die aspecten die zij relevant acht voor de door haar te bestuderen problematiek.

    De werkgroep besloot derhalve niet om wijziging van de taakopdracht te verzoeken, maar de gegeven taakopdracht zodanig te interpreteren dat het haar mogelijk zou zijn de bewindslieden naar beste weten te adviseren.

    * De heer Veraart heeft, nadat hij het voorzitterschap had neergelegd, niet meer deelgenomen aan de besprekingen.

    2. Definitie

    De in de considerans van de taakopdracht gebezigde woorden: 'verdovende en andere middelen, zoals amfetaminen en hallucinogenen' stelden de werkgroep voor de noodzaak haar studieobject nader te omlijnen .

    De term 'verdovende middelen' is historisch gegroeid. Bij het tot stand komen van de Opiumwet van 1928 ging het voornamelijk om opium, morfine en di-acetyl-morfine (heroine), welke substanties als verdovende middelen juist gekarakteriseerd zijn. Hoewel het tevens in de Opiumwet vermelde cocaine bij inwendig gebruik een opwekkende werking bezit, werd cocaine in die tijd medicinaal voor plaatselijke verdovingen aangewend, zodat ook hier-voor de term 'verdovend middel' wel te verdedigen was. Extract en tinctuur van hennep werden vroeger nog wel voor medische doeleinden als kalmerings- en slaapmiddelen gebruikt.

    In latere jaren werden de gesynthetiseerde pijnstillende vervangingsmiddelen voor morfine onder de bepalingen van de Opiumwet gebracht. Zij zijn door de minister van sociale zaken en volksgezondheid aangewezen als verdovend middel krachtens artikel 2, eerste lid, onder g van de Opiumwet 1928 en vermeld in de beschikking van 24 februari 1958, nr. 1685 (Stcrt. 48). In deze beschikking worden naast pijnstillers ook hoeststillende middelen vermeld die afgeleid zijn van codeine benevens een aantal chemische verbindingen die noch pijnstillend noch hoeststillend werken, maar een tussenproduct vormen bij de synthese van verdovende middelen.

    Bij beschikking van de staatssecretaris van sociale zaken en volksgezondheid van 9 februari 1966, nr. 163136 (Stcrt. 29), werd een aantal psychotogene stoffen, waaronder L.S.D., mescaline en psilocybine als verdovend middel aangewezen. Bij beschikking van de minister van volksgezondheid en milieu-hygiene van 27 juli 1971, nr. 115988 (Stcrt. 147) werden behalve laatstgenoemde stoffen ook nog tetra-hydro-cannabinol (het voornaamste werkzame bestanddeel van de cannabishars) en S.T.P. als verdovende middelen aangewezen en werd de beschikking van 1966 ingetrokken.

    Een andere weg werd gekozen met betrekking tot amfetaminen, ook wel wekaminen genaamd. Deze werden eerst bij beschikking van de staatssecretaris van sociale zaken en volksgezondheid van 6 maart 1968, nr. 92771 (Stcrt. 53) aangewezen als geneesmiddel in de zin van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening. Aflevering mocht slechts op recept plaats vinden. Deze op 21 maart 1969 (Stcrt. 63) gewijzigde beschikking werd op 1 januari 1972 vervangen door de Wet van 7 april 1971 (Stb. 361). In de nieuwe regeling wordt uitgegaan van een algemeen verbod tot het aanwezig hebben of afle-veren van amfetaminen, behoudens in de bij de wet aangegeven gevallen. Overtreding van dit verbod kan worden gestraft met hechtenis van ten hoog-ste zes maanden of geldboete van ten hoogste vijf duizend gulden. Het strafbaar gestelde feit is een overtreding.

    Zoals uit het bovenstaande blijkt, is door het toenemend gebruik van stimu lerende middelen (amfetaminen) en bewustzijnsveranderende stoffen (hennep, L.S.D. en mescaline) behoefte aan een nieuwe samenvattende term ontstaan. In navolging van de Engels sprekende landen werd in onze spreektaal de term 'drugs' ingevoerd. Hoewel dit woord in meer dan een opzicht misleidend is ter aanduiding van het onderwerp van dit rapport, zoals hieronder nog nader zal worden uiteengezet, heeft de werkgroep toch deze term als de in het spraakgebruik meest gangbare, gekozen.

    'Drug' is oorspronkelijk het Engelse woord voor geneesmiddel; dit rapport zal zich echter niet beperken tot die middelen die voor een geneeskundig doel aangewend kunnen worden en evenmin alle geneesmiddelen behandelen. De band met het begrip geneesmiddel in engere zin wordt in dit rapport losgelaten, zodat het woord drug een eigen technische betekenis krijgt.

    Invoering van deze 'kunstterm' heft overigens lang niet alle moeilijkheden op. Aan definities zowel op nationaal als internationaal niveau ontbreekt het geenszins.

    Het W.H.O. Expert Committee on Drug Dependence definieert een drug als volgt:

    Any substance that, when taking into the living organism, may modify one or more of its functions.

    Deze definitie, die mede voor geneesmiddelen was ontworpen, is te ruim om te dienen als uitgangspunt bij de bespreking van het drugprobleem.

    In Nederland hebben deskundigen in voordrachten en geschriften definities van 'drugs' gegeven waarvan er hier enkele genoemd worden.

    De farmacoloog prof. dr. E. L, Noach:

    Drugs zijn farmacologisch werkzame stoffen welke als genotmiddel worden gebruikt, en waarvan het gebruik niet past binnen het heersende cultuurpatroon.

    De organisch chemicus prof. dr. C. A. Salemink:

    Een drug is elke chemische verbinding welke de stemming van de mens, zijn waarnemingen en bewustzijn verandert, en die misbruikt kan worden tot duidelijke schade voor de maatschappij.

    De farmacoloog dr. F. A. Nelemans:

    Drugs zijn stoffen, die psychische veranderingen teweegbrengen, die als attractief worden ondervonden, waarbij het opnemen en/of verwerken van prikkels verandert en die worden gebruikt zonder dat daarvoor een medische indicatie bestaat.

    Hoewel de werkgroep zich ervan bewust is dat geen enkele definitie 'drugs' scherp afbakent van andere stoffen die de mens zich op een of andere wijze toedient, koos de werkgroep de laatstgenoemde definitie tot uitgangspunt, omdat daarin veronderstellingen ten aanzien van de schadelijkheid of het al dan niet aanvaard zijn in een bepaald cultuurpatroon, worden vermeden. In deze definitie zijn drie criteria ingebouwd, ten eerste: het teweegbrengen van psychische veranderingen, ten tweede: een positieve waardering door de gebruiker van die psychische veranderingen, ten derde: het ontbreken van een medische indicatie. Uit de definitie blijkt dat de wijze waarop en de intentie waarmee men een stof gebruikt, mede bepalend is voor het antwoord op de vraag of die stof als een drug moet worden beschouwd. Er zijn middelen zoals alcohol, koffie en tabak, die bij sommige mensen en in bepaalde omstandigheden wel de in de definitie genoemde functie vervullen, terwijl dezelfde stoffen bij anders geaarde individuen en in andere situaties niet onder de definitie vallen. Koffie kan als smakelijke drank worden geconsumeerd, maar ook om wakker te blijven. Alcohol wordt met zeer verschillende intenties gebruikt, rookgewoonten varieren van de gelegenheidsroker tot de kettingroker. Geneesmiddelen kunnen worden gebruikt zonder dat daartoe een medische indicatie bestaat. (Waar in dit rapport het woord 'drug' in een aangehaalde passage voorkomt, kan het uiteraard in een van de gekozen definitie afwijkende zin zijn gebruikt. De betekenis blijkt dan uit de context en zal niet nader worden toegelicht.)

    3. Verantwoording van de werkwijze

    De werkgroep heeft de nadruk willen leggen op haar adviserende taak. Voor het doen van beleidsvoorstellen is echter feitelijke informatie onmisbaar. Dit is ook ten dele in de taakomschrijving tot uitdrukking gebracht, waar onder A naar de oorzaken van het toenemend gebruik van die stoffen die de werkgroep in haar rapport met 'drugs' zal aanduiden, wordt gevraagd.

    Ten aanzien van de mogelijkheid om dé oorzaken aan te geven van het toenemend druggebruik wil de werkgroep het volgende opmerken. Sociale verschijnselen hebben meestal een zo gecompliceerde wordingsgeschiedenis, dat het niet verantwoord is daar een aantal factoren uit te lichten en deze tot de directe oorzaken te bestempelen. Causale verbanden en wisselwerkingen vormen een ingewikkeld netwerk. Het aanwijzen van een aantal geisoleerde oorzaken zoals toenemend hedonisme, toenemende vervreemding, gebrek aan vertrouwen in de toekomst of vlucht uit de werkelijkheid, is misschien aantrekkelijk, omdat het een schijnbare orde schept in de chaos, maar dergelijke verklaringen simplificeren en generaliseren toch te veel een probleem dat zoveel invalshoeken heeft.

    Wel heeft de werkgroep getracht in hoofdstuk 2 de psychische en sociale achtergronden van het toegenomen druggebruik nader te belichten, terwijl in hoofdstuk 3 aandacht wordt besteed aan het verschijnsel subcultuur dat een zo belangrijke rol speelt bij veel druggebruik en ook bij de verspreiding daarvan. Verkenning van de hele problematiek achtte de werkgroep een te ambitieus programma. De uitvoering van een dergelijk programma zou zeer veel tijd vergen en de formulering van enige richtlijnen voor het beleid zou daardoor onverantwoord uitstel lijden. De werkgroep verkeerde echter in de gelukkige omstandigheid dat sedert haar instelling een aantal waardevolle staatsrapporten, waarin juist die achtergronden van het druggebruik worden behandeld, in het buitenland zijn verschenen.

    Zij heeft dankbaar gebruik gemaakt van deze publicaties, met name van het Wootton-rapport en het interimrapport van de Canadese Le Dain-commissie die in Nederland ongetwijfeld reeds bekendheid genieten.

    In Nederland werden regionaal of plaatselijk ook reeds een aantal belangwekkende rapporten gepubliceerd zoals:

    • 'Het drugprobleem staat niet alleen', rapport 1970 van de studiecommissie verdovende middelen ingesteld door het gemeentebestuur van 's-Gravenhage;
    • 'Nood-Zaak', hulpverlening aan jongeren in Noord-Brabant, een nota opgesteld door een werkgroep van functionarissen uit vier provinciale organen,1971
    • Preadvies aan de Raad der gemeente Haarlem inzake het gemeentelijk drugbeleid 1971;
    • Drugs, druggebruik en druggebruikers, van de werkgroep Drugs, Drente 1970;
    • Enkele aspecten van het druggebruik. Verslag van de provinciale gezondheidsdag, gehouden op 13 mei 1969, Zuid-Holland.

    Tenslotte verscheen het rapport 'Ruimte in het drugbeleid' van de stichting algemeen centraal bureau voor de geestelijke volksgezondheid.

    Al deze rapporten hebben veel bijgedragen tot de meningsvorming binnen de werkgroep.

    De werkgroep had een informatief gesprek met de raad voor de jeugdvorming en met vertegenwoordigers van de samenwerkende landelijke club- en buurthuisstichtingen, Salco genaamd, over de ideeën die in deze kringen leven.

    Van verdere gesprekken en hearings heeft de werkgroep moeten afzien.

    De brede samenstelling van de werkgroep maakte het echter mogelijk dat wat door deskundigen in het kleine en overzichtelijke Nederland over drugs werd gezegd of geschreven, door de leden werd ingebracht. Een aantal leden vervult organisatorische functies en wordt uit dien hoofde met de problemen van organisatie en coördinatie van voorlichting en hulpverlening geconfronteerd. Een lid verrichtte een studie in het veld en kon de werkgroep inlichten over de grote verscheidenheid van motieven en gebruikspatronen van druggebruikers.

    Voor een verantwoord drugbeleid zijn kennis van de grootte van het risico dat het gebruik van een bepaalde drug meebrengt en kennis van de ernst van de schade die het gevolg van dit druggebruik kan zijn, onmisbaar. Deze factoren verschillen van drug tot drug. De gevaren mogen in grote trekken als bekend worden verondersteld. De werkgroep heeft voor een kort overzicht van deze risico's en gevaren mede gebruik gemaakt van het geneesmiddelenbulletin 'Omgang met psychotrope stoffen' (1).

    Uit het vorenstaande volgt dat de werkgroep heeft gestreefd naar een globaal en gecomprimeerd overzicht van de risico's en van de psychische en sociale achtergronden van druggebruik. Dit overzicht, vervat in de eerste drie hoofdstukken van het rapport, vormt tesamen met de hoofdstukken epidemiologie van het druggebruik, geldend recht en cannabis, een analyse van de situatie rondom drugs.

    Op het gebruik van en de handel in anifetaminen wordt hier en daar iets uitvoeriger ingegaan. Het gevaar van het ongecontroleerd gebruik van amfetaminen, wordt, naar de mening van de werkgroep, onderschat. Dit blijkt o.a. uit de recente wetgeving inzake deze stof. De werkgroep acht de ontwikkeling op dit gebied bijzonder zorgwekkend, omdat de illegale handel in amfetaminen zich heeft uitgebreid, terwijl waarschijnlijk ook illegale aanmaak in Nederland plaats vindt.

    Aan cannabis is een afzonderlijk hoofdstuk gewijd. Ten aanzien van de werking van deze stof bestaan nog veel onzekerheden. Een inventarisatie van wat wel en niet als vaststaand mag worden aangenomen,leek daarom nuttig.

    Het in de technical report series in 1971 verschenen W.H.O.-deskundigen rapport no. 978 'The use of cannabis', en de gegevens verstrekt tijdens het symposium 'on biochemical and pharmacological aspects of dependence and reports on marihuana research', gehouden te Amsterdam op 30 oktober en 1 november 1971, konden nog in dit laatste hoofdstuk van deel I worden verwerkt.

    De aanbevelingen ziin vervat in deel II.

    4. Indeling van de stoffen

    De stoffen die onder bepaalde voorwaarden aan de door de werkgroep gekozen begripsomschrijving voldoen, behoren tot wat men tegenwoordig ook wel de psychotrope stoffen noemt.

    Een schetsmatig overzicht van de belangrijkste stoffen en producten met psychotrope werking volgt hierna. De indeling is voornamelijk ontleend aan het geneesmiddelenbulletin 'Omgang met psychotrope stoffen' van november 1970(1) en berust deels op de indeling van de psychofarmaca door Delay.

    I. Psycholeptica (overwegend centraal dempende werking) narcotica en aanverwante stoffen, ook wel morfinomimetica genoemd

    opium en opiumderivaten opium, morfine, heroine
    synthetische vervangingsmiddelen van opium en opiumderivaten Dextromoramide (b.v. Palfium), pethidine, methadon
    hoeststillende stoffen codeïne
    alcohol (ethanol)
    klassieke sedativa, barbituraten glutethimide (b.v. Doriden)
    tranquillizers en anxiolotica butobarbital (b.v. Soneryl) Meprobamaat, chloordiazepoxide (b.v. Librium) diazepam (b.v. Valium)

    II. Psychoanaleptica (overwegend centraal stimulerende werking)

    cocaïne
    amfetaminen (wekaminen) en stoffen met een soortgelijke werking amfetamine, metamfetamine, fenmetrazine (b.v. Preludine)
    anti-depressiva imipramine (b.v. Tofranil)
    coffeïne koffie

    III. Psychodysleptica.; Deze worden ook wel als hallucinogenen, psychedelische middelen of bewustzijnsveranderende (-verruimende) middelen aangeduid. (Complexe werking, die o.a. afwijkingen veroorzaakt in het psychisch functioneren.)

    lyserginezuurderivaten L.S.D.
    fenethylaminederivaten S.T.P. (DOM) mescaline
    tryptaminederivaten bufotenine psilocybine, psilocine, DMT en DET
    cannabis (hennep) marihuana, hashish

    Afzonderlijk kunnen nog worden genoemd tabak en roesverwekkende stoffen die als snuifmiddelen worden gebruikt zoals:
    Amylnitriet
    Trichloorethyleen (Tri)
    Ether

    In het vervolg van dit rapport zal koffie buiten beschouwing blijven, daar het gebruik van dit middel in het algemeen niet als een probleem wordt gezien, hoewel m.b.t. koffie een voor de gezondheid schadelijk gebruik wel voorkomt.

    Op het probleem van alcoholmisbruik, nog altijd het grootste drugprobleem, wordt in dit rapport om redenen van efficiency niet ingegaan. Op dit gebied bestaat immers reeds een lange traditie van onderzoek en hulpverlening. Ook een bespreking van alcoholgebruik in het algemeen blijft derhalve in dit rapport achterwege. Wel wordt dit gebruik ter sprake gebracht, als naar de mening van de werkgroep door vergelijking met het gebruik van alcohol, een beter inzicht wordt verkregen in het gebruik van andere drugs.

    De gekozen definitie sluit uit de psychofarmaca (barbituraten, tranquillizers, anti-depressiva en wekaminen) die op medische indicatie worden gebruikt. De werkgroep is zich ervan bewust dat ook op dat terrein problemen liggen die verband houden met het veelvuldig voorschrijven van deze middelen door artsen en de mogelijkheid voor patiënten zich langs legale weg grote hoeveelheden van deze middelen te verschaffen, b.v. door in eenzelfde periode meerdere artsen buiten elkaars medeweten te consulteren.

    Bespreking van deze problematiek valt echter buiten het kader van dit rapport. Wel kan het signaleren van dit 'andere drugprobleem' bijdragen tot het inzicht dat evenals tussen drug en niet-drug ook tussen verantwoord en onverantwoord gebruik de grens niet scherp te trekken is.

    5. Onverantwoord gebruik

    In het reeds eerder aangehaalde geneesmiddelenbulletin (pag. 65) staat:

    'Het omgaan met psychotrope stoffen beweegt zich tussen het gebruik en het uiterst misbruik. Enerzijds het incidenteel adequaat toepassen met een omschreven doel, zoals bij een medisch geindiceerde therapie van psychische stoornissen, dan wel bij de doordachte toepassing ter zelfmedicatie of ter verhoging van het welbevinden (gebruik). Anderzijds het dwangmatige, ondoordachte, herhaalde gebruik met voorbijzien van de nadelen voor het lichamelijk functioneren en de geestelijke stabiliteit (misbruik). Binnen deze uitersten komt een veelheid van variaties voor en daarmee ook in de gevolgen voor de gebruiker, diens naaste omgeving en de maatschappij.'

    Wanneer men ervan uitgaat dat onverantwoord gebruik (zie taak-omschrijving onder B) in elk geval 'misbruik' omvat, dan wordt in deze passage niet een vaste maatstaf gegeven voor onverantwoord gebruik, maar wel een richtlijn voor de beoordeling van het gebruik. Onverantwoord gebruik heeft in dit rapport in zoverre een ruimere betekenis dan misbruik, dat ook het incidentele gebruik van een drug daaronder kan vallen, hetzij omdat ook aan eenmalig gebruik van een kleine dosis van een bepaalde drug (b.v. L.S.D.) grote risico's zijn verbonden, hetzij omdat de gebruikte dosis onder bepaalde omstandigheden te hoog is (alcohol in het verkeer).

    Hoofdstuk 1. Risico's en schadelijke gevolgen die in direct verband staan met het gebruik van drugs

    1.1. Risico

    Onder risico wordt hierna verstaan: kans op een of meer schadelijke gevolgen. De schadelijke gevolgen zullen worden onderverdeeld in schadelijke gevolgen voor het individu en schadelijke gevolgen voor de samenleving. De individuele schade kan van fysieke of van psychische aard zijn. De eerstgenoemde onderverdeling is kunstmatig, daar de belangen van individu en samenleving nauw verweven zijn. De tweede onderverdeling is uit wetenschappelijk oogpunt niet houdbaar, daar moet worden aangenomen dat psychische schade die het gevolg is van gebruik van een drug, veelal berust op neurofysiologische processen, dus een somatische basis heeft, al is over deze processen nog niet veel bekend. Laatstgenoemde indeling wordt dan ook alleen om redenen van overzichtelijkheid gevolgd.

    1.2. Afhankelijkheid van drugs

    Aan het gebruik van drugs is een gemeenschappelijk specifiek risico verbonden: de afhankelijkheid van drugs. De W.H.O. (rapport van het Expert Committee on Drug Dependence, verschenen in 1969) definieert afhankelijkheid van drugs als:

    'Een psychische of soms fysieke toestand, resulterend uit de interactie tussen een levend organisme en een "drug" die wordt gekenmerkt door gedragingen die altijd een dwang inhouden om de drug voortdurend of periodiek te nemen, teneinde zijn psychische effecten te ervaren en soms de onlust van zijn afwezigheid te vermijden.'

    1.3. Fysieke schade

    De fysieke schade die door het gebruik van een drug kan ontstaan, hangt samen met een proces dat door het gebruik van die drug op gang wordt gebracht. Dit proces, waarin factoren van lichamelijke, psychische en sociale aard afzonderlijk of in combinatie een rol spelen, zal hier in het kort worden beschreven.

    Het chronisch gebruik van sommige drugs kan lichamelijke afhankelijkheid teweegbrengen. Deze lichamelijke afhankelijkheid is veelal het gevolg van de gewenning die optreedt bij gebruik van die drug.

    1.3.1. Onder gewenning (tolerantie) wordt verstaan het verschijnsel dat een bepaald effect van eenzelfde dosis van een stof bij herhaald gebruik in intensiteit afneemt. Verhoging van de dosis kan tijdelijk het begeerde psychische effect van de drug alsnog teweegbrengen.

    Het lichaam verliest zijn gevoeligheid voor de verschillende werkingen van een stof echter niet in gelijke mate, zodat bij verhoging van de dosis de voor het lichaam schadelijke effecten, zoals ademremming of verstoring van het hartritme, kunnen worden versterkt. Hierdoor kunnen ernstige functiestoornissen optreden met kans op een dodelijke afloop b.v. door ademstilstand of cardiovasculaire collaps.

    Bij gebruik van bepaalde drugs treedt kruisgewenning op voor de psychotrope effecten van andere drugs.

    Gewenning ontstaat bij alle morfinomimetica, amfetaminen, barbituraten, bij sommige sedativa en misschien bij sommige tranquillizers.

    1.3.2. Ten gevolge van gewenning treedt meestal lichamelijke afhankelijkheid op. Het lichaam wordt voor 'normaal' functioneren afhankelijkvan de drug. Staking van het gebruik leidt dan tot ernstige ziekteverschijnselen, het zogenaamde abstinentiesyndroom.

    Het farmacologisch mechanisme van gewenning en lichamelijke afhankelijkheid is niet precies bekend. Wel is aangetoond dat sommige middelen, b.v. de barbituraten, het lichaam tot meervorming van enzymen stimuleren waardoor het middel sneller wordt afgebroken. Men neemt echter aan dat naast deze metabole gewenning, bij de meeste drugs weefselgewenning een belangrijke rol speelt. Cellulaire of weefselgewenning zou dan een proces zijn waardoor de reactie van zenuwcellen op bepaalde prikkels verandert. De wetenschap bevindt zich op dit gebied echter nog in het stadium van theorie-vorming. (1)

    Gewenning blijkt niet noodzakelijkerwijze tot lichamelijke afhankelijkheid te leiden. Zo ontstaat bij het gebruik van L.S.D. geen fysieke afhankelijkheid, terwijl m.b.t. het gebruik van amfetaminen meningsverschil heerst over de oorzaken van uitputting en honger die optreden na staking van het gebruik.

    (Deze verschijnselen zouden het gevolg kunnen zijn van een tekort aan slaap en van ondervoeding.) Anderzijds kan ook lichamelijke afhankelijkheid van een stof ontstaan zonder dat van gewenning mag worden gesproken. Dit is met name het geval bij alcoholmisbruik.

    1.3.3. Vooral de gebruiker van opiaten die de psychotrope werking van de drug niet wil of kan missen (zie 1.3.6., psychische afhankelijkheid), loopt de kans snel in een vicieuze cirkel te geraken. De gewenning kan aanleiding geven tot hogere doseringen, eventueel tot intraveneus gebruik en de wens de onthoudingsverschijnselen, die meestal optreden bij staking van het gebruik, te vermijden of te beeindigen, versterken weer zijn hunker naar het middel.

    Op den duur is het begeerde psychische effect helemaal niet meer te bereiken en wordt het gebruik alleen gecontinueerd om de onthoudingsverschijnselen tegen te gaan.

    Amfetaminen worden soms gecombineerd met barbituraten teneinde de depressies die na of tijdens het amfetaminegebruik optreden, te ontgaan. Deze combinatie is bijzonder riskant en therapeutisch vrijwel niet te beinvloeden.

    1.3.4. In de werkgroep kwam de vraag aan de orde of er een predispositie bestaat voor het excessief gebruik van een bepaalde drug. Sommige deskundigen nemen een dergelijke predispositie aan, andere verwerpen deze hypothese.

    Ook over de aard van die eventuele predispositie bestaat geen eenstemmigheid. De werkgroep zou in dit verband willen spreken van groepen met een verhoogd risico ten aanzien van excessief gebruik van drugs. Dit verhoogde risico is het gevolg van de ontwikkeling van de persoonlijkheid, de constitutioneel bepaalde gevoeligheid voor bepaalde drugs en de maatschappelijke situatie, of een combinatie van deze factoren.

    Het spreekt vanzelf dat voor het ontstaan van excessief druggebruik, de beschikbaarheid van het middel een belangrijke factor is.

    1.3.5. Onder 1.2. werd gesteld dat aan het gebruik van drugs een gemeenschappelijk specifiek risico is verbonden, t.w. de afhankelijkheid van drugs.

    Besproken werd hoe bij gebruik van bepaalde drugs via gewenning die tot hogere doseringen met voor het lichaam schadelijke effecten leidt, lichamelijke afhankelijkheid kan ontstaan, waardoor de gebruiker in een vicieuze cirkel terecht komt.

    Als belangrijke voorwaarde voor chronisch druggebruik, ook als het gaat om fysieke afhankelijkheid teweegbrengende drugs, werd echter toch de psychische afhankelijkheid van de drug gezien.

    1.3.6. Psychische afhankelijkheid behoeft op zich zelf niet schadelijk of zorgwekkend te zijn. Alle mensen zijn zowel voor hun fysiek als voor hun psychisch welzijn afhankelijk van contacten met hun medemensen. De meeste mensen zijn daarnaast min of meer afhankelijk van bepaalde activiteiten en zaken, zoals arbeid, televisiekijken, verzamelen, sport beoefenen, geld, boeken, snoep. Uit dit vrij willekeurige rijtje blijkt echter dat psychische afhankelijkheid van andere zaken dan drugs soms ook lichamelijke schade kan veroorzaken. Gedacht wordt aan het gebruik van te veel suiker, of nog ruimer: verkeerde voedingsgewoonten in het algemeen, die tegen beter weten in (dwangmatig) worden voortgezet.

    1.3.7. Tot de somatische schade moet ook gerekend worden schade toegebracht aan chromosomen. Het Rijksinstituut Volksgezondheid dat in februari 1971 het eindrapport van een onderzoek 'De invioed van L.S.D. op chromosomen' uitbracht (niet gepubliceerd), concludeert 'dat L.S.D. in vivo een chromosoombeschadigende, of algemener een mutagene werking heeft'.

    De conclusie van een recente publicatie in Science (2), waarin 68 onderzoekingen verricht gedurende de laatste vier jaar, betreffende de schadelijke bijwerking van L.S.D. worden geordend en critisch met elkaar worden vergeleken, luidt dat zuivere L.S.D., toegediend in de gebruikelijke hoeveelheid, geen breuken in de chromosomen en geen aantoonbare genetische schade veroorzaakt. Evenmin zijn er aanwijzingen gevonden dat L.S.D. carcinogeen of teratogeen werkt.

    1.3.8. Het chronisch gebruik van drugs kan ook schade voor de lichamelijke gezondheid van de gebruiker veroorzaken die niet het directe gevolg is van de werking van de drug.

    • Gebruik van amfetaminen, opium, morfine en heroïne doen de eetiust sterk verminderen, waardoor ondervoeding optreedt.
    • Gebruik van veel alcohol verschaft wel veel calorieën, maar niet de benodigde vitaminen en aminozuren,waardoor levercirrhose kan ontstaan.
    • Indien de drug wordt ingespoten, zoals veelal met morfinomimetica gebeurt, kunnen ernstige infecties optreden, doordat de noodzakelijke hygiënische maatregelen, zoals het uitkoken van spuit en naald veelal niet in acht worden genomen.

    Ook bestaat het gevaar van luchtembolie.

    1.3.9. Samenvatting m.b.t. de fysieke schade. De somatische schade die wordt veroorzaakt door het gebruik van drugs, is afhankelijk van de dosis en frequentie en tot op zekere toogte van de gevoeligheid van het individu. Vrijwel alle psychotrope stoffen beinvtoeden in vrij sterke mate vooral het vegetatieve zenuwstelsel; deze invloed is verhoudingsgewijs gering bij nicotine en coffeïne. Gebruik bij wijze van drug (zie definitie) van middelen die een sterke gewenning teweegbrengen, zoals alle morfinomimetica, sommige sedativa en waarschijnlijk sommige tranquillizers levert het risico van overdosering of te langdurig gebruik op. Het gevaar van overdosering dreigt in het bijzonder bij intraveneus gebruik. Dit komt voor bij morfine, heroïne en amfetamine. Tabak neemt in zoverre een afzonderlijke plaats in dat bij het gebruik zeer gemakkelijk een sterke psychische afhankelijkheid ontstaat, terwijl somatische schade na jaren van chronisch roken optreedt.

    1.4. Psychische schade als direct gevolg van het gebruik van drugs

    Op de psychische schade die indirect het gevolg kan zijn van druggebruik, zal onder het hoofdstuk subcultuur nader worden ingegaan.

    1.4.1. Als psychische schade tengevolge van druggebruik moeten in elk geval worden beschouwd: Psychosen en psychotische verschijnselen, hevige paniekreacties met neiging tot zelfmoord en invaliderende persoonlijkheidsveranderingen.

    Psychosen van tijdelijke of semipermanente aard en hevige paniekreacties kunnen ontstaan tengevolge van het gebruik van L.S.D. (mescaline, psylocy-bine) en amfetaminen. Bij gebruik van L.S.D. kunnen dagen, weken of zelfs maanden na het laatste gebruik opnieuw psychotische verschijnselen optreden (flash back).

    1.4.2. Wordt reeds met betrekking tot de lichamelijke effecten van drugs (en medicamenten in het algemeen) de werking niet alleen bepaald door de farmacologische eigenschappen, de gebruikte dosis en de frequentie, maar ook door de gevoeligheid van de individuele gebruiker, dit geldt in nog veel sterkere mate ten aanzien van de psychische effecten van het druggebruik.

    De persoonlijkheidsstructuur van de gebruiker, maar evenzeer zijn stemming op het moment van het gebruik, zijn verwachtingen omtrent de werking van de stof, de sfeer waarin hij de drug gebruikt en de houding van de daarbij aanwezigen, zijn van grote invloed op de werking van de stof op de psyche. Daar er zoveel variabelen in het spel zijn, kunnen de psychische reacties van een bepaald individu op een bepaalde drug niet of nauwelijks worden voorspeld. Ten aanzien van het psychische effect van L.S.D. kan bovendien gesteld worden dat dit soms geheel onafhankelijk van de gebruikte dosis optreedt.

    1.4.3. Moeilijker te beantwoorden is de vraag of milde vormen van bewustzijnsveranderingen en wijzigingen in de gemoedsstemming die optreden ten gevolge van het roken van cannabisproducten zoals marihuana en hashish, en matig gebruik van alcohol, als psychische schade moeten worden aangemerkt.

    Hoe men deze bewustzijnsveranderingen waardeert, hangt af van de levensbeschouwing van de beoordelaar en het mensbeeld dat hem als ideaal voor ogen staat. Schlemper (3) schrijft: 'Dagelijks gebruik van niet onaanzienlijke hoeveelheden hennepproducten gaat post aut propter nogal eens samen met verminderde activiteit. Of men dit als indolentie verwerpt dan wel als contemplatieve instelling verheerlijkt, is een persoonlijke stellingname'.

    Daarnaast dient erop te worden gewezen dat schommelingen in de wijze waarop het bewustzijn functioneert zich bij ieder mens ook zonder druggebruik voordoen, zodat men deze op zichzelf niet als abnormaal of schadelijk behoeft te beschouwen. In dromen, maar ook in dagdromen die vrij algemeen voorkomen, bij het lezen, het kijken naar televisie, film of toneel kunnen bepaalde functies van het bewustzijn worden uitgeschakeld en bepaalde emoties worden geïntensiveerd. Het associatief denken, dat overigens als onderstroom altiid aanwezig is, kan voor enige tijd het strikt logisch denken verdringen. Dit alles ligt binnen de cirkel van het normaal psychisch functioneren. Denken in symbolen , fantaseren , associëren en gericht logisch denken komen in wisselende combinaties bij hetzelfde individu voor, afhankelijk van de situatie waarin hij zich bevindt, maar variëren ook onderling in sterkte van individu tot individu.

    In dit verband dient ook melding te worden gemaakt van het placebo-effect, een effect dat kan optreden bij het innemen van een niet werkzame stof, indien de gebruiker van deze stof in de veronderstelling verkeert dat deze wel werkzaam is en bepaalde verwachtingen omtrent de uitwerking koestert. Bij het gebruik van niet werkzame stoffen die voor cannabisproducten werden aangezien, kon dit effect herhaaldelijk worden geconstateerd.

    1.4.4. Na het roken van hashish en marihuana treden meestal storingen in het 'korte geheugen' op. Waarschijnlijk houden hiermee ook verband het gewijzigde tijdsbeleven en het veranderde associatiepatroon dat de gebruikers vermelden.

    De meeste rokers worden in de eerste fase vrolijk, lacherig en praatlustig. Deze fase wordt ook wel lach-kick genoemd. Later kan een fase van rustige contemplatie of ook wel van versuffing intreden. Van Praag (4) schrijft dat geen eenstemmigheid bestaat over de vraag of onder invloed van cannabisproducten al dan niet stoornissen ontstaan in de coördinatie van de spierbeweging, de aandachtsconcentratie en de zintuiglijke waarneming. De meeste rapporten vermelden echter wel veranderingen in de zintuiglijke perceptie en in het gevoel voor ruimte en tijd.

    Paniekreacties komen wel eens voor, evenals depressies. Deze toestanden duren kort, ze zijn nl. gebonden aan de aanwezigheid van de werkzame stof in het lichaam en ebben spoedig na het stoppen van het gebruik weer weg (4). Deze ervaringen en de vervalsingen van de zintuiglijke waarnemingen grijpen echter niet zo diep aan als dientengevolgevan b.v. L.S.D.-gebruik (5).

    1.4.5. Gesteld wordt wel eens dat het effect van matig gebruik van een cannabisproduct gelijk is aan het effect van overmatig gebruik van alcohol. Bij alcohol zouden niet het zoeken van de roes, maar het sociaal aspect en de smaak de belangrijkste factoren zijn, terwijl bij het roken van marihuana of hashish het 'high' worden centraal zou staan. De werkgroep meent dat het onderscheid niet zo scherp is als door sommige deskundigen wordt aangenomen. Immers niet voor niets worden alcoholhoudende dranken als 'social drink' gebruikt (6). Het woord 'social' duidt op de functie die bestaat in het bevorderen van contact tussen de gebruikers tengevolge van de licht ontremmende werking. In het onderzoek van Gadourek (7) naar de drinkgewoonten in Nederland gaven opvallend weinig personen op terwille van de euforie of psychische nawerking te drinken. Het meest opgegeven motief was gezelligheid, hoewel tevens uit het onderzoek blijkt dat een op de zes volwassen Nederlanders wel eens drinkt tot hij of zij de bedwelmende effecten van alcohol ondervindt. De euforie is dan het meest voorkomende effect.

    Het feit overigens dat naar de mening van de regering, daarin voorgelicht door deskundigen, bij een bloedalcoholgehalte boven 0,5% deelneming aan het verkeer een duidelijk vergrote gevarenkans oplevert (8), duidt er reeds op dat de stoornissen in de psychische en motorische functies die optreden tengevolge van het gebruik van een sociaal geaccepteerde hoeveelheid alcohol, niet onaanzienlijk wordt geacht.

    Misschien moet men stellen dat bij alcoholgebruik de gezelligheid op de voorgrond staat, maar de euforie toch ook niet een te verwaarlozen factor is, terwijl bij het gebruik van hashish en marihuana een zwaarder accent op de euforie valt, maar de gezelligheid eveneens een belangrijke rol speelt.

    1.4.6. Zoals reeds eerder werd gesteld, is aan elk druggebruik een specifiek risico verbonden, de psychische afhankelijkheid.

    Deze afhankelijkheid kan leiden tot preoccupatie met de drug en vooral met het bemachtigen van voldoende hoeveelheden ervan.

    De preoccupatie kan soms zo intens zijn dat er geen energie voor andere activiteiten overblijft. Een dergelijke preoccupatie moet als psychische schade worden beschouwd.

    1.4.7. In de sfeer van de individuele psychische schade rest nog de vraag betreffende de invaliderende persoonlijkheidsveranderingen.

    Excessief alcoholgebruik leidt niet alleen tot lichamelijke, maar ook tot geestelijke invaliditeit.

    Met betrekking tot alle drugs geldt dat de onder 1.4.6. vermelde preoccupatie een vertraging in de geestelijke ontwikkeling teweeg kan brengen. Adolescenten in het bijzonder geraken daardoor in de ongunstige situatie dat de maatschappelijke achterstand soms niet meer of slechts ten koste van grote offers kan worden ingehaald en daardoor een blijvende handicap vormt.

    Deze maatschappelijke handicap heeft vervolgens weer repercussies op de geestelijke ontwikkeling.

    Wat de intrinsieke eigenschappen van cannabis aangaat, zijn de meningen zeer verdeeld. Tegenover de opvatting dat regelmatig cannabisgebruik leidt tot inertie en apathie als gevolg van de werking van deze stof, staat de mening van onderzoekers die een dergelijke verandering in de persoonlijkheidsstructuur van regelmatige gebruikers niet hebben kunnen constateren.

    Aan cannabis zal nog een afzonderlijk onderdeel worden gewijd waarin uitvoeriger op de verschillende aspecten zal worden ingegaan en ook aan de steppingstone-theorie aandacht zal worden besteed.

    1.5. Schade voor de samenleving als gevolg van het gebruik van drugs

    Het gevaar van alcohol in het verkeer geeft een aanwijzing, onderwelke omstandigheden bewustzijnsveranderingen tengevolge van druggebruik in elk geval als een risico voor de samenleving moeten worden beschouwd. Wanneer intensieve naar buiten gerichte oplettendheid, snel reageren en beheersing van de motoriek zijn vereist, zoals in het verkeer en in arbeidssituaties waarbij b.v. apparatuur moet worden bediend, kan de bewustzijnsverandering de prestaties nadelig beïnvioeden, soms zelfs zodanig dat het leven van de gebruiker of van zijn medemensen wordt bedreigd.

    (1) W. Lammers; Farmacologisch mechanisme van verslaving en gewenning, In: W.

    K. van Dijk en L. H. C. Hulsman, Drugs in Nederland, Paul Brand, Bussum 1970. p.

    107- 112.

    (2) Science 30 april 1971, vol.172, no.3982, p.431.

    (3) M. S. H. Schlemper, Stellingname ten aanzien van het gebruik van drugs, Medisch Contact,28 mei 1971,26e jrg. nr. 21, p. 583.

    (4) H. M. van Praag, Marihuana, Folklore en wetenschap, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde,13 febr.1971,115e jrg., nr.7, p.270.

    (5) Rapport van de Werkgroep Drugs Drente, Drugs, druggebruik en druggebruikers, Maandblad van het nederlands huisartsengenootschap, Huisarts en wetenschap, 2 febr.1971,14 jrg., p. 51.

    (6) E. J. Ariëns, Drugs en druggebruik, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 13 febr.1971,115e jrg., nr. 7, p. 281.

    (7) J. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn, J. B. Wolters, Groningen 1963, p.p.117,118,119.

    (8) Ontwerp Wijziging van de Wegenverkeerswet, no. 10.038, Memorie van toelichting, blz.5, onder 3.

     

    Hoofdstuk 2. Psychologische en sociaal-psychologische factoren die samenhangen met het druggebruik

    In dit hoofdstuk zal worden behandeld de motivering die de druggebruikers zelf geven voor het gebruik van drugs.

    Daarbij moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat deskundigen achter deze door de gebruikers zelf aangevoerde motieven nog andere drijfveren menen te onderkennen. Deze zullen eveneens worden besproken.

    2.1. Interimrapport van de Canadese Commissie

    De vraag naar de motieven van druggebruik werd onderzocht door de Canadese 'commission of inquiry into the non-medical use of drugs', hierna te noemen de Le Dain-Commissie, naar de voorzitter van die commissie (1). Deze commissie benoemd op 29 mei 1969 door de minister voor de volksgezondheid en het nationale weizijn, verzond meer dan 750 uitnodigingen aan personen en organisaties om hearings bij te wonen, hun bevindingen op schrift te stellen of mondeling mede te delen.

    Aan deze uitnodiging werd op grote schaal gehoor gegeven. Naar schatting hebben ongeveer 12.000 Canadezen de hearings bijgewoond, die overal in het land werden gehouden. De anonomiteit van de sprekers kon ingevolge het instellingsbesluit van de commissie gewaarborgd worden. Daarnaast consulteerde de Le Dain-Commissie vele deskundigen uit Canada en de Verenigde Staten. De werkgroep meent dat dit onderzoek het inzicht in de motieven van druggebruik belangrijk kan vergroten, daar hier voor 't eerst grote aantallen gebruikers aan het woord worden gelaten die niet op grond van klachten in verband met druggebruik zijn geselecteerd. De hearings vonden op zeer informele wijze plaats hetgeen vrijuitspreken door de deelnemers bevorderde.

    Hieronder volgt een samenvatting van de bevindingen van de Le Dain-Commissie. De werkgroep tekent daarbij aan dat de in het Canadese rapport vermelde uitspraken van druggebruikers blijkens hun inhoud voor het merendeel betrekking hebben op cannabis, hoewel dit in het rapport niet altijd uitdrukkelijk wordt vermeld.

    2.1.1. Met betrekking tot cannabis legden velen er de nadruk op dat men achter het gebruik daarvan niets bijzonders moet zoeken. De gebruikers verzekerden steeds weer dat zij deze drug louter en alleen voor hun plezier gebruikten. De Le Dain-Commissie meent dat men een ernstige vergissing zou begaan wanneer men cannabisgebruik in het algemeen als een pathologisch verschijnsel zou beschouwen. Zij trekt hier een vergelijking met het genot dat matig alcoholgebruik, sexualiteit of voedsel kunnen verschaffen

    2.1.2. Positief waarderen de gebruikers van cannabis de ontspannende werking, het wegvallen van remmingen en de verhoging van het gevoel van eigenwaarde. De omgang met anderen wordt daardoor vergemakkelijkt.

    Daar komt nog bij dat de gebruikers een gevoel van onderlinge verbonden-heid ervaren deels als gevolg van het illegale karakter van het gebruik. De wetenschap dat hun gedrag wordt veroordeeld juist door hen die zich in het algemeen tegen maatschappelijke veranderingen keren, stempelt het gebruik tot een symbool van protest en versterkt het gevoel een eigen identiteit te bezitten.

    Voorts wordt de intensivering van de zintuiglijke waarnemingen als prettig ervaren.

    Nieuwsgierigheid, zucht naar avontuur, lust om te-experimenteren spelen een zeer belangrijke rol bij druggebruik.

    2.1.3. De meeste gebruikers van cannabisproducten beschouwen dit gebruik als een onschuldig tijdverdrijf. Zij die na het gebruik er critisch tegenover staan, voeren meestal als bezwaar aan dat het een zwakke persoonlijkheid kan overheersen en te veel tijd in beslag neemt.

    2.1.4 L.S.D.-gebruikers leggen de nadruk op vergroting van zelfkennis en religieuze ervaringen. Op enige uitzonderingen na, vond de Le Dain-Commissie dat L.S.D. niet regelmatig wordt gebruikt en geen betekenis heeft voor sociale contacten.

    2.1.5. Tot zover de getuigenissen van de gebruikers zelf. De Le Dain-Commissie voegt daar een aantal verklaringen voor het druggebruik, die mede zijn gebaseerd op gesprekken met deskundigen buiten de Commissie, aan toe. Deze verklaringen zijn als volgt samen te vatten:

    2.1.6. Een belangrijke rol speelt de welvaart, vooral in de middenklasse.

    Immers zonder deze zou er geen gelegenheid zijn voor experiment en introspectie. De houding van de jeugd tegenover deze welvaart is ambivalent.

    De welvaart wordt enerzijds als iets vanzelfsprekends aanvaard, anderzijds verworpen. Vele druggebruikers laten zich niet inspireren door het toekomstideaal dat hun ouders hadden; zij voelen niet de behoefte te streven naar materieel succes. Sommigen hebben de indruk dat de oudere generatie geen plezier heeft in de arbeid, dat zij niet gelukkig is. Waarom zouden zij deze levenswijze overnemen? Zij zijn bereid af te zien van traditionele bevredigingen zoals status en materieel succes in ruil voor arbeid waarin zij plezier hebben. Het druggebruik maakt voor hen deel uit van een hedonistische levensstijl waarin geluk en plezier als een vanzelfsprekend doel in het leven worden aanvaard.

    Daarnaast meent de Le Dain-Commissie bij de jeugd een streven te onderkennen om zich voor te bereiden op een tijd waarin er minder arbeid en meer vrije tijd zal zijn. Vele jongeren voelen zich ingevolge de snelle technologische ontwikkeling onzeker over hun arbeidstoekomst en trachten zich voor te bereiden op een leven met relatief weinig beroepsarbeid. Onderzoek naar het eigen ik en veranderde bewustzijnstoestanden zouden wel eens het middel kunnen zijn waarmee jonge mensen, anticiperend op een leven waarin weinig eisen van buitenaf aan hen zullen worden gesteld, trachten hun vrije tijd zinvol te besteden.

    2.1.7. Veel jonge mensen hebben weinig vertrouwen in de toekomst.

    Zij zien zich geconfronteerd met de problemen van kernbewapening, overbevolking, verontreiniging van het milieu, rassendiscriminatie en de groter wordende kloof tussen rijk en arm. Zij kunnen zich geen goed en zinvol leven in deze maatschappij voorstellen, daarzij zich zelf niet in staat achten de loop der gebeurtenissen te be‹nvioeden. Met de uitroep van een jonge vrouw tijdens een hearing 'weinigen van onze generatie geloven dat ze het veertigste levensjaar zullen halen' stemden vele leeftijdsgenoten uit de groep in. De Le Dain-Commissie haalt in dit verband Paul Goodman aan die de nadruk legt op dit punt en schrijft: 'Steeds weer hebben studenten mij verteld dat ze er zeker van zijn de eerstkomende tien jaar niet te zullen overleven'.

    2.1.8. Meer in de individueel psychqlogische sfeer ligt de stress die wordt veroorzaakt door de te grote verwachtingen die de jongeren omtrent zichzelf koesteren en die mogelijk weer het gevolg zijn van overspannen verwachtin-gen van hun ouders.

    Ook de vergroting van de mogelijkheden tot het genieten van onderwijs kan teleurstelling over eigen prestaties met zich meebrengen.

    2.1.9. De Le Dain-Commissie heeft de indruk dat veel druggebruik moet worden gezien als een middel om de stress die de meeste mensen, zowel jong als oud, in de moderne samenleving ondervinden, te verlichten. Dit geldt ook met betrekking tot alcohol en tabak - de meestgebruikte drugs in alle leeftijdsgroepen - en ten aanzien van de grote hoeveelheden Slaapmiddelen die worden geconsumeerd.

    2.1.10. Uit bovenstaande samenvatting van de resultaten van het onderzoek dat door de Le Dain-Commissie werd verricht, komen als factoren die samen-hangen met het druggebruik naar voren: gebrek aan vertrouwen in de toe-komst, een gevoel van onmacht tegenover de grote problemen van deze tiid en het zoeken naar een eigen identiteit Het streven naar verlichting of opheffing van de stress die tengevolge van deze factoren optreedt, kan leiden tot druggebruik. Dit druggebruik wordt soms ingebed in een hedonistische levensstijl.

    Los van dit alles speelt de lust om te experimenteren een rol.

    De maatschappelijke achtergronden van het druggebruik zijn: enerzijds toeneming van de welvaart, waardoor de strijd om het bestaan en de opbouw van een carriere naar het tweede plan zijn verschoven, anderzijds de snelle technologische ontwikkeling die door de jonge generatie wordt beleefd als een bedreiging voor het voortbestaan van de mensheid en die in de individuele sfeer hun beroepstoekomst onzeker maakt.

    2.1.11. De Le Dain-Commissie legt er de nadruk op dat de meerderheid der druggebruikers niet pathologisch is gemotiveerd. Dat neemt niet weg dat de Canadese Commissie in sommige gevallen druggebruik wel als een pathologische keuze beschouwt. Ter illustratie worden genoemd een vlucht in een wereld van illusie door middel van L.S.D., overstimulering met behulp van amfetaminen of passieve isolatie met cannabis.

    2.2. Incidenteel gebruik - regelmatig gebruik

    Naast het oordeel van de Le Dain-Commissie die bij de meerderheid der gebruikers geen pathologie aanwezig acht, maar deze wel bij een niet te verwaarlozen groep signaleert, dient het standpunt van R. S. P. Wiener (2) (3) te worden vermeld.

    2.2.1. Wiener heeft uit eene aantal over druggebruik verschenen studies de indruk gekregen dat onder adolesceuten onderscheid moet worden gemaakt tussen incidenteel, voorbijgaand gebruik, meesta! van cannabis en/of amfetaminen enerzijds, en gebruik dat als incidenteel begint maar overgaat in regelmatig gebruik, anderzijds. Het eerstgenoemde patroon treft men aan bij adolescenten die een moeilijke fase doormaken. Zij vormen de meerderheid der gebruikers. Dit druggebruik acht de schrijver niet verontrustend, het is te vergelijken met het grijpen naar een sigaret op een party om te ontspannen, of het gebruik van wat alcohol na een vermoeiende dag. Ernstiger is de situatie wanneer de behoefte aan drugs frequent optreedt. Ten gevolge van omstandigheden die worden bepaald door leeftijd en groep, is de kans groot dat de gebruiker zijn toevlucht neemt tot drugs, omdat hij er op dat moment niet in slaagt oplossingen te vinden voor zijn fundamentele persoonlijke problemen.

    Ter illustratie citeert de schrijver uit een studie over het gebruik van amfeta-minen. Deze geven een gevoel van zelfvertrouwen en helpen de gebruiker over angst en remmingen heen. Door een dergelijk druggebruik worden innerlijke groei en ontwikkeling uitgesteld: de drugs doen dienst als krukken en er ontstaat gemakkelijk afhankelijkheid. De schrijver wijst erop dat het druggebruik hier de eigenlijke problemen maskeert, het is slechts een symptoom.

    Als deze personen geen drugs zouden gebruiken, zouden ze misschien aan de drank zijn. Als drugs niet verkrijgbaar zouden zijn, zouden zij ook behoren tot mensen die niet goed functioneren en die hulp nodig hebben, aldus deze schrijver.

    2.2.2. De opvattingen van Wiener komen in zoverre overeen met die van de Le Dain-Commissie dat ook Wiener bij de meerderheid der gebruikers geen ernstige psychische stoornissen aanwezig acht.

    De relatie tussen pathologie en gebruikspatroon heeft de Canadese Commis-sie in haar interimrapport niet onderzocht.

    2.3. Afweer van agressie; identiteitsproblemen

    In Nederland wordt door deskundigen nadruk gelegd op de hierna te noemen motieven.

    2.3.1. Mulder (4) (5) acht de sociologische verklaring dat de jongeren in de huidige samenleving steeds meer drugs gebruiken als een vorm van protest tegen de structuur van onze westerse, sterk op wedijver ingestelde samenleving niet helemaal bevredigend. Naar zijn mening zijn de jongeren van deze tijd agressiever dan in het algemeen wordt aangenomen. Deze agressiviteit kan met een aantal biologische gegevens in verband worden gebracht. De jeugd in de westerse landen is gemiddeld 10 cm groter dan de jongeren omstreeks 1900. Bovendien bereikt zij deze lengte ook twee jaar eerder. De sexuele rijpheid treedt ongeveer anderhalf a twee jaar vroeger op dan voorheen.

    'De psychologische rijping houdt echter veelal geen gelijke tred met de lichamelijke ontwikkeling. Vele jeugdigen staan wantrouwend tegenover vitaal driftmatige strevingen. Veel jongeren zijn aanmerkelijk groter dan hun ouders. Hun volwassen lichaam geeft hun problemen te verwerken die zij geestelijk nog niet aan kunnen en die daarom verwarrend en soms zelfs angstverwekkend werken. Zij worden geconfronteerd met gevoelens en sensaties die zij zelf niet de baas kunnen en die daarom afgeweerd moeten worden. Bij het onderzoek van jongeren die psychedelische middelen gebruiken, krijgt men vaak de indruk dat deze stoffen een rol hebben moeten spelen in deze afweer. Zij vertonen nl. vaak een attitude die men met de term passiviteits-syndroom zou kunnen omschrijven. Hun gedrag wordt gekenmerkt door een zekere mate van indolentie en inactiviteit en zij lijken totaal gespeend van enige vorm van agressiviteit. Zij zijn schijnbaar meegaand en vriendelijk, doch in wezen zijn zij dit niet. Ook de sexualiteit lijkt bij hen een geringe rol te spelen. Bij een nader onderzoek blijkt echter dat zowel de agressiviteit als de sexualiteit wel degelijk aanwezig zijn, maar dat deze als gevaarlijk en angstaanjagend ervaren worden en dat zij daarom op een effectieve manier door psychedelische middelen worden verdrongen.' (5).

    2.3.2. Een klein systematisch onderzoek naar de motieven en psychologi sche achtergronden van druggebruik werd gepubliceerd door G. Mik, jeugdpsychiater te Groningen (6). Schrijver startte in Groningen in juli 1969 met een zeer informeel ingericht spreekuur voor jongeren tussen 15 en 30 jaar. Het totale aantal bezoekers bedroeg tot 19 oktober 1970, dus gedurende één jaar en drie maanden, 600, t.w. 374 mannelijke en 226 vrouwelijke bezoekers.

    Van de eerste 200 bezoekers wordt een nadere analyse gegeven.

    Onder de aanmeldingsproblemen valt op het grote percentage identiteitsproblemen, door Mik nader aangeduid met: 'wie ben ik, waar ga ik naar toe, wat is mijn relatie tot de wereld, wat leeft van mijn verleden in mij'. Het probleem wordt in 21 procent der gevallen als zodanig gebracht, maar komt ook in de rubrieken, werkstoornissen en depressies, naar voren, in het totaal in 40 procent der gevallen en wel vooral bij jongens.

    Ongeveer 40 procent van de bezoekers deelde spontaan mee ooit wel eens drugs te hebben gebruikt. Bij verder navragen bleek het dan meestal een experimenteel, vaak incidenteel gebruik te betreffen. Van hen gebruikte 73 procent hashish of marihuana. Deze stoffen tesamen met L.S.D. werd door ongeveer 24 procent, en de combinatie L.S.D./opiaten door ongeveer 3 procent gebruikt. Op het spreekuur onderscheidden de druggebruikers zich ten aanzien van de overige bezoekers, wier intelligentieniveau reeds aanzienlijk boven het gemiddelde lag, door een nog hoger intelligentieniveau.

    Mik trof bij hen onder meer: een versterkte identiteitsproblematiek aan, vergeleken bij de overige bezoekers. Ongeveer driekwart van de druggebruikers vertoonde geen ernstige psychische stoornissen. Dat was in zeer sterke mate wel het geval bij degenen die opiaten gebruikten. 'Hun karakterstructuur was als dermate gestoord te kwalificeren dat zij ongetwijfeld aan andere verslavingen (alcohol, gokken, bepaalde delicten) ten prooi zouden zijn gevallen wanneer zij niet met drugs waren geconfronteerd'. (6)

    2.4. Nieuwsgierigheid, lust om te experimenteren

    Een aantal onderzoekingen verricht door het criminologisch instituut te Groningen leverde de volgende gegevens on:

    2.4.1. In een veldonderzoek in Gieten(7) werden 54 druggebruikers gevraagd waarom zij waren begonnen met het druggebruik. Op deze vraag werd door de meesten (44) geantwoord met 'nieuwsgierigheid, behoefte om te experimenteren'. De eerst gebruikte drug was in alle gevallen hashish of marihuana. De 54 ondervraagde jongeren behoorden tot de bezoekers van een jeugdcentrum waar drugs werden gebruikt. Van hen ging 25% op den duur over op sterkere middelen. Dit bleek gepaard te gaan met een verschuiving van de motieven. Nieuwgierigheid had als factor aan betekenis ingeboet, vermoeidheid en depressies kwamen meer op de voorgrond (33%).

    2.4.2. In het onderzoek van Buikhuisen e.a.(8), verricht onder middelbare scholieren die 20 maal of vaker drugs hadden gebruikt, gaf het merendeel van de proefpersonen als reden voor het eerste gebruik nieuwsgierigheid op (55%). Twee andere dikwijls genoemde redenen waren: moeilijke omstandigheden (28%) en het toevallig in een situatie komen waarin drugs werden gebruikt (11%).

    2.5. Persoonlijkheidskenmerken van druggebruikers

    Naar persoonlijkheidskenmerken van druggebruikers werd een aantal onderzoekingen verricht.

    2.5.1. Timmerman en Buikhuisen(9) verrichtten een onderzoek onder scholieren die drugs gebruiken, waarbij weer het criterium dat iemand 20 maal of vaker moet hebben gebruikt, werd gehanteerd. Zij vergeleken een groep van 44 gebruikers met een groep van 44 niet-gebruikers, gematcht op sexe en school en werkten daarbij met vijf persoonlijkheidstests. De gebruikers scoorden hoger op de neuroticisme schaal en de sensation-seeking schaal, waren meer van mening dat onze maatschappij een anomisch karakter heeft en scoorden lager op de socialisation-schaal, dan niet-gebruikers.

    De onderzoekers merken op dat op grond van dit onderzoek niet vastgesteld kon worden of de gevonden verschillen reeds bestonden v66rdat men drugs gebruikte of pas ontstaan zijn nadat men zijn intrede gedaan had in dit milieu.

    2.5.2. Dezelfde auteurs bespreken in hun artikel (9) een onderzoele van McGlothlin e.a. dat als volgt wordt samengevat:

    'Zonder het doel van het onderzoek te vermelden, testten zij een groep proef-personen. Daarna vroegen zij de betrokkenen mee te werken aan een L.S.D.-experiment. 25 Personen weigerden L.S.D. te nemen, 11 wilden wel meedoen, maar waren bang voor L.S.D. De overigen gaven zonder bezwaar hun medewerking of stonden zelfs positief tegenover het experiment. De onderzoekers vergeleken nu de testscores van deze laatste proefpersonen met die van de proefpersonen die niet mee wilden doen of bang waren voor L.S.D. Duidelijke verschillen traden naar voren.

    De weigeraars bleken meer deel uit te maken van organisaties of verenigingen, planmatiger te leven, meer conventioneel te zijn en feitelijker ingesteld. De proefpersonen die wel mee wilden doen aan het experiment bleken meer intu‹tief ingesteld te zijn, introverter, nonchalanter, excentrieker, meer gevoelig voor prikkels en psychopatischer'.

    De uitkomsten van een ander (veld) onderzoek van McGlothlin e.a.(10) leverde aanvullende informatie op met betrekking tot de psychologische kenmerken van hennepgebruikers. De auteurs vonden met name een aantal interessen en activiteiten welke een samenhangend patroon leken te vormen. Deze betroffen (a) een voortdurend bezig zijn met methoden welke veranderde bewustzijnstoestanden kunnen opwekken; (b) een ongestructureerde en betrekkelijk onstabiele levensstijl. Dit zoeken naar veranderde bewustzijnstoestanden kwam tot uiting in het experimenteren met allerlei drugs, maar tevens in andere activiteiten en reactiepatronen. Zo waren zij gevoeliger voor hypnotische suggesties, geloofden vaker in de waarde van astrologie en paraspychologische verschijnselen, beoefenden niet zelden meditatie en Yoga-technieken of verdiepten zich in Zen. Tevens waren zij vaker geneigd om hun inzicht in zichzelf te verdiepen door psychotherapie. Met betrekking tot hun levensstijl hielden zij meer van een hoog stimulatieniveau, onzekerheid en risico, dan van zekerheid en structuur. Dit kwam tot uiting in een meer dan gemiddeld aantal veranderingen van wonen, werk en huwelijkspartner. De maatschappelijke werkelijkheid deed hen niet veel, maar zij waren niet vervreemd in persoonlijk opzicht.

    2.5.3. Een onderzoek van Tellegen(11) bracht voornamelijk de meer non-conformistische instelling van hennep gebruikende studenten aan het licht. Tellegen vergeleek 63 studenten, die nooit hennep gebruikt hadden met 42 studenten, die wel hennep gebruikten, zij het op een zeer matige wijze.

    Laatstgenoemden bleken met betrekking tot sexuele contacten actiever en permissiever te zijn; zij hadden meer 'linkse' opvattingen, gingen minder naar de kerk, maar hadden wel meer interesse voor meditatie, Yoga etc. Thuis hadden zij vaker conflicten gehad, waren ongehoorzamer en waren vaker weggelopen. Zij hadden het thuis ook minder goed kunnen vinden en voelden zich in hun jeugd minder gelukkig. Op de psychologische tests bleken de verschillen gering te zijn, met dien verstande dat de 'hashish-probeerders' wat minder rigide en dogmatisch waren.

    2.5.4. Een groot onderzoek naar het druggebruik onder Amerikaanse studenten werd recentelijk verricht door Blum en zijn medewerkers(12). Ze gebruikten bij dit onderzoek een verscheidenheid aan onderzoek 'instrumenten', t.w. participerende observatie, casestudies, beoordelingsschalen, 'panel'studies, vragenlijsten, dagboekstudies, diepte-interviews en sociometrische methoden. Zij vonden dat het campusmilieu een belangrijke rol speelde bij het druggebruik, maar dat daarnaast persoonlijkheidsvariabelen van invloed waren. Timmerman en Buikhuisen (9) vatten dit onderzoek als volgt samen: 'Op grond van de testuitslagen geeft Blum het volgende beeld van de gebruikers. Zij zijn artistieker, doen van buiten sympatiek aan, ze zijn geinteresseerd in geestelijke vraagstukken, toleranter, spontaner, ze hebben minder belangstelling voor de werkelijkheid of voor conventies, ze zijn tegen de bestaande orde, kunnen slecht spanning verdragen, voelen zich vaak onzeker, en ze zijn minder betrouwbaar'.

    2.5.5. Gadourek (13) vond bij druggebruikers een levendigere deelneming aan het culturele- en sociale leven dan bij de gemiddelde Nederlander. Als maatstaf dienden schouwburg- en concertbezoek, bezoeken aan vrienden en het frequenteren van cafes en restaurants.

    2.6 Vergelijking van de verschillende opvattingen en conclusie

    Wanneer men de opvattingen over de motieven en de psychische en sociale aspecten van het druggebruik die hierboven aan de orde kwamen naast elkaar legt, treft een zekere mate van overeenstemming ten aanzien van de belangrijke rol die identiteitsproblemen, insufficientiegevoelens en gevoelens van onmacht spelen in verband met regelmatig druggebruik. Drugs dienen, naar algemeen wordt aangenomen, vooral om de stress waarin vele jongeren met deze problemen leven, te verlichten.

    De Le Dain-Commissie ziet de gevoelens van onmacht voor een deel als een reactie op een reele bedreiging. Sommige deskundigen leggen meer het accent op stoornissen in de geestelijke ontwikkeling. Mik meent dat veel individueel-psychologisch bepaalde onmacht-almachtsproblematiek wordt versterkt door het gevoel van onmacht de maatschappij te veranderen en door de angst deze binnen te treden.

    Mulder ruimt een belangrijke plaats in aan verdrongen agressie. Ook Mik constateerde bij de hele groep van adolescenten die hem consulteerde een hoog percentage, t.w. 40 procent, problemen rond de agressie, zich uitend in afweer van agressie met de daaruit voortvloeiende activiteitsproblemen. Beider verklaring van indolent gedrag, van gebrek aan activiteit is dezelfde voor zover zij dit gedrag terugvoeren tot afweer van agressie.

    Mulder brengt deze afweer vooral in verband met biologische factoren. Mik meent dat ook sociale faktoren een belangrijke rol kunnen spelen.

    Eensgezindheid is er over de voorbijgaande aard van veel druggebruik.

    Sommige deskundigen menen dat druggebruik de oplossing van persoonlijke problemen, vooral identiteitsproblemen, niet in de weg hoeft te staan. De Le Dain-Commissie kent aan druggebruik bij het oplossen van identiteitsproblemen in sommige gevallen zelfs een positieve werking toe.

    De uitkomsten van onderzoekingen naar de persoonlijkheidskenmerken van druggebruikers wijzen in de richting van non-conformisme, geringe rigiditeit, tolerantie, naar binnen gekeerdheid, bereidheid tot het nemen van risico's, artisticiteit en een betrekkelijk onstabiele levensstijl.

    Concluderend meent de werkgroep dat de onderscheiden hypothesen ter verklaring van druggebruik elkaar niet zozeer tegenspreken als wel aanvullen. Men dient zich daarbij te realiseren dat de verschillende onderzoekers vanuit verschillende gezichtspunten werkten. Sommige legden de nadruk op klinische aspecten, andere bestudeerden psychologische kenmerken in bredere zin. De onderzoekers werkten ook met verschillende instrumenten, en onderzochten onvergelijkbare populaties.

    Drugs worden voornamelijk door adolescenten gebruikt. Nederlandse onderzoekingen wijzen uit dat nieuwsgierigheid een belangrijke driifveer is als het gaat om beginnend druggebruik.

    Regelmatig druggebruik vindt de werkgroep problematisch. Hier ligt tevens een onopgelost vraagstuk. De in dit hoofdstuk vermelde psychische moeilijkheden behoren alle tot de hedendaagse adolescentenproblematiek, maar zijn niet specifiek met druggebruik verbonden. Er zijn aanwijzingen dat bepaalde problemen in versterkte mate bij druggebruikers leven, maar een systematisch onderzoek daarnaar met behulp van een controle-groep van niet-gebruikers werd nog niet verricht.

    Het ontbreken van deze specificiteit treft vooral in het rapport van de Le Dain-Commissie.

    Een uitgangspunt voor systematisch onderzoek in Nederland naar de motieven voor regelmatig druggebruik vormen de onderzoekingen verricht door het criminologisch instituut te Groningen, waarbij wel controlegroepen werden betrokken.

    (1) Interim Report of the commission of inquiry into the non-medical use of drugs, Information Canada, Ottawa 1970.

    (2) R.S.P.Wiener, The Health Educational Journal, Vol. 29 nr.3, Sept.1970.

    (3) R.S.P. Wiener, Drugs and Schoolchildren, Longmans 1970.

    (4) W. G. Mulder, Verslaving, Querido Amstefdam 1969.

    (5) W. G. Mulder, Psycho-hygienische aspecten van het druggebruik, Verslag van de Provinciale gezondheidsdag 1969, uitgave Provinciale Raad voor de Volksgezondheid in Zuid-Holland.

    (6) G. Mik, Ervaringen met jongeren van nu vanuit een nieuwe vorm van hulpverlening, Maandblad van het Nederlands huisartsengenootschap, Huisarts en wetenschap,2febr.1971,14e jrg.

    (7) Druggebruik in Gieten, een veldonderzoek verricht onder auspicien van het criminologisch instituut van de rijksuniversiteit Groningen.

    (8) W. Buikhuisen e.a., Druggebruik: de eerste kennismaking, Nederlands tijdschrift voor criminologie, sept.1970,12e jrg.

    (9) H. Timmerman en W. Buikhuisen, Psychologische kenmerken van scholieren die drugs gebruiken, Nederlands tijdschrift voor criminologie, sept.1970,12e jrg.

    (10) W. H. McGlothlin 'Marijuna use among adults,' stencil 1971.

    (11) P. Tellegen, Non-conformisme en het gebruik van hashish onder studenten, Nederlands tijdschrift voor criminologie, sept.1970,12e jrg.

    (12) R. H. Blum & associates. Student and drugs, Jossey-Bass Inc., San Francisco, 1969 en 1970.

    (13) J. Gadourek en J. C. Jessen, Prosciption and acceptance of drugs-taking habits in the Netherlands, Mens en maatschappij, herfst 1971,46e jrg., nr.4.

     

    Hoofdstuk 3. Sociale aspecten van het druggebruik

    In het vorige hoofdstuk kwam herhaaldelijk ter sprake het zoeken naar een eigen identiteit in de adolescentiejaren. De werkgroep wil ten aanzien van het begrip identiteitsproblemen hier enige kanttekeningen maken.

    Vragen naar en onzekerheid omtrent de eigen identiteit treden in het algemeen tijdens pubertijd en adolescentie op, en spelen een normale rol in het individuatie-proces. (Overal elders in dit rapport worden puberteit en adolescentie samengevat onder 'adolescentie'.) Als identiteitsproblemen op die leeftijd geheel zouden ontbreken, zou dit zelfs een reden tot ongerustheid kunnen vormen. De werkgroep meent dan ook dat jongeren die zich gesteld zien voor de opgave identiteitsproblemen te verwerken, in een normale, aan leeftijdsfase gebonden levenssituatie verkeren. De integratie van de jeugdigen in de z.g. volwassenwereld is te beschouwen als een emancipatieproces. De verwerking van allerlei crisis-situaties kan mislukken, dit geldt ook met betrekking tot de verwerking van identiteitsproblemen. Bij hun pogingen deze problemen op te lossen, zien sommige jongeren mogelijkheden in het experimenteren met drugs. Anderen trachten de problemen door het gebruik te ontvluchten.

    Bij dit alles speelt ook de interactie binnen groepen van leeftijdsgenoten, waarbij groepsleden zich orienteren op de leiders, een belangrijke rol.

    3.1. Generatiebewustziin

    In het rapport van de werkgroep Drugs Drente(1) wordt gesteld dat 'de rol van de volwassen opvoeder als identificatieobject steeds kleiner wordt, terwijl de groep leeftijdsgenoten deze functie overneemt'. 'De groep vijftien-tot vijfentwintigjarigen van nu', aldus dit rapport, 'heeft een veel groter groeps/generatiebewustzijn dan die van vroeger.' De communicatiemedia en de handel die de jeugd als nieuw en koopkrachtig publiek ontdekten, hebben zeker tot deze ontwikkeling bijgedragen, zoals in dit rapport wordt gesteld. Daarnaast zijn echter een aantal factoren, die in het vorige hoofdstuk aan de orde kwamen, van invloed op de kracht waarmee de jongeren zichzelf als groep presenteren.

    3.2. Ideologische achtergrond

    De angst die kenmerkend is voor de adolescentieperiode wordt versterkt door de groter geworden discrepantie tussen biologische en emotionele rijping, terwijl ook de als dreigend ervaren hedendaagse problemen die angst nog verhevigen. Een deel van de jeugd zoekt een uitweg via een nieuwe levensstijl die tot een betere, minder angstwekkende samenleving zal leiden. Zij willen de heersende ideologie waarin naar hun mening het accent ligt op arbeid, prestatie en competitie en die een materialistische, gevoelsarme samenleving heeft voortgebracht, vervangen door een nieuwe ideologie, meer gericht op samenwerking, creativiteit en diepergaande menselijke contacten. Daarnaast is er het streven om zich voor te bereiden op een leven waarin de beroepsarbeid een minder belangrijke plaats zal innemen dan nu het geval is (2) (3). In deze ideologie kunnen reizen, mediteren en ook druggebruik worden ingepast. Druggebruik is echter niet onlosmakelijk met bovengeschetste ideologie verbonden. Enerzijds zijn er veel jongeren die een dergelijke levens- en maatschappijbeschouwing aanhangen zonder drugs te gebruiken, anderzijds gebruiken veel jongeren drugs zonder daaraan een bepaalde levenshouding te verbinden. Bovendien vindt men, evenals bij andere idealistische stromingen, ook hier niet zelden een discrepantie tussen de ideologie die wordt aangehangen en de dagelijkse praktijk. De hierboven geschetste ideologie geeft slechts het klimaat aan waarin het druggebruik snel in omvang kon toenemen.

    3.3. Snelle verspreiding

    Bij de toeneming dient ook te worden bedacht dat bewust levende jongeren die verscheidene door de samenleving in meerderheid vanzelfsprekend geachte of althans aanvaarde toestanden verwerpen, omringd worden door meelopers die de andere levensstijl van deze 'zoekers' overnemen, zonder zelf deel te hebben aan hun geestelijke achtergrond. Het verschijnsel 'meelopers' is overigens niet beperkt tot druggebruik, subcultuur of jeugd.

    Voorts verspreiden sociale verschijnselen zich tegenwoordig bijzonder snel over grote geografische afstanden, zodat bewegingen die in de Verenigde Staten hun oorsprong vonden als reactie op gebeurtenissen en situaties daar - de oorlog in Vietnam, het negervraagstuk, de automatisering - in korte tijd West-Europa bereikten. Ook hier speelt naast echte verontrusting een mode-aspect dat stimuleert tot nabootsing, een rol.

    3.4. Subsultuur

    In verband met de van het heersende waardesysteem afwijkende ideologie valt dikwijls het woord subcultuur, waarbij niet altijd duidelijk is waarop men precies het oog heeft. Elke pluriforme maatschappij is opgebouwd uit groeperingen en kringen die worden gekenmerkt door een eigen stijl. Het begrip

    subcultuur werd in de sociologie oorspronkelijk gebruikt ter aanduiding van de leefwijze van minderheidsgroepen in een gedifferentieerde samenleving. Zo werd in de Verenigde Staten gesproken van de kerncultuur of dominante cultuur van de engelstalige, protestante middenstanders tegenover de subcultuur van b.v. Rooms-Katholieken, Italianen of Polen, negers en arbeiders.

    Daarnaast heeft het woord subcultuur een tweede betekenis gekregen in de zin van 'underground'. Het gaat hier om de leefwijze van de jongeren in de Verenigde Staten en vele landen van West-Europa die de hierboven geschetste ideologie in allerlei variaties aanhangen en zich ook in haardracht en kleding onderscheiden van hen die naar hun mening tot het 'establishment' behoren.

    Deze jeugd-subcultuur oefent een steeds grotere aantrekkingskracht op de jongeren uit. De omvang van deze stroming zowel wat betreft het aantal jongeren als met betrekking tot de geografische spreiding, doet vermoeden dat hier meer aan de hand is dan het van ouds bekende generatieconflict.

    3.5. De 'Scene'

    Zoals reeds werd vermeld, bevordert de sfeer in deze subcultuur het druggebruik, voor een deel wordt de sfeer echter ook weer bepaald door dit gebruik. Toch zou de werkgroep de jeugd-subcultuur niet gelijk willen stellen aan de 'scene'. In de subcultuur worden de risico's van matig druggebruik geaccepteerd, terwijl in de 'scene' het druggebruik centraal staat. De 'scene' bestaat uit een groep of een aantal elkaar overlappende groepen waarvan de leden elkaar min of meer regelmatig ontmoeten en drugs gebruiken. Muziekbeleving en een speciaal taalgebruik spelen een belangrijke rol in de 'scene'.

    3.6. Proselyteren en handel

    Bij de 'scene' horen 'omturnen' en handel.

    3.6.1. Iemand overhalen om ook bepaalde drugs te gebruiken, heet 'omturnen'. In de literatuur wordt dit proselyteren genoemd. Dit proces verloopt anders bij opium dan bij hashish en L.S.D. De belangrijkste elementen in het omturngedrag zijn:

    a. Een vorm van imitatie.

    De gebruiker leert uit gesprekken met anderen dat omturnen min of meer van hem verwacht wordt.

    b. Het verlangen om vrienden iets nieuws te leren.

    Men heeft zelf pas kennis gemaakt met een bepaalde stof en die ervaring leren waarderen, nu wil men anderen in die aangename ervaring laten delen. Wanneer de poging succes heeft, kan men er zelfs een zekere status aan ontlenen.

    c. Een vorm van magisch denken.

    Men gelooft dat slechts een enkele drugervaring voldoende is om iemand ten goede te veranderen, o.a. doordat bepaalde remmingen en conditioneringen worden opgeheven.

    Vooral beginnende druggebruikers tonen vaak een zekere geestdrift met betrekking tot het omturnen.

    Uit het onderzoek van Cohen (4) blijkt dat 86% van de ondervraagde gebruikers van hashish deze stof de eerste keer van vrienden kreeg. Opiumgebruikers gedragen zich terughoudender in het aanbevelen. Blijkens hetzelfde onderzoek haalt 77% van de opiumgebruikers anderen nooit over tot dit gebruik, tegen 36% van de hashishgebruikers. Daarentegen heeft toch nog 75% van de opiumgebruikers deze stof voor het eerst van vrienden gekregen. Uit laatstgenoemd gegeven kan men concluderen dat ook bij opiumgebruik vrienden een belangrijke rol spelen.

    3.6.2. Tussen handelstransacties en vriendendiensten bestaat, anders dan lange tijd werd aangenomen, een nauw verband. Het merendeel van de handelstransacties in drugs vindt plaats tussen vrienden en kennissen. Dikwijls is dit eerder een vorm van dienstverlening dan een commerciele aangelegenheid. Iemand ontdekt toevallig hashish van goede kwaliteit en koopt meer dan hij de eerste tijd kan gebruiken, in de wetenschap dat hij altijd een gedeelte kan doorverkopen als hij geld nodig heeft. Soms brengt een aantal mensen geld bij elkaar om toor het kopen van een grotere hoeveelheid een betere prijs te kunnen bedingen.

    De illegale handel in het binnenland wordt voornamelijk bedreven door de kleine handelaar en de handelaar-gebruiker.

    Deze laatste koopt om zelf te gebruiken maar ook om een deel weer te verkopen en op deze wijze zijn eigen gebruik te bekostigen. Onder deze kleine handelaren vindt men wel delinquenten maar niet de echte onderwereldfiguren. De handel speelt zich vooral af in de wereld van druggebruikers die geinvolveerd zijn in de 'scene'. Amsterdam waar veel jongeren uit binnen- en buitenland elkaar ontmoeten, is het belangrijkste centrum voor deze handel.

    In de illegale internationale handel gaat het om veel grotere hoeveelheden. Hoewel een enkele maal personen die tot de onderwereld behoren zich bemoeien met de internationale handel in verdovende middelen, zijn het toch hier ook vooral de jongeren uit de subsultuur die een belangrijke rol spelen. Zij maken een reisje naar het Verre- of Midden-Oosten, komen met een bepaalde hoeveelheid hennepproducten terug en kunnen met de verkoop daarvan hun onkosten ruimschoots vergoeden. De smokkelwaar wordt soms normaal in de bagage vervoerd, maar zit ook vaak verborgen in andere goederen of in koffers met dubbele bodem.

    Een bekende vorm van internationale handel is het verzenden van hennep producten uit landen in het Oosten, verpakt in onschuldig uitziende goederen, zoals meubelen, poppen of beesten.

    Wanneer het om kleine hoeveelheden gaat die in kleine pakjes kunnen worden geborgen, wordt eerst in ons land een contactadres gezocht waarheen men de pakjes kan zenden. Vervolgens worden de pakjes door iemand bij de contactadressen opgehaald, waarna de handel kan beginnen. Veelal weet degene bij wie de pakjes worden thuisbezorgd, niet eens precies waar het om gaat.

    Wanneer een grotere partij het land binnenkomt, wordt deze ergens verdeeld en in gedeelten naar een aantal adressen gebracht van waaruit men de handel voortzet.

    Recentelijk hebben zich een aantal gevallen voorgedaan waaruit blijkt dat ons land ook wordt gebruikt als transitoland. Meerdere malen werden buitenlanders op Schiphol aangehouden in het bezit van grote hoeveelheden hashish die men had willen meenemen naar andere landen. Deze partijen varieren van enkele tot enige tientallen kilogrammen.

    Een door Cohen uitgevoerde nadere analyse van de handelspatronen bij de verschillende drugs wijst uit dat de handel in hashish de grootste spreiding vertoont, terwijl de opiumhandel de minste deelnemers telt. L.S.D. en amfe-taminen nemen een tussenpositie in (4).

    Uit het onderzoek van Buikhuisen e.a. naar de eerste kennismaking met drugs(5) bleek dat iets meer dan de helft van de gebruikers drugs uitsluitend via vrienden kreeg. De rest (43%) kocht de middelen ook wel eens van een handelaar.

    De verhouding tussen de opiumhandelaar en de opiumgebruiker is anders dan de relatie tussen de handelaar in hashish en/of L.S.D. en de gebruiker.

    De opiumhandelaren worden niet zelden 'achtervolgd' door de gebruikers die dit middel op alle uren van de dag en de nacht nodig hebben. Dit is ook de reden waarom hashish handelaren niet graag met opium beginnen . Zij wensen niet in het holst van de nacht uit hun bed gebeld te worden. Anderzijds hebben de opiumhandelaren een vrij grote machtspositie, omdat zij iemand een door hem zeer gewaardeerd middel kunnen geven of onthouden.

    Weer anders verloopt de handel in L.S.D. Er zijn meer handelaren en hun afnemers achten hun behoeften met vijf tot tien trips voor maanden, zo niet voor jaren gedekt. Met het kopen van L.S.D. kan men zo nodig rustig wachten tot zich een gelegenheid voordoet om het te kopen. Een band met de handelaar - vaak ook verkoper van hashish - is er dientengevolge niet. Op het allerlaagste niveau - straathandel - is er nogal eens sprake van bedrog, maar daar staat tegenover dat ook trips worden weggegeven of tegen lage prijzen verkocht.

    Tot voor kort werd bijna uitsluitend in cannabis, L.S.D. en opium gehandeld.

    Af en toe werden kleine hoeveelheden heroine binnengesmokkeld.

    Reeds vanaf 1964 werd regelmatig amfetamine aangeboden in kleine hoeveelheden met incidentele 'pieken'. Sedert 1970 valt echter een verontrustende toeneming van amfetaminen op de illegale markt te constateren, mede ten gevolge van het optreden van handelaren die zich min of meer in deze stoffen hebben gespecialiseerd.

    3.7. Invioed van de subcultuur op de participanten

    De subcultuur 'waarin', zoals Beerling (6) het uitdrukt 'een zekere beschutting wordt gezocht tegen de snijdende wind die buiten waait', heeft positieve aspecten, maar bergt ook grote gevaren in zich.

    3.7.1. Gebruikers van cannabis komen er in aanraking met andere drugs en dit kan tot riskante experimenten leiden. Uit het eerder genoemd onderzoek van Cohen blijkt dat van de regelmatige gebruikers van cannabis 70% incidenteel ook andere drugs gebruikt. Dit is waarschijnlijk niet een bevestiging van de 'klassieke' steppingstone-hypothese, waarop in hoofdstuk 6 nog zal worden teruggekomen, maar het gevolg van contacten binnen de subcul-tuur.

    3.7.2. De subcultuur kan een functie vervullen bij de volwassenwording.

    Allerlei interessen kunnen avorden gewekt en versterkt, sociale contacten kunnen worden verbeterd en uitgebreid. De suboultuur kan echter ook het individu in een steeds groter isolement drijven. De subcultuur is geen panacee tegen de eenzaamheid, sommigen zullen zich er steeds eenzamer gaan voelen.

    3.7.3. Een afwijzende houding van de maatschappij versterkt het onderlinge gevoel van saamhorigheid, maar ook het isolement ten opzichte van die maatschappij. Indien de afwijzing scherp is, bestaat het gevaar dat het individu zich vastbijt in het gedrag dat door de samenleving als afwijkend wordt beschouwd. De intensiveri ng van afwijkend gedrag als gevolg van stigmatisering kan met secundaire deviatie worden aangeduid. Deze secundaire deviatie treedt op als de deviant geen uitweg meer ziet, hetzij omdat hij zijn gedrag niet in de door de samenleving gewenste richting kan veranderen, hetzij omdat hij de afwijzing ongerechtvaardigd acht of door een combinatie van beide factoren. In termen van druggebruik betekent het bovenstaande dat de gebruiker bij een intolerante bejegening tot een zwaarder gebruikspatroon zal overgaan, d.w.z. gebruik met grotere frequentie, in grotere doses en van meerdere soorten drugs. Dit zwaardere gebruikspatroon gaat, zoals reeds werd beschreven, ook met grotere handelsactiviteiten gepaard. Deze kunnen weer tot diefstal en valsheid in geschrifte leiden.

    De afwijzing van de samenleving wordt het sterkst ervaren bij strafrechtelijk ingrijpen, vooral wanneer dit bestaat uit vrijheidsbeneming. Wrok jegens de samenleving en een reeele vermindering van maatschappelijke mogelijkheden maken dan terugkeer naar het vroegere milieu vaak zeer moeilijk. Het alternatief is diepere involvatie in de drug-subcultuur met de daaraan verbonden gevaren van zwaarder druggebruik en ander verboden deviant gedrag.

    3.7.4. Groter dan het gevaar van de criminogene werking die uit kan gaan van de drug-subcultuur is het risico van een ongunstige invloed op de werkhouding van de deelnemer aan deze subcultuur. Onder invioed van de levens-filosofie waarin weinig waarde wordt gehecht aan arbeid en individuele prestatie, waarin het accent valt op ontspannen en genieten hier en nu, is de verleiding groot studie en opleiding die inspanning vergen, op te geven.

    Cohen (4) vond een verband tussen zwaar druggebruik en het in mindere mate voltooien van de opleiding. Buikhuisen en Timmerman (7) constateerden dat de scholieren-gebruikers significant minder tijd aan hun huiswerk besteedden en in het verleden vaker waren blijven zitten dan niet-gebruikers. Ook bleken druggebruikers meer te spijbelen dan scholieren uit de controle-groep. Zoals Buikhuisen t.a.p. ook met nadruk stelt, kan men uit deze correlaties geen causaal verband afleiden. Verder onderzoek is nodig om de vraag te beantwoorden of de negatieve houding ten aanzien van school en andere opleidingen het gevolg is van participatie in de drug-subcultuur of dat b.v. onvrede met het schoolsysteem, de sfeer op school of de inrichting van de studie, hebben geleid tot druggebruik.

    Wel zijn er aanwijzingen dat niet gebrek aan belangstelling of een laag intelligentieniveau verantwoordelijk gesteld moeten worden voor het druggebruik. Het onderzoek in Gieten (8) wees uit dat jongeren die regelmatig dat gedeelte van het jeugdcentrum bezochten, waar drugs werden gebruikt, niet alleen meer lazen, maar ook meer lazen over andere zaken: kunst, politiek, wetenschap en filosofie, dan de jongeren uit de beide controle-groepen. Het door Timmerman en Buikhuisen aangehaald onderzoek van R. H. Blum (9) en het reeds eerder genoemde onderzoek van Mik (10) rechtvaardigen niet de hypothese van een geringere intelligentie.

    Johnson(11) vond in een diepgaand onderzoek geen verband tussen matig druggebruik (alleen cannabis) en schoolprestaties. Wel constateerde hij een relatie tussen zwaar druggebruik en verminderde schoolprestaties. De zware druggebruikers vertoonden ook significant meer andere vormen van deviant gedrag. Johnson kwam tot de conclusie dat hier gesproken moet worden van een deviante levensstijl.

    Druggebruik is naar zijn mening een element van deze levensstijl dat hieruit moeilijk geisoleerd kan worden. Met andere woorden, deze onderzoeker vond een relatie tussen deviante levensstijl en slechtere schoolprestaties en niet speciaal tussen (zwaar) druggebruik en schoolprestaties.

    De leden van de werkgroep die in de praktijk te maken hebben met het drugprobleem, hadden de indruk dat intensieve participatie aan de drug-subcultuur de wil om de gekozen opleiding tot een goed einde te brengen dikwijls nadelig beinvioedt en soms in het afbreken van de opleiding resulteert. Dat neemt niet weg dat in vele gevallen onvrede met de situatie waarin men verkeert, aan het druggebruik vooraf zal zijn gegaan.

    Zolang de maatschappij die sommige jongeren voor ogen staat - veel vrije tijd en weinig arbeid - nog niet is gerealiseerd, betekent het voortijdig afbreken van de opleiding een ernstige handicap bij de verdere ontplooiing van de persoonlijkheid. Tenzij de jeugdige over bijzondere artistieke gaven beschikt, zal hij met arbeid die beneden zijn potentieel niveau ligt, in zijn levensonderhoud moeten voorzien. Die arbeid zal hij, hoe dan ook, gedurende een deel van zijn leven moeten verrichten. De werkgroep acht dit geen aanlokkelijk perspectief, ook niet, wanneer men rekening houdt met de mogelijkheid dat het verrichten van beroepsarbeid in de toekomst minder tijd in beslag zal nemen dan nu het geval is.

    (1) Rapport van de Werkgroep Drugs Drente, Drugs, drug-gebruik en druggebruikers, Maandblad van het Nederlands huisartsengenootschap, Huisarts en wetenschap, 2 febr.1971,14e jrg.,p.51.

    (2) Interimrapport van de Canadese Le Dain-Commissie.

    (3) E. Trist 'Urban North America: The Challenge of the Next Thirty Years', paper read at the Conference 'Towards a Healthy Community', Edinburgh, sept.1969 (W.F. M H).

    (4) H. Cohen, Psychologie, sociale psychologie en sociologie van het deviante drug-gebruik, september 1969, stencil.

    (5) W. Buikhuisen e.a., Druggebruik: de eerste kennismaking, Nederlands tiidschrift voor criminologie, sept.1970,12e jrg.

    (6) R. F. Beerling 'Hydra macht*Wijsgerig perspectief, mei 1971,11e jrg.

    (7) W. Buikhuisen en H. Timmerman e a Sociologische kenmerken van scholieren die drugs gebruiken, Nederlands tijdschrift vo`or criminologie, sept.1970,12e jrg.

    (8) Druggebruik in Gieten, een veldonderzoek verricht door het criminologisch insti-tuutvan de rijksuniversiteit Groningen, o.a. pp. 69 en 78.

    (9) R. H. Blum & associattes, Student and drugs, Jossey-Bass inc., San Francisco,1969 en 1970.

    (10) G. Mik, Ervaringen met jongeren van nu vanuit een nieuwe vorm van hulpverle-ning. Maandblad van het Nederlands huisartsengenootschap, huisarts en weten-schap,2 febr.1971,14e jrg.

    (11) B. D. Johnson, social determants of the use of 'dangerous drugs' by college stu-dents, stencil.

    Hoofdstuk 4. Epidemiologie van het druggebruik in Nederland

     

    4.1. Beschrijvende epidemiologie

    In de beschrijvende epidemiologie wordt de vraag gesteld:
    Wie heeft Wat (ziekte of afwijking), Waar en Wanneer?
    Daar het hier niet een ziekte in de strikt medische zin betreft, moest de vraagstelling iets worden gewijzigd.
    Achtereenvolgens zullen worden behandeld:
    1. De aard der gebruikte middelen en de frequentie van het gebruik.
    2. De omvang van het gebruik.
    3. De plaats van het gebruik.
    4. De sociografische kenmerken van druggebruikers

    4.1.1. De aard der gebruikte middelen en de frequentie van het gebruik.

    In dit kader is de trendstudie van Buikhuisen van bijzonder belang. Buikhuisen en Timmerman (1) deden in 1969 een onderzoek naar de omvang van het druggebruik onder ‘middelbare’ scholieren (eindexamenklassen en 1e klassen van HTS-en en Kunstscholen) en herhaalden dit onderzoek in 1971 (2).

    In beide onderzoeken werd gevonden dat cannabis (hashish en marihuana), amfetaminen, L.S.D. en opiaten de meest gebruikte middelen waren.

    Buikhuisen schrijft hierover: ‘Wanneer we bijvoorbeeld de vier naar verhouding het meest gebruikte rniddelen nemen (hashish, amfetamine, L.S.D. en de opiaten) dan kunnen we zien dat zowel met betrekking tot hun relatieve plaats als met betrekking tot het percentage gebruikers dat zegt deze middelen gebruikt te hebben, nauwelijks iets veranderd is’.

    Cohen (3) vond in zijn onderzoek onder regelmatige gebruikers (1968) hetzelfde beeld. Ter vergelijking volgen hieronder de uitkomsten van beide onderzoekers.

    Tabel 1. Het gebruik van de meest voorkomende stoffen

      Buikhuisen 1971,
    scholieren
    Cohen, 1968
    regelmatige gebruikers
    Hennep 95,9% 92%
    Amfetaminen 14,7% 42%
    L.S.D. 11,7% 24%
    Opiaten 6,5% 20%

    Andere middelen zoals de barbituraten (slaapmiddelen), coca‹ne, andere psychedelica (mescaline, DMT etc.) volgen op vrij grote afstand.

    Met betrekking tot de mate (frequentie) van het gebruik vond Buikhuisen in 1 971 de volgende percentages:

    Tabel 2. Gebruikspatroon en mate van gebruik van de in 1971 geënqueteerde middelbare scholieren, die wel eens drugs gebruikt hebben (N = 3615)

    Type gebruik Gebruiksfrequentie
    Minder dan 20 maal %
    20 maal of meer %
    Alleen hennep 59 14,3
    Hennep en 'hard drugs' 6,2 17,2
    Alleen 'hard drugs' 3,2 0,1

    Cohen hanteerde een tijdsmaat voor de gebruiksfrequentie. Frequent gebruik is dan gebruik dat dagelijks of enkele malen per week plaatsvindt; niet frequent gebruik is het gebruik dat enkele malen per maand tot gemiddeld een maal in de twee maanden plaatsvindt.

    Tabel 3. Gebruiksfrequentie van de meest voorkomende stoffen (N = 958)

    Type gebruik Frequent gebruik Niet frequent gebruik
    Hennep 61 39
    Amfetaminen 26 74
    L.S.D. 2 (±16% 20x) 98 (84% 20x)
    Opium 25 75

    N.B. De percentages werden berekend over het aantal gebruikers van de diverse stoffen, niet over het totaal aantal gebruikers.

    Cohen vond voorts dat de meeste gebruikers met hennep beginnen, waarna velen overgaan - veelal tijdelijk - op andere stoffen. Zowel Buikhuisen als

    Cohen vonden dat velen met het gebruik van diverse middelen stopten.

    Tabel 4. Het percentage gebruikers dat gestopt is met hennep, L.S.D. of opiaten

      Percentage gebruikers
    dat laatste half jaar gestopt is
      Percentage gebruikers
    dat definitief gestopt is
      Buikhuisen 1969 Buikhuisen 1971 Cohen 1968
    Hennep 22,3 33,3 5,5
    L.S.D. 33,0 41,7 25
    Opiaten 28,8 56,7 47

    4.1.2. De omvang van het gebruik. Hieronder valt allereerst de ‘prevalence’, ofwel het aantal gebruikers op een bepaald moment of gedurende een bepaalde periode.

    Gadourek en Jessen (4) stelden onder meer vragen over het gebruik van diverse drugs aan een representatieve steekproef van 1600 Nederlanders. Zij vonden dat 2,2% van hun steekproef wel eens kennis had gemaakt met ‘drugs’, voornamelijk hennep, L.S.D. en amfetamine. Dit betekent dat er in de leeftijdsgroep van 16 jaar en ouder ongeveer 140.000 gebruikers zijn. Zij gebruiken niet allemaal regelmatig drugs. De Nederlandse stichting voor statistiek (5) vond in 1970, in een steekproef van 1058 mensen boven de 15 jaar 2% druggebruikers.

    Ook de diverse onderzoeken naar het druggebruik onder scholieren geven enige aanwijzingen over de omvang van het gebruik.

    Buikhuisen vond in 1971 dat 20,3% van de ge‰nqueteerde scholieren ‘wel eens’ drugs gebruikt had. In 1969 was dit percentage nog 11,15. In andere, veelal wat oudere onderzoeken onder scholieren worden lagere percentages genoemd. Van der Wal (6) vond in zijn onderzoek onder Utrechtse scholieren in 1968 practisch geen druggebruik.

    Een meer recent onderzoek (7) onder de middelbare scholieren in de provincie Zuid-Holland bracht aan het licht dat 6% van de leerlingen ooit drugs had gebruikt. In de meeste gevallen betrof dit het incidentele gebruik van hennep. Slechts 8 van de 722 leerlingen had ooit andere drugs dan cannabis gebruikt, t.w. amfetaminen en L.S.D.

    De 140.000 gebruikers, die door Gadourek en Jessen aan het licht werden gebracht, mag men niet allemaal over een kam scheren. Geerlings (8) vestigt er bijvoorbeeld de aandacht op dat het druggebruik een ‘experimenteerfase’ kent. Een groot aantal mensen gebruikt hennep, omdat het ‘in’ is en houdt er even gemakkelijk weer mee op wanneer de vriendengroep van gebruikers uiteen valt of wanneer andere bezigheden de aandachtvragen.

    Het min of meer regelmatige gebruik van hennep en het incidentele gebruik van andere middelen onder mensen die verder normaal werken of studeren, wordt het ge‹ntegreerde gebruik genoemd. Naar schatting betreft dit een 40.000 personen.

    Cohen (3) schatte het aantal druggebruikers in Nederland in het voorjaarvan 1968 op minimaal 13.500 en maximaal 24.000. In diezelfde periode werd door het Medisch Consultatie Bureau voor Alcohol en Drugs in Amsterdam bij de zusterinstellingen ge‹nformeerd naar het aantal bij hen bekende in moeilijkheden verkerende druggebruikers. De verkregen informaties gevoegd bij de gegevens van het Amsterdamse bureau betroffen ongeveer 600 probleemgevallen. Eind 1971 waren bij het Amsterdamse Bureau ongeveer 700 druggebruikers bekend die medische of sociale hulp behoefden, waaronder i 25 % buitenlanders. In de rest van het iand bedroeg dit aanta1 + 800. Men kan dus stellen dat op de door Gadourek en Jessen geschatte 140.000 druggebruikers 1200-1500 gebruikers in moeilijkheden geraken.

    Onder de omvang van het druggebruik valt ook de ‘incidence’. de mate waar in per tijdseenheid meer druggebruik optreedt. Cohen vond vanaf 1960 een gestadige, maar niet explosief te noemen toeneming van het gebruik van hennep, L.S.D., opium en amfetamine.

    Meer exacte gegevens verschaft de waardevolle follow-up studie van Buikhuisen:

    Tabel 5. Vergelijking van omvang en aard van het druggebruik door middelbare scholieren in 1969 en 1971.(N = resp. 11.659 en 17.808)

      1969 1971
    Percentage scholieren dat wel eens drugs gebruikt heeft 11,15 20,3
    Percentage scholieren dat meer dan 20 maal drugs gebruikt heeft 2,5 6,5

    Op basis van hun onderzoeken hebben Gadourek en Buikhuisen zinvolle uitspraken gedaan over de te verwachten groei van het druggebruik. Hierop wordt later nog teruggekomen.

    4.1.3. Waar vindt druggebruik plaats?

    Het druggebruik vindt thans plaats in geheel Nederland. De follow-up studies van Buihuisen geven hier betrouwbare gegevens over.

    Tabel 6. Het percentage druggebruikers onder scholieren in 1969 en 1971 in grote, middelgrote en kleine steden

      Grote steden Middelgrote steden Kleine steden
    1969 11,7% 10,5% 7,9%
    1971 21,3% 19,7% 17,0%

    De 'provincie' begint heel duidelijk de achterstand in te halen. Bij vergelijking van het druggebruik onder scholieren die in verschillende grote steden wonen, blijkt bovendien dat het verhoudingsgewijze hoge druggebruik onder scholieren niet meer uisluitend een Amsterdamse aangelegenheid ia. Buikhuisen merkt tevens op, 'dat de stijging van het druggebruik onder scholieren in Amsterdam achterblijft bij de landelijke trend (verdubbeling van het aantal gebruikers). Men kan zich afvragen of dit er soms op wijst dat hier het druggebruik naar een bepaald verzadigingspunt toegroeit.' Bepaalde uitkomsten van het veldonderzoek van Cohen geven steun aan deze veronderstelling. Hij vond in 1968 drie patronen van stedelijk druggebruik onder regelmatige gebruikers. In sommige plaatsen begon het druggebruik pas op te komen. Er waren weinig drugs aanwezig, maar wel een grote be-reidheid om ze te gaan gebruiken. Een andere plaats werd gekenmerkt door een zeer fanatiek druggebruik, maar in Amsterdam leek het gebruik meer ‘ge‹ntegreerd’ en a.h.w. uitgekristalliseerd.

    Ook de ontwikkeling van het druggebruik binnen Amsterdam vanaf 1968 vertoont de genoemde verschuivingen (9).

    Het bovenstaande laat uiteraard de mogelijkheid open dat binnen de grote steden nieuwe groepen, die pas na jaren hun mogelijke ‘verzadigingspunt’ zullen bereiken, tot druggebruik overgaan.

    In 1968 was het druggebru ik overigens voornamelijk beperkt tot Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Dordrecht. De overige grote plaatsen telden nauwelijks meer dan 100-150 min of meer regelmatige druggebruikers.

    4.1.4. Sociografische kenmerken van druggebruikers

    Uit de onderzoeken van Gadourek en Jessen, Buikhuisen en Cohen zijn een aantal sociografische gegevens van druggebruikers bekend geworden. Hier-na zullen de voornaamste eru it worden gelicht:

    Leeftiid: Gadourek vond dat de druggebruikers tot de jongere leeftijdsgroe-pen behoorden. 83% van dF gebruikers was jonger dan 30 jaar. Cohen vond een gemiddelde leeftijd vah 23,2 jaarl 90% van zijn respondenten was jonger dan 30 jaar. Buikhuisen vond een verschuiving in de leeftijd van druggebrui-kende scholieren. In 1969 waren deze scholieren bijna een jaar ouder dan niet-gebruikers; in 19i1 was er nauwelijks enig verschil in leeftijd tussen ge-bruikers en niet-gebruikers.

    Sexe: Gadourek en Jessen (1971) vonden in hun representatieve steekproef een sexe-ratio van 3 op 1. Tegenover 3 druggebruikende mannen stond ‚‚n vrouw. Buikhuisen trof in 1969 onder scholieren een sexe-ratio van 2: 1 aan.

    In 1971 bleek in de scholieren-populatie het verschil tussen jongens en meis-jes kleiner geworden te zijn. De verhouding jongens/meisjes is nu ongeveer 11/2:1.

    Sociale klasse: Buikhuisen vond eveneens een verschuiving in sociale klas-se. ‘Gold twee jaar geleden nog dat de druggebruikers naar verhouding meer uit de hoogste sociale klassen afkomstig waren en dat met name de midden-klasse ondervertegenwoordigd was, nu, twee jaar later, is van dit alles geen sprake meer. De verdeling van de sociale klasse van de gebruikers is nage-noeg gelijk aan die welke men aantreft in de totale populatie van scholieren’. Cohen vond voorts dat druggebruikers weinig godsdienstig waren (80% gaf op geen geloof te hebben), een goede schoolopleiding hadden genoten (45% had de HBS afgemaakt en 8% een hogere vakopleiding of universitaire opleiding) en vaak werkzaam waren in artistieke beroepen.

    Hij vond tevens een verband tussen de zwaarte van het druggebruik (opium en amfetaminen) en sociografische variabelen als sexe (man), leeftijd onder de 20 jaar, ‘laag’ ouderlijk milieu en het feit, dat men noch werkt, noch stu-deert.

    4.2. Analytische epidemiologie

    De analytische epidemiologie van het druggebruik stelt de vraag naar het ‘waarom’ of het ‘waardoor’ van het druggebruik. De hierboven vermelde ge-gevens kunnen het antwoord op deze vraag niet leveren. Wel is er ander ma-teriaal beschikbaar.

    In het kort zij hier vermeld dat uit de onderzoeken van Johnson, Goode en Cohen de participatie en involvatie in druggebruikende groepen als be langrijkste variabele samenhangend met druggebruik naar voren komt. Goode (10) en Cohen (11 ) vonden met toenemende involvatie in de drugcul-tuur en grote frequentie van het hennepgebruik (dagelijks) alsmede het ge-bruikvan zwaardere middelen.

    Johnson (12) vond dat met name de - kleine - verkoop van hennep leidde tot vriendschap met ‘hard’ druggebruikers. Door deze vriendschap komt men zelf ook tot het gebruik van ‘hard’ drugs. Met betrekking tot het beleid stelt hij: De wet, die hennep tot illegaL~e stof verklaart, leidt tot illegale verkoop van hennep, leidt tot contact met mensen die zwaardere middelen gebruiken, leidt tot multi-druggebruik.

    4.3. Conclusies

    De follow-up studies van Buikhuisen rechtvaardigen een aantal verwachtin-gen omtrent het verdere verloop van het druggebruik onder scholieren. De werkgroep zal zijn uitspraken kort samenvatten en van commentaar voorzien.

    a. Het percentage scholieren dat zegt ‘weleens’ drugs gebruikt te hebben is in twee jaar ongeveer verdubbeld. Het percentage gebruikers dat inmiddels weer is opgehouden met het gebruik van bepaalde middelen is echter ook aanzienlijk gestegen. Dit kan wijzen op een experimenteerperiode.

    b. Voor de ‘hard’ drugs geldt dat zij verhoudingsgewijs een gering aandeel hebben en dat hun relatieve posities niet verschoven zijn. Dit zou kunnen wijzen op een consolideringsproces.

    c. Leeftijdsverschillen en verschil in sociale klasse zijn verdwenen, de sexe-verschillen ziin verminderd. Dit zou erop kunnen wijzen dat het druggebruik ziin exclusief karakter aan het verliezen is. Vooral hennep is ook aanvaard-baar voor doorsnee-jongens en -meisjes. Cohen vond eveneens dat in de be-ginfase van het druggebruik andere mensen (veelal extremer en meer gestoord) aangetrokken worden dan in latere fasen. Er komen steeds andere gebruikersgroepen, waardoor elke stereotypie of generalisatie snel onbruik-baar wordt.

    d. In steden waar in 1969 het gebruik relatief hoog was, is de stijging van het aantal druggebruikers onder de landelijke trend gebleven. Buikhuisen ziet hierin een groei naar een verzadigingspunt. Hij zegt: ‘Op grond van bovenge-noemde gegevens verwachten wij in concreto (maar meer dan veronderstel-lingen zijn dit niet) dat het aantal druggebruikers nog wel zal toenemen, vooral in de kleinere steden en onder meisjes, maar dat het hoogtepunt, vooral in de grote steden al aardig benaderd wordt’.

    Voor wat betreft de middelbare scholieren kan de werkgroep de veronder-stellingen van Buikhuisen wel onderõchrijven. Men dient er echter rekening mee te houden dat het incidenteel en experimenteel gebruik van hennep op sommige middelbare scholen de 40-50% zal naderen, m.a.w. dat het daar ongeveer hetzelfde karakter krijgt als het alcoholgebruik.

    Met betrekking tot het druggebruik door andere groepen ziet de toekomst er niet rooskleurig uit. Gadourek wijst bijvoorbeeld op de diffusie-theorie en spreekt de verwachting uit dat het druggebruik zal doorsijpelen naar mensen met een lager opleidingspeil, zonder suboulturele normen en ideologie, die niet zelden in een probleemvolle sociale situatie verkeren.

    ‘If this gloomy perspective comes out, we are likely to be confronted with high frequency of addiction to hard drugs, for it is in the situation of isolation and rejection that the hard drugs-use flourishes’. Men ziet dit nu reeds optre-den bij groepen werkende jongeren die verder geen contact onderhouden met ‘ludieke’ jeugdcentra of de gevest~}de drug-scenes.

    (1) W. Buikhuisen en H. Timmerman, Druggebruik onder ‘middelbare’ scholieren, Nederlands tijdschrift voor criminologie, september 1970,12e jrg .

    (2) W. Buikhuisen en H. Timmerman, De ontwikkeling van het druggebruik onder middelbare scholieren, Nederlands tijdschrift voor criminologie, december 1971,13e jrg .

    (3) H. Cohen, Psychologie, sociale psychologie en sociologie van het deviante drug-gebruik. September 1969, stencil.

    (4) I. Gadourek en J. L. Jessen, Proscription and acceptance of drugs-taking habits in the Netherlands, Mens en maatschappij, herfst 1971, 46e jrg. nr. 4.

    (5) Nederlandse stichting voor statistiek, Drugs in Nederland 11,1971. g

    (6) H. J. van der Wal, Alcohol en drugs, Stichting voor Alcohol- en Drugsonderzoek, Amsterdam 1969, niet gepubliceerd.

    (7) Stichting voor Alcohol- en Drugsonderzoek, Amsterdam 1970, nog niet gepubli-ceerd.

    (8) P. J. Geerlings, Ambulante hulp voor druggebruikers in Amsterdam, In: W. K. van

    Dijk en L. H. C. Hulsman, Drugs in Nederland, Paul Brand, Bussum 1970. p. 158-160.

    (9) H. Cohen, Samenleving en drugcultuur, Artikel 2 t/m 5. Intermediair. Okt.-nov.1970.

    (10) E. Goode, Multiple Drug Use among Marijuana Smokers, Social problems, XVII (Summer, 1969)p. 48-64. Zie ook: The Marijuana Smokers, Basic Books. N. Y. 1970.

    (11) H. Cohen, Multiple Drug Use considered in the light of the stepping-stone hypo-thesis, Te verschijnen in Int. J. Add.

    (12) B. D. Johnson, Social Determinants of the Use of ‘Dangerous Drugs’, bij College Students, Columbia University 1971, Mimeo.

    Hoofdstuk 5. Geldend recht inzake drugs

    Het geldend recht inzake drugs wordt bepaald door verdragsverplichtingen, de deels daarop gebaseerde nationale wetgeving en de wijze waarop de wettelijke bepalingen worden gehandhaafd.

    De wettelijke bepalingen zijn vervat in:

    de Opiumwet van 12 mei 1928 Stb. 167 en de beschikkingen en besluiten gegeven ter uitvoering van deze wet;

    de Wet op de geneesmiddelenvoorziening van 28 juli 1958 Stb. 408 en de beschikkingen en besluiten gegeven ter uitvoering van deze wet;

    de Wegenverkeerswet van 13 september 1935 Stb. 554, de artikelen 26, 35 en. 36.

    De handhaving vindt plaats door middel van toezicht (inspectie voor de geneesmiddelen), opsporing, vervolging en rechterlijke beslissingen. Toezicht, opsporing, vervolging en rechterlijke beslissingen laten het geldend recht in actie zien.

    5.1. Verdragen en hun betekenis voor de nationale wetgeving

    De Opiumwet van 1928 bracht de nationale wetgeving in overeenstemming met de bepalingen van het op 19 februari 1925 te Geneve gesloten Opiumverdrag. Dit verdrag vormde een aanvulling op de Opiumconventie van 1912 waarop de Opiumwet van 1919 was gebaseerd. De memorie van toelichting op de Opiumwet van 1928 vermeldt: ‘Het Verdrag van 1925 strekt zich uit over een uitgebreider gebied doordat zowel cocablad, ruwe cocaine en ecgonine als Indische hennep en de hieruit bereide schadelijke stoffen als hashish en dergelijke, onder het nieuwe verdrag vallen’. In de Opiumwet van 1928 is dan ook voor het eerst Indische hennep in de verbodsbepalingen opgenomen. Verboden werd de in- en uitvoer en de doorvoer. Het Verdrag van 1925 werd nog zevenmaal met verdragen of protocollen aangevuld. Het voornaamste doel van alle verdragen was effectieve controle op teelt en fabricage van en handel in verdovende middelen opdat deze alleen voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden beschikbaar zouden zijn.

    Vermelding verdient het op 26 juni 1936 te Geneve ondertekende Verdrag tot onderdrukking van de sluikhandel in verdovende middelen, zoals dit werd gewijzigd bij het op 11 december 1946 te New York ondertekende Protocol, omdat dit Verdrag van 1936 aanleiding was tot de wijziging van de Opiumwet van 18 juni 1953 Stb. 322. Bij laatstgenoemde wijziging werd het strafmaximum verhoogd van een jaar gevangenisstraf tot vier jaar gevangenis straf, terwijl t.a.v. hennep nu ook het bezitten, aanwezig hebben of aanwenden strafbaar werd gesteld (artikel 3).

    De onoverzichtelijkheid van de in totaal negen internationale overeenkomsten betreffende verdovende middelen noopte tot een tiende verdrag, te weten het Enkelvoudig Verdrag van New York inzake verdovende middelen van 30 maart 1961, tot stand gekomen in het kader van de Verenigde Naties. Dit verdrag trad op 15 augustus 1965 voor Nederland in werking (goedkeuring bij Wet van 2 maart 1964 Stb. 111 ) en verving alle voorgaande verdragen tussen partijen bij dit verdrag.

    5.1.1. Het Enkelvoudig Verdrag

    Doelstelling van het Enkelvoudig Verdrag is blijkens de considerans het nemen van doeltreffende maatregelen tegen het misbruik van verdovende middelen door een gecoördineerd wereld omspannend optreden en door beperking van het gebruik van die verdovende middelen tot geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden.

    In artikel 1 onder j. wordt bepaald: "(Verdovend Middel) betekent elk der stoffen genoemd in de lijsten I en 11, hetzij natuurlijk hetzij synthetisch’. Indien een middel tevens voorkomt op lijst IV betekent dit dat het middel in bijzondere mate aanleiding kan geven tot misbruik en tot een nadelige uitwerking en dat daartegenover geen aanzienlijke therapeutische voordelen staan die niet met behulp van andere bekende middelen zouden kunnen worden verkregen (artikel 3, vijfde lid) . Ten aanzien van de stoffen opgenomen in lijst IV wordt Partijen een verbod of anders een bijzonder toezicht aanbevolen (art. 2, vijfde lid). Op lijst IV staan cannabis en cannabishars, desomorphine, heroïne, metobemidon, aethorphine en acethorphine.

    Artikel 4 verplicht Partijen de wetgevende en administratieve maatregelen te nemen, die nodig zijn om met inachtneming van de bepalingen van dit Ver-drag de productie, de vervaardiging, de uit- en invoer, de afgifte van, de handel in, het gebruik en het bezit van verdovende middelen uitsluitend tot geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden te beperken.

    Artikel 33 bepaalt: ‘Partijen laten het bezit van verdovende middelen niet toe zonder wettige toestemming’.

    Artikel 36 verplicht Partijen maatregelen te nemen ‘teneinde er voor te zorgen dat de verbouw, productie, vervaardiging, extractie, bereiding, het bezit, aanbod, aanbod ten verkoop, de distributie, aankoop, verkoop, levering op welke voorwaarde ook, makelaardij, verzending, verzending in doorvoer, het vervoer en de in- en uitvoer van verdovende middelen in strijd met de bepalingen van dit Verdrag, alsmede elke andere handeling die naar de mening van die Partij in strijd is met de bepalingen van dit Verdrag, als strafbare feiten worden beschouwd indien zij opzettelijk worden begaan en dat het begaan van ernstige strafbare feiten op passende wijze wordt gestraft, in het bijzonder door gevangenisstraf of andere vrijheidsstraffen’.

    In dit verband kan worden aangetekend dat het aan de staten wordt overgelaten welke strafbare feiten zij als ‘ernstig’ wensen te qualificeren en dus ook welke strafbare feiten zij met vrijheidsstraffen willen bedreigen.

    Het woord ‘gebruik’ komt in artikel 36 niet voor. In sommige staten is gebruik dan ook niet strafbaar gesteld. Daar echter gebruik zonder enige vorm van bezit niet mogelijk is, en bezit in deze staten wel strafbaar is gesteld, heeft dit geen juridische gevolgen ten aanzien van de gebruiker. Trouwens ook hier te lande waar het ‘aanwenden’ (gebruiken) verboden is, wordt toch meestal het ‘bezitten, althans aanwezig hebben’ ten laste gelegd.

    Het is zeer de vraag of het En kelvoudig Verd rag een interpretatie van het woord ‘bezit’ toestaat in de zin van ‘bezit niet bestemd voor eigen gebruik’. Een dergelijke interpretatie valt moeilijk te rijmen met artikel 4 van het Verdrag (beperking tot geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden).

    Artikel 37 bepaalt dat inbeslagneming en verbeurdverklaring van verdovende middelen mogelijk moet zijn.

    De in artikel 49 van het Verdrag gegeven mogelijkheid tot het maken van voorbehouden van tijdelijke aard, heeft de betekenis van een overgangsmaatregel en is opgenomen terwille van een zo mondiaal mogelijke werkingssfeer. De voorbehouden kunnen betrekking hebben op: het gebruik van opium voor quasi-geneeskundige doeleinden, opiumschuiven, het kauwen van cocabladeren, het gebruik van cannabis voor niet-geneeskundige doeleinden en de productie en vervaardiging van en de handel in voornoemde verdovende middelen voor de bovenvermelde doeleinden. Het voorbehoud kon ten tijde van de ondertekening, bekrachtiging of toetreding worden gemaakt voor die gebieden, waar de consumptie van een desbetreffend verdovend middel van oudsher gebruikelijk en op 1 januari 1961 geoorloofd was. Op het ogenblik gelden nog voorbehouden van tijdelijke aard voor: Argentinië, India, Pakistan en Birma.

    De internationale organen die werkzaamheden verrichten die voortvloeien uit het verdrag zijn:

    1. De Commissie voor Verdovende Middelen (Commission on Narcotic Drugs), ressorterend onder de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties.

    2. De Wereldgezondheidsorganisatie, die in medisch-wetenschappelijke aangelegenheden de onder 1 genoemde Commissie adviseert. Vooral het Expert Committee on Dependence Producing Drugs, een suborgaan van de W.H.O. houdt zich hiermee bezig.

    3. Het Comit‚ van Toezicht op de Verdovende Middelen (I(nternational) N(arcotics) C(ontrol) B(oard), I.N.C.B.).

    4. De Afdeling Verdovende Middelen, waarin ondergebracht het speciale secretariaat en het laboratorium der Verenigde Naties.

    Ten behoeve van een effectieve controle door het Comité van toezicht zijn partijen verplicht aan het comité:

    a. jaarlijks ramingen met betrekking tot de hoeveelheden verdovende middelen, die de partij in het komende kalenderjaar voor diverse doeleinden denkt nodig te hebben en die bevestiging door het Comité behoeven, te verschaffen;

    b. driemaandelijks cijfers met betrekking tot in- en uitvoer van elk verhandeld verdovend middel alsmede herkomst en bestemming daarvan op te geven;

    c. jaarlijks totale gegevens met betrekking tot productie, verbruik, verwerking, in- en uitvoer alsmede aanwezige voorraden van elk verdovend middel te leveren.

    De aangesloten partijen voorzien het Comité aldus van een doorlopende totale boekhouding met betrekking tot de beweging der verdovende middelen.

    5.1.2. Volledigheidshalve dient te worden vermeld dat in 1971 in Wenen een Conventie inzake Psychotrope Stoffen tot stand kwam. De Conventie heeft tot doel een internationaal controlesysteem te scheppen voor het maatschappelijk verkeer van psychotrope stoffen, waarvan de eigenschappen aanleiding kunnen geven tot misbruik. Uit artikel 2, vierde lid, kan worden afgeleid dat onder psychotrope stoffen wordt verstaan, stoffen die het vermogen hebben op het centrale zenuwstelsel stimulerend of dempend te werken dan wel hallucinaties, stoornissen in het waarnemen , het denken , de stemming of het gedrag te veroorzaken. Talrijke stoffen die als verdovende middelen in de zin van het Enkelvoudig Verdrag 1961 worden aangemerkt, kunnen eveneens de hierboven omschreven effecten teweegbrengen. De Conventie heeft dan ook een aanvullend karakter. De stoffen waarop de Conventie betrekking heeft, zijn over vier lijsten verdeeld. Lijst I bevat stoffen met zeer beperkte of geen therapeutische betekenis die een groot risico voor misbruik opleveren, zoals L.S.D., mescaline, STP, DOM, Psylocibine en tetrahydrocannabinolen. Op lijst 11 komen de amfetaminen voor. Het voor deze stoffen gedachte controlesysteem komt in grote trekken overeen met de voor morfine en analoga bestaande regelingen krachtens het Enkelvoudig Verdrag; met betrekking tot bezit is het desbetreffende artikel 5, derde lid, iets minder stringent geformuleerd dan artikel 33 van het Enkelvoudig Verdrag, artikel 5, derde lid, luidt: ‘It is desirable that the Parties do not permit possession of substances in Schedules II, lil and IV except under legal authority’. Op lijst III komen barbituraten voor, op lijst IV tranquillizers.

    Ten aanzien van misbruikers van psychotrope stoffen kunnen in plaats van strafmaatregelen, ook maatregelen van hulpverlening worden genomen. Het begrip ‘misbruik’ wordt in de conventie niet gedefinieerd. Uit de context blijkt dat hieronder wordt verstaan gebruik anders dan met een geneeskundig of wetenschappelijk doel. De Conventie werd ondertekend door 27 landen. De termijn van ondertekening werd 1 januari 1972 gesloten. Na die datum is toetreding mogelijk. Nederland heeft niet ondertekend.

    5.2. Nationale wetgeving

    5.2.1. De Opiumwet van 1928 kwam hierboven reeds enige malen ter sprake. De Opiumwet begint met een totaal verbod van elke denkbare handeling met, of het aanwezig hebben van enig door de wet bedoeld verdovend middel (artikelen 2 en 3). Vervolgens wordt een vergunningenstelsel ingevoerd. De verlofhoudende fabrikant evenals de verlofhoudende groothandelaar, de verlofhoudende im- en exporteurs nemen aan het verkeer van verdovende middelen deel met voorgeschreven begeleidende documenten, die hun door de hoofdinspectie voor de geneesmiddelen worden verstrekt en tot hoeveelheden, die hun kunnen worden toegestaan in samenhang met de door het bovengenoemde internationale Comité van Toezicht van de Verenigde Naties bevestigde ramingen. Zij houden bovendien in voorgeschreven registers aantekening van dat verkeer. De laatste schakel in het legale gebruik van verdovende middelen vormt de apotheker of de apotheekhoudende arts, die uit hoofde van hun beroep zijn vrijgesteld van het verbod. Zij leveren slechts op medisch voorschrift verdovende middelen aan de patiënt. De wetenschappelijke verlofhouder betrekt de middelen van een verlofhouder-groothandelaar.

    Art. 2, eerste lid, onder g. machtigt de minister bij beschikking ‘verdovende middelen’ aan te wijzen. In deel 1, Inleiding onder 2. werden de beschikkingen die krachtens deze bepaling nieuwe stoffen onder de werking van de Opium-wet brachten, genoemd.

    Artikel 10 bevat de strafsancties. Opzettelijke overtreding van de verboden of opzettelijk niet voldoen aan de voorwaarden of voorschriften verbonden aan een verlof, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, de niet opzettelijke overtreding rnet hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste drieduizend gulden. Daar het strafmaximum op vier jaren gevangenisstraf is gesteld, kan ingevolge artikel 64 Wetboek van Strafvordering voorlopige hechtenis worden toegepast. Het derde lid van ar-tikel 10 bepaalt: ‘De middelen worden verbeurd verklaard of aan het verkeer onttrokken verklaard’.

    5.2.2. De Wet op de geneesmiddelenvoorziening van 28 juli 1958, Stb. 408 strekt ertoe het bereiden en afleveren van geneesmiddelen voor te behouden aan gevestigde apothekers, apotheekhoudende artsen, en apothekersassistenten of aan houders van een vergunning. Vergunningen worden o.a. gegeven aan farmaceutische groothandelaren en farmaceutische industrieën.

    Personen, die bovengenoemde kwaliteit of bevoegdheid niet bezitten, is het bereiden en afleveren van geneesmiddelen verboden. Overtreding van dit verbod kan met ten hoogste zes maanden hechtenis of geldboete van ten hoogste vijf duizend gulden worden gestraft.

    Een definitie van geneesmiddel wordt niet gegeven. In de memorie van toelichting wordt in dit verband gezegd: ‘In de praktijk echter is iedere definitie onvoldoende gebleken. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door het feit dat eenzelfde stof nu eens als geneesmiddel, dan weer als chemicalie gebruikt wordt, met andere woorden eerst de bestemming maakt een stof tot geneesmiddel’. Amfetaminen en andere middelen met een soortgelijke werking behoren tot de geneesmiddelen, waarvan de wet de aflevering op bijzonder strikte wijze regelt. Zij nemen sedert de inwerkingtreding op 1 januari 1972 van de Wet van 7 april 1971, Stb. 361, een uitzonderingspositie in, voor zover niet alleen het in strijd met de wet bereiden en afleveren, maar ook het aanwezig hebben zonder daarvoor een recept te hebben verkregen, strafbaar is.

    5.2.3. De Wegenverkeerswet. Met betrekking tot het gebruik van drugs zijn in de Wegenverkeerswet van belang de artikelen 26, 35, eerste lid, en 36.

    Ingevolge artikel 26, eerste lid, is het ‘den bestuurder van een motorrijtuig, een rijwiel of een ander rij- of voertuig verboden daarmede over een weg te rijden, terwijl hij verkeert onder zoodanigen invioed van het gebruik van alcoholhoudende drank, dat hij niet in staat moet worden geacht het motorrijtuig, het rijwiel of het andere rij- of voertuig naar behoren te besturen’. Het derde lid luidt: ‘Voor de toepassing van dit artikel wordt met alcoholhoudende drank gelijkgesteld elke stof waarvan de bestuurder weet of redelijkerwijze moet weten, dat het gebruik de rijvaardigheid kan verminderen’. Dit derde lid werd ingevoegd bij de wijzigingswet van 29 oktober 1958, Stb. 505.

    Artikel 35, eerste lid, bepaalt dat handelen in strijd met artikel 26 wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden.

    Artikel 36, eerste lid, houdt in dat degene aan wiens schuld, bij gelegenheid van een verkeersongeval, de dood van een ander te wijten is, indien de dood door dat verkeersongeval is veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar. In het tweede lid is, in geval van zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel dat tijdelijk ziekte of verhindering in de uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden ontstaat, het straf-maximum gesteld op gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste negen maanden. Het derde lid bepaalt: ‘Indien de schuldige tijdens het ongeval onder zoodanigen invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank of van een stof, als bedoeld in artikel 26, derde lid, verkeerde, dat hij niet in staat moest worden geacht het motorrijtuig naar behoren te besturen, wordt hij gestraft, in het geval, bedoeld in het eerste lid met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren en in het geval, bedoeld in het tweede lid met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren’.

    5.3. Opsporing

    5.3.1. Gadourek en Jessen (1) berekenden dat 0,7 % van de gebruikers met de politie in aanraking komt. In een beschrijvend statistisch onderzoek komen Tulkens en Gerner (2) tot de conclusie dat de politie weliswaar niet rigoureus optreedt tegen druggebruik (in de vorm van permanente controle en surveillance), maar ook niet een selectief beleid voert in die zin, dat slechts de zwaardere gevallen worden geregistreert.

    Hoe de processen-verbaal over de verschillende drugdelicten zijn verdeeld, blijkt uit de hierna volgende gegevens die in voornoemd rapport worden ver-meld. Aan de hand van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerde Maandstatistiek van Politie en Justitie, afleveringen juli 1969, juni 1970 en augustus 1971 (hierna te noemen C.B.S.-gegevens) zijn percentages berekend die betrekking hebben op: a de aard van de handeling. b de aard van het middel. Blijkens deze berekeningen vormen de strafbare feiten ‘invoeren’ en ‘verhandelen’ in de periode 1965-1970 resp. 12%,14%,19%,12% en 14% van het totale aantal strafbare handelingen met drugs dat ter kennis van Justitie kwam. (Naast invoeren en verhandelen, worden onderscheiden: gebruiken van vals recept, aanwenden, onbevoegd voorhanden hebben).

    De onderverdeling naar de aard van het middel laat m.b.t. overtreding van artikel 2 van de Opiumwet (opium, morfine, palfium, L.S.D. e.d.) percentages zien van 42, 24, 20, 20, 16 en 15. Overtreding van artikel 3 van de Opiumwet (hennep) vond plaats in 58%, 76%, 80%, 80%, 84% en 85% der gevallen.

    ‘De (niet-specifieke) recidive onder de geverbaliseerden is aanzienlijk en is onder de handelaren groter dan onder de gebruikers’, aldus het rapport. Dit zou overigens, naar de mening van de werkgroep, wel op selectief optreden in bepaald opzicht kunnen wijzen.

    Tulkens meent dat het ontbreken van een publieke graadmeter a-selectief politie-optreden bevordert. Immers de registratie van drugdelicten wordt in afwijking van de meeste andere misdrijven, niet bepaald door de aangifte, maar door de activiteit van de politie. Het puliek functioneert hier niet als zeef. Ook Heijder (3) acht het ontbreken van een slachtoffer dat aangifte doet een fundamenteel gegeven in de opsporing van verdovende middelen.

    5.3.2. De Recherche Advies Commissie, ingesteld bij beschikking van de minister van justitie en de minister van binnenlandse zaken van 31 juli 1969, heeft een Werkgroep Bestrijding Sluikhandel Verdovende Middelen in het le-ven geroepen. Voorzitter is de heer G. J. Torenaar, hoofdinspecteur van gemeentepolitie te Amsterdam. De taakomschrijving van deze werkgroep luidt als volgt:

    ‘Het verschaffen van een inzicht in de problemen rond de handhaving van de Opiumwet en een beantwoording van de vragen, die daarbij rijzen. Bij de huidige omvang van het drugprobleem schiet de opzet van de bestrijding, zoals thans vervat in hoofdstuk L (het hoofdstuk betreffende de sluikhandel in verdovende middelen) van de Richtlijnen (de richtlijnen ter bevordering van een doelmatige opsporing), duidelijk te kort. De werkgroep zal het probleem van de opsporing in wijder verband moeten bezien. Zij zal zich echter niet moeten begeven op het terrein van het vervolgingsbeleid en van de bejegening van delinquenten. Een aantal vragen eist in ieder geval beantwoording:

    a. Welke politiekorpsen/districten moeten drugspecialisten hebben en hoeveel? (Hierbij ware ook te denken aan de Koninklij ke Marechaussee en de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen).

    b. Hoe zou de organisatie van de samenwerking tussen deze specialisten moeten zijn (eventueel in regionaal verband)?

    c. Hoe zou de organisatie van de samenwerking met het centrale punt (de Onderafdeling Opsporings Bijstand) moeten zijn?

    d. In hoeverre dienen de thans bestaande richtlijnen m.b.t. de bestrijding van de sluikhandel in verdovende middelen te worden herzien?

    e. Welke informatie moet worden ingewonnen, op welke wijze en waar moet deze worden opgeslagen?

    f. Hoe en waar moeten drugspecialisten worden opgeleid?’

    5.4. Vervolging

    Bij de parlementaire behandeling van het drugvraagstuk is meer dan eens vermeld dat het openbaar ministerie in dezen naar een genuanceerd beleid streeft. Bekend is dat in de bestaande beleidsafspraken (richtlijnen) onderscheid wordt gemaakt tussen gebruiker enerzijds en de professionele handelaren anderzijds, terwijl de gebruikers/handelaren als een afzonderlijke groep worden beschouwd.

    In het jaarverslag van het openbaar ministerie 1970 - als bijlage gevoegd bij de memorie van toelichting op de justitiebegroting 1972 - wordt medegedeeld dat het openbaar ministerie in het afgelopen jaar sterke nadruk legde op de handel in drugs. Waar het gebruik van drugs betrof, en vooral verslaving aan druggebruik, konden - aldus het verslag - mogelijkheden van goede opvang aanleiding zijn om strafrechtelijk optreden achterwege te laten dan wel deze opvang zo effectief mogelijk in het strafrechtelijk optreden te integreren. In hetzelfde verslag is sprake van het besef dat ten aanzien van de bejegening van gebruikers het accent meer dient te liggen op de voorlichting en opvang door organen van volksgezondheid en maatschappelijk werk.

    In het rapport van Tulkens en Gerner wordt gewezen op een toeneming van de sepots sinds 1969. In dat jaar overtreft het aantal sepots voor het eerst het aantal veroordelingen. De in het rapport opgenomen gegevens van het C.B.S. volgen hierna:

      1965 1966 1967 1968 1969 1970
    veroordelingen 38 48 153 258 247 469
    sepots 18 26 59 99 297 609
      56 74 212 357 544 1178

    5.5. Rechterlijk beleid

    Tulkens en Gerner bewerkten de C.B.S. gegevens betreffende veroordelingen wegens overtreding van de Opiumwet in de jaren 1965-1970 m.b.t. geheel Nederland. Dit leverde de volgende cijferes op.

    A. Strafsoort

    vrijheidsstraf* 1965 1966 1967 1968 1969 1970
    onvoorwaardelijk 12 20 50 65 61 104
    deels voorwaardelijk 14 14 68 107 50 96
    geheel voorwaardelijk 4 5 14 31 20 45
    voorw. vrijh. straf met onvw. geldboete 5 7 16 49 68 90
    onvw. geldboete 3 2 5 8 46 126
    berisping - - - - 1 4
    Totaal 38 48 163 260 246 465

    *Onder vrijheidsstraf is begrepen: gevangenisstraf, hechtenis, tuchtschoolstraf, straf van arrest. De laatste drie straffen zijn in 1965-1969 in totaal (voorw. en onvoorw.) resp. 15x en 5x toegepast.

    In 1969 werd 1 verbeurdverklaring uitgesproken, waardoor het aantal veroordelingen op 247 kwam. In 1970 werden ook nog 2 ondertoezichtstellingen, 1 jeugd-t.b.r. en 1 schuldigverklaring zonder straf of maatregel uitgesproken, zodat het totale aantal veroordelingen in dat jaar 469 was.

    B. Recapitulatie strafsoorten in % van het jaartotaal

      1965 1966 1967 1968 1969 1970
    vrijh. straf geheel of ged. onvoorwaard. 68 71 84 66 45 43
    vrijh. straf geheel of ged. voorwaard. (al of niet in combinatie met geldboete 60 54 64 72 56 49
    comb. voorw. en onvoorw. vrijh. straf 37 29 44 41 20 20
    geldboete (al of niet in comb. met voorw. vrijh. straf) 21 19 14 22 46 46
    comb. voorw. vrijh. straf met geldboete 13 15 10 19 28 19

    In 1969 valt een sterke wijziging in het straftoemetingsbeleid te constateren. De onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen worden evenals de voorwaardelijke vrijheidsstraffen en de combinatie van beide, aanmerkelijk minder toegepast. De daling in de vrijheidsstraffen gaat ten gunste van de boete. Deze tendentie zette zich in 1970 voort.

    In de veroordelingen tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraf en onvoorwaardelijke geldboete worden nog onderverdelingen gemaakt. Het percentage vrijheidsstraffen boven de zes maanden is in de periode 1967-1970 gedaald. Deze percentages waren respectievelijk 41, 40,27 en 26.

    Wat de opgelegde boetes aangaat, deze bedroegen in het Jaar 1970 in 79% der gevallen Fl 100,- of minder.

    (1) I. Gadourek en J. L. Jessen, zie deel I hoofdstuk 4 (4).

    (2) J. J. J. Tulkens en M. S. A. Gerner, Overtreding van de Opiumwet, een beschrijvend statistisch onderzoek, uitgegeven door het Wetenschappelijk Voorlichtings- en Documentatiecentrum van het ministerie van justitie, rapport mei 1971, herzien en aangevuld in februari 1972, nog niet gepubliceerd.

    (3) A. Heijder, De strafrechtelijke repressie, In: W. K. van Dijk en L. H. C. Hulsman, Drugs in Nederland, Paul Brand. Bussum 1970, p.64.

     

    Hoofdstuk 6. Cannabis (hennep)

     

    6.1. Begripsomschrijving en herkomst van marihuana en hashish 

    Tot de cannabisprodukten behoren: marihuana en hashish.

    Onder marihuana wordt verstaan de min of meer fijngemaakte bloeitoppen van de hennepplant, vermengd met bladeren en soms ook met steeltjes en zaden .

    Onder hashish wordt verstaan elke bereiding waaraan de hennephars ten grondslag ligt.

    De hennepplant (cannabis Sativa L.) is meestal tweehuizig, (afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke planten) hoewel ook eenhuizige planten voorkomen (mannelijke en vrouwelijke bloemen aan dezelfde plant).

    De hars, die de physiologisch actieve bestanddelen bevat, komt in de gehele plant voor, maar het gehalte is het hoogst in de bloeiende of vruchtdragende toppen van de vrouwelijke planten. Aan deze toppen wordt een hars afgescheiden, waarin de actieve bestanddelen zijn geconcentreerd. Dit is de reden waarom van oudsher juist deze toppen als grondstof, zowel voor de bereiding van medicinale preparaten (extract en tinctuur van hennep) als voor marihuana en hashish worden gebruikt.

    Vroeger werd aangenomen dat er een aantal variëteiten van de hennepplant bestond, waarbij de variëteit ‘Indica’ voor extract, tinctuur, marihuana en hashish werd gebruikt. Volgens nieuwe opvattingen zijn er geen variëteiten maar wel verschillende rassen waarbij de hoeveelheid en aard van de chemische bestanddelen kunnen variëren; men spreekt dan ook wel van ‘chemo-vars’. Indien men in Nederland hennep kweekt uit geïmporteerde zaden (b.v. uit Turkije), zullen de planten hier wat chemische samenstelling betreft een overeenkomst vertonen met de planten in het land van herkomst.

    Naast genetische factoren (het ras) spelen ook factoren als klimaat, belichting en aard van de grond een rol bij de harsproductie (kwantitatief).

    6.2. Bestanddelen van hennephars

    De hennephars is een uiterst complexe substantie, waaruit tot nu toe meer dan 50 verschillende verbindingen zijn geïsoleerd.

    Van groot belang zijn de z.g. ‘cannabinoiden ‘, een groep van stoffen waartoe het tetrahydrocannabinol (T.H.C.) behoort. Ook T.H.C. is niet een enkelvoudige stof. Van deze stof komen een aantal isomeren en homologen in de hennephars voor.

    Onder isomeren van een stof worden verbindingen verstaan die dezelfde formule hebben, maar verschillende ruimtelijke structuren bezitten. Deze verbindingen zijn veelal chemisch identiek, d.w.z. zij vertonen dezelfde chemische reacties, maar zij verschillen in fysiologische werking.

    De isomeren van T.H.C. worden onderscheiden naar de plaats waar de dubbele band zich in de gehydreerde koolstofring bevindt. De meest actieve isomeer is de delta-1-isomeer. Er bestaat nog geen internationaal algemeen aanvaarde structuurbeschrijving voor de cannabinoiden. In Amerika past men b.v. een andere nummering toe en spreekt men van de delta-9-isomeer. Naast isomeren komen ook homologen van T.H.C. in cannabishars voor. Homologen van T.H.C. verschillen onderling slechts in de lengte van de alifatische zijketen. T.H.C. bezit een (alifatische) zijketen met 5 koolstofatomen (pentylgroep CsH11). Recentelijk (1970) is ontdekt dat in hashish ook T.H.C. voorkomt met een propylgroep (C3H7) als zijketen, terwijl enkele maanden geleden T.H.C. met een methylgroep (CH3) in plaats van de zijketen is gevonden.

    De cannabinoiden worden voorts onderscheiden in fenolen en zuren. Zo komt in hashish ook T.H.C.-zuur voor. Het gehalte aan T.H.C.-zuur kan zelfs veel groter zijn dan het T.H.C.-gehalte. Dit zuur is van belang omdat het bij verhitten (b.v. roken) maar ook zelfs bij het bewaren van een hashishmonster overgaat in T.H.C. Indien hashish gegeten of gespoten wordt (proefdieren), is het zuur echter vrijwel onwerkzaam.

    Aangezien in sommige hashishmonsters het gehalte aan T.H.C.-zuur het tienvoudige bedraagt van het T.H.C.-gehalte, ligt het voor de hand dat bij farmacologische proeven met hashish of hashishextracten, waaraan niet een uitgebreide chemische analyse van de monsters vooraf is gegaan , tegenstrijdige gegevens worden gevonden. Tot op de huidige dag worden echter nog steeds resultaten van proefnemingen gepubliceerd, zonder dat van de hashish of marihuana het T.H.C.-gehalte en het T.H.C.-zuurgehalte exact is vastgesteld .

    Uit het voorgaande is wel gebleken dat de hars van de hennep een uiterst ingewikkeld complex van stoffen bevat.

    6.3. Farmacologische werkzaamheid van cannabis

    Zoals reeds is vermeld, worden de tetrahydrocannabinolen (isomeren en homologen) als de fysiologisch meest actieve bestanddelen van de hennephars beschouwd .

    Daarnaast zijn echter ongetwijfeld nog andere werkzame stoffen aanwezig. De werkzaamheid van de geïsoleerde stoffen is nog onvoldoende onderzocht, terwijl hun interactie nog een vrijwel braakliggend terrein is.

    T.H.C. wordt in het lichaam vrij snel omgezet in meer actieve stoffen. Geïsoleerd zijn dit: het 7-hydroxy-T.H.C. en het 7-5-hydroxy-T.H.C. De eerst vermelde metaboliet is drie keer zo actief als T.H.C. Er zijn aanwijzingen dat niet T.H.C. zelf, maar de eerstgenoemde metaboliet de voor de werking verantwoordelijke stof is. De uitscheiding van T.H.C. en de metabolieten geschiedt langzaam. Na enkele dagen zijn deze stoffen nog aantoonbaar in de weefsels. Dit is een mogelijke verklaring voor het verschijnsel dat regelmatige rokers na enige tijd met een lagere dosis kunnen volstaan hetgeen met ‘reversed tolerance wordt aangeduid.

    Ook zou tolerantie voor T.H.C. zijn geconstateerd; merkwaardig is dat deze tolerantie niet kon worden opgewekt door het toedienen van zuivere T.H.C., maar eerst na het toedienen van een hashishpreparaat optrad.

    Bij roken en intraveneuse injectie treden de subjectieve effecten snel op, variërend van een tot tien minuten, terwijl het maximale effect bij niet te hoge doseringen na drie tot vier uren is verdwenen

    6.4. Effecten op korte termijn

    6.4.1. Fysiologische effecten van het gebruik van cannabis

    Tot de fysiologische effecten van het gebruik van cannabis behoren: versnelling van de polsslag, zwelling van de kleine bloedvaten rond het oog (rood worden van het oog), droge ogen en droge slijmvliezen (mond), irritatie van de slijmvliezen, vermindering van de spierkracht, diuretisch effect en in zeldzame gevallen: diarrhee en braken. In het electro-encephalogram werden zeer kleine veranderingen waargenomen, met name in het alpharitme.

    Grootte van de pupillen, bloeddruk, ademhaling, lichaamstemperatuur en kniepeesreflex ondergaan geen veranderingen, de bloedsuikerspiegel verandert weinig (1 ).

    6.4.2. Invloed van het gebruik van cannabis op de motoriek.

    Eenvoudige taken worden correct verricht, het uitvoeren van complexe opdrachten wordt blijkens een aantal onderzoeken negatief beïnvloed. De vermindering in prestatie is groter bij personen die voordien zelden of nooit cannabis hadden gebruikt dan bij regelmatige gebruikers (1).

    In het overzicht van laboratoriumstudies betreffende cannabis, uitgegeven door de Stichting voor Alcohol- en Drugsonderzoek (2) worden onderzoeken van Weil en Zinberg (1969, 1970) en Meijer e.a. (1971) vermeld. Deze onderzoekers constateerden dat regelmatige gebruikers diverse opdrachten even goed of zelfs beter verrichtten na het roken van marihuana dan zonder dit middel. Bij de personen die voorheen zelden of nooit marihuana hadden gebruikt was dit niet altijd het geval.

    Ook over de invloed van cannabisgebruik op de rijvaardigheid zijn in de literatuur tegenstrijdige gegevens te vinden. In het veel aangehaalde onderzoek van Crancer (3) met een carsimulator maakten 36 regelmatige marihuanarokers na het roken van twee marihuanasigaretten wel meer snelheidsfouten dan onder normale condities, maar met betrekking tot sturen, remmen, optrekken en het aangeven van de richting werden na het roken niet meer vergissingen begaan dan in nuchtere toestand. Bij een recent onderzoek van Bech e.a. (4) uitgevoerd met een carsimulator aan de Universiteit van Kopenhagen, werd vastgesteld dat na het roken van 400 mg hashish (i 16 mg T.H.C., i drie marihuanasigaretten) de reactietijd was toegenomen met 50%, terwijl de remweg met 60% was verlengd. Na het gebruik van 200 en 300 mg cannabis werd geen verandering in reactietijd waargenomen en een verlenging van de remweg met resp. 5% en 16% geconstateerd.

    6.4.3. Psychische effecten op korte termijn van het gebruik van cannabis

    Het onderzoek van de psychische effecten van cannabis is bijzonder moeilijk. Methodologisch verantwoord onderzoek dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:

    a. Exacte bepaling van het gehalte aan T.H.C. en T.H.C.-zuur in de hennep.

    b. Het werken met drie onderzoekgroepen: een controlegroep krijgt een placebo (niet werkzaam middel),de beide andere groepen van resp. gebruikers er; niet-gebruikers krijgen hennep toegediend.

    c. Wanneer de hennep wordt gerookt, dient de rooktechniek gestandariseerd te worden. Van orale toediening mag men andere effecten verwachten.

    d. De onderzoekers mogen niet weten wie een placebo en wie hennep krijgt.

    De proefpersonen mogen - in het ideale geval - niet weten dat het om hennep gaat.

    Vervolgens rijst het probleem van de keuze der onderzoekinstrumenten. Introspectie achteraf oefent geen invloed uit op de psychische effecten, maar is als instrument vrij zwak. De uitkomsten van tests zijn exacter, maar oefenen weer invloed uit op de psychische effecten.

    Tot de psychische effecten op korte termijn moet in de eerste plaats worden gerekend een verandering in het tijdsbesef. De uitkomsten van proeven die betrekking hebben op de tijdwaarneming vertonen de grootste overeenkomst. In vrijwel alle experimenten werd vastgesteld dat men onder invloed van marihuana de tijd langer vond duren en deze dan ook langer schatte dan de kloktijd (1)(2). In het overzicht van laboratoriumstudies van de Stichting Alcohol- en Drugsonderzoek worden in dit verband de theorieën van o.a. Melges e.a. (1970, 1971 ) kort weergegeven: Zij deden hun proeven met 18 academisch gevormde mannen tussen de 21 en 36 jaar oud die voorheen nooit marihuana hadden gebruikt. Door middel van hun onderzoeken trachtten zij een verband te leggen tussen de gestoorde tijdsbeleving, een veranderde zelfbeleving en doelmatig handelen.

    In dit experiment kwamen objectief gezien de stoornissen in de tijdsbeleving hierin tot uitdrukking dat de proefpersonen moeite hadden om herinneringen, waarnemingen en verwachtingen , relevant voor het bereiken van een bepaalde taak of doelstelling, vast te houden, te coördineren en in een logische volgorde te plaatsen. Het vermogen doelbewust te handelen nam af.

    Subjectief werden de stoornissen ervaren als een verwarring van verleden, heden en toekomst, met de neiging vooral stil te blijven staan bij het heden. Het gaat hier om samenhangende processen, aldus Melges c.s. Als onder invloed van marihuana een persoon minder in staat raakt verleden, heden en toekomst te integreren, richt zijn bewustzijn zich meer op ‘de dingen van het nu’, die op hun beurt worden ervaren als langer durend dan in werkelijkheid het geval is of ook wel als ‘tijdloos’ naarmate zij hun verbindende functie tussen verleden en toekomst dreigen te verliezen. Met het intenser worden van de stoornissen in de tijdsbeleving, nemen ook de gevoelens van depersonalisatie toe. Hoewel er bij de proefpersonen verschillen bestonden in emotionele reacties, ging over het algemeen de concentratie op het heden en de vervreemding van zichzelf gepaard met euforie, met gevoelens dus van welbevinden. Slechts een enkele maal trad paniek op.

    Algemeen wordt aangenomen dat in lage doseringen cannabis euforiserend en sederend werkt. Bij hoge doseringen kunnen angst, verwarring, rusteloosheid, achtervolgingswaaan, halucinaties en depersonalisatietoestanden optreden (1). Van Praag vermeldt echter dat Tinklenberg e.a. geen dosis-afhankelijkheid vonden voor het marihuana-effect. (Psychosen zullen nog in een afzonderlijk onderdeel 6.6. worden behandeld).

    Een effect op korte termijn dat door de meeste gebruikers wordt vermeld, is:

    intensivering van zintuiglijke waarnemingen. Kleuren en muziek, soms ook smaken en geuren worden sterker beleefd. Deze subjectieve ervaringen werden niet door experimenten geobjectiveerd. Drempelwaarden voor zintuiglijke prikkels, zoals trilling, kleur en aanraking werden gemeten en bleken geen veranderingen door het gebruik te hebben ondergaan (1).

    Goode (5) verzocht tweehonderd vrij zware hennepgebruikers de werkingen van hennep die zij hadden ervaren, uit hun herinnering op te schrijven. Op deze wijze kwam een lijst van 41 soorten ervaringen tot stand. De belangrijkste waren:

      Aantal gebruikers % van de steekproef
    Meer ontspannen, vredig, kalmer, marihuana werkt als tranquillizer 88 40
    Grotere zintuigelijke gevoeligheid 69 36
    Denk dieper, heb diepere gedachten 60 31
    Lach meer, alles lijkt grappig 55 29
    Meer intense stemming, gevoel dat dingen iets betekenen 48 25
    Verandering in tijdwaarneming, tijd verloopt langzamer, wordt 'elastisch' etc 44 23

     

    6.5 Effecten op lange termijn

    Als een effect op lange termijn zou wijziging in het karakter tengevolge van het gebruik van cannabis moeten worden beschouwd. Volgens sommige auteurs leidt het regelmatig gebruik van cannabis tot indolentie of in elk geval tot een verlaging van het strevingsniveau. Men spreekt ook wel van het ‘amotivatie-syndroom’.

    De Indian Hemp Drugs Commission en het New York Mayor’s Committee on Marihuana kwamen tot de conclusie dat langdurig matig gebruik van cannabis geen schadelijke effecten heeft. De Wootton-commissie sloot zich hierbij aan (6) (7) (8). ‘

    In het rapport van de W.H.O.-deskundigen (1) staat een niet gepubliceerd onderzoek van Soueif vermeld dat werd verricht onder 1689 gevangenen in Egypte. 850 Personen waren hashish-gebruikers geweest, terwijl 839 niet-gebruikers de controlegroep vormden. Om personen van ongeveer hetzelfde opleidingsniveau met elkaar te kunnen vergelijken, werden de groepen onderverdeeld in subgroepen. Op tests voor snelheid en nauwkeurigheid bij het verrichten van psychomotorische handelingen, tests voor reactiesnelheid en geheugentests scoorden de gebruikers lager dan de personen van de controlegroep. De WHO-deskundigen voegen daar zelf aan toe dat uit het samengaan van het gebruik van cannabis met slechtere prestaties, niet zonder meer een causaal verband kan worden afgeleid. De verschillen zouden reeds voor het gebruik hebben kunnen bestaan, maar zouden bijvoorbeeld ook verband kunnen houden met verschillen in levensstijl tengevolge van het deelnemen aan activiteiten die bij de wet zijn verboden en maatschappelijk worden afgekeurd.

    Van Praag (9) wijst op de methodologische moeilijkheden die zich voordoen bij het onderzoek naar psychische effecten tengevolge van een langdurig gebruik van een drug. ‘Veel, zo niet alles hangt af van de mogelijkheid een adequate controlegroep te formeren’. ‘Wanneer het gaat om onderzoek naar de eventuele effecten op lange termijn, is men genoodzaakt ook de factor levensomstandigheden in de proefopzet te verdisconteren. Met andere woorden: in het ideale geval zou iedere chronische druggebruiker vergeleken moeten worden met een abstinent individu met vrijwel gelijke levensloop. Dat dit ideaal nauwelijks valt te benaderen, behoeft geen betoog’. Een tweede methodologische moeilijkheid bij het onderzoek naar een causaal verband tussen gebruik van een bepaalde stof en bepaalde persoonlijkheidsveranderingen is gelegen in het vereiste de betreffende gebruikers voor het gebruik van de stof, en na verloop van een langere periode waarin die stof regelmatig werd gebruikt, te onderzoeken. Het zou immers heel goed kunnen zijn dat personen met een bepaalde karakterstructuur, een bepaalde houding tegenover de bestaande maatschappij of vanuit een bepaalde, voor hun gevoel uitzichtloze, situatie zich meer aangetrokken voelen tot het gebruik van cannabis dan anders geaarde individuen. Van Praag besluit een op deze moeilijkheid betrekking hebbende passage met de zin: ‘Aldus zou de gepostuleerde indolentie niet gevolg, maar veeleer drijfveer kunnen zijn geweest tot het gebruik van marihuana’.

    In verband met de beide hierboven geschetste moeilijkheden werken verwijzingen naar situaties in b.v. Noord-Afrika, waar genoemde factoren tot nu toe nog niet in de onderzoeken werden betrokken, niet verhelderend.

    Daar komt nog bij dat dosis en frequentie bij het gebruik van cannabis in N. Afrika en India veel hoger liggen dan in de Westerse landen. Hierop wordt onder 6.8 nog teruggekomen.

    Het eventuele verband tussen gebruik van cannabis en indolentie zou tenslotte ook nog verklaard kunnen worden met behulp van een interveniërende variabele. Als zodanig zou de subcultuur, waaraan veel gebruikers van cannabis deelnemen, kunnen fungeren. De invloed die kan uitgaan van de subcultuur werd besproken in hoofdstuk3.

    Overigens is een verband tussen gebruik van cannabis en indolentie nog niet aangetoond (zie ook 3.7.4. waar wordt ingegaan op de relatie tussen druggebruik in het algemeen en de werkhouding). Van Praag (8) vermeldt twee onderzoeken naar een verband tussen het gebruik van marihuana en universitaire prestaties als volgt: ‘Tenslotte nog een enkel gegeven over marihuanagebruik en (universitaire) prestaties. Pillard (1970) zocht bij medische studenten naar een verband tussen het gebruik van marihuana en studie-resultaten, waarbij ervan werd uitgegaan dat het met succes volgen van een universitaire studie, behalve intelligentie, precies die eigenschappen vereist, waarvan gezegd wordt dat zij door marihuana worden ondergraven. Pillard vond geen verband tussen roken van marihuana en plaats op de ranglijst in de jaargang.

    Hieraan dient wel te worden toegevoegd, dat zijn groep overwegend lichte gebruikers bevatte, gebruikers die marihuana incidenteel, niet regelmatig rookten. Hindmarch (1970) kwam aan een universiteit in Engeland tot overeenkomstige conclusies. Tussen een groep cannabis-gebruikers en een con trole-groep bestonden geen verschillen wat betreft universitaire carriere en examenresultaten. Het marihuanaverbruik lag hier hoger dan in het eerstgenoemde onderzoek: 72% van de drug-groep gebruikte ten minste eenmaal per dag een cannabis-preparaat’.

    Van Praag concludeert dan dat de (spaarzame) gegevens uit Westerse landen die ons tot dusverre ter beschikking staan, geen aanwijzingen leveren dat cannabisproducten, gebruikt in de hier gangbare vorm en hoeveelheid het psychisch functioneren duurzaam schaden.

    6.6. Psychosen en andere ongunstige reacties

    Weil (10) meent op grond van zijn ervaringen met honderden marihuana-gebruikers dat echte psychotische reacties statistisch gezien zeldzaam zijn. Dergelijke reacties komen voor bij personen die reeds eerder tekenen van schizophrenie vertoonden (‘border line cases’) en bij gebruikers die vroeger hallucinogenen, zoals L.S.D. of psilocybine gebruikten. Laatstgenoemden ervaren na gebruik van marihuana een terugkeer van hallucinatoire belevingen, ‘flashbacks’.

    Tenslotte constateerde Weil toxische psychosen, die de vorm van een delirante toestand aannemen. Dez2 toestanden traden in een aantal gevallen op na het oraal gebruik van cannabis. Het syndroom is niet specifiek, maar kan bij overdosering van alle mogelijke farmaca optreden en verdwijnt na korte tijd vanzelf weer.

    In 75% der door Weil onderzochte gevallen waarbij ongunstige reacties optraden, betrof het paniekreacties, geïnduceerd door de angst gek te zullen worden. Deze reacties treden frequenter op in een milieu waar men afwijzend staat tegenover druggebruik dan in een omgeving waarin dit verschijnsel sociaal geaccepteerd is. De complicatie duurt kort en is waarschijnlijk niet farmacologisch bepaald.

    Depressieve reacties komen volgens Weil voor bij dwangmatig-scrupuleuse personen die twijfelen aan de juistheid van hun beslissing drugs te gebruiken. De duur varieert van enkele uren tot, in zeldzame gevallen, een paar dagen. Ook hier ligt de oorzaak waarschijnlijk niet in de farmacologische wer-king van de stof.

    Volgens sommige auteurs kan regelmatig gebruik van cannabis de oorzaak zijn van sub-chronisch verlopende psychosen die aanhouden lang nadat de werkzame bestanddelen van cannabis uit het lichaam verdwenen zijn.

    ‘Cannabispsychosen’ zijn in hoofdzaak in Noord-Afrikaanse landen en in India beschreven (9). Daarbij dient echter het volgende te worden bedacht:

    • De in deze gebieden per persoon gebruikte hoeveelheden zijn veel groter dan in het Westen .
    • Een ziektebeeld dat aan de hand van bepaalde symptomen als een specifieke ‘cannabispsychose’ zou zijn te diagnosticeren, is tot nu toe nog niet bekend.
    • Een antwoord op de vraag of er werkelijk cannabispsychosen bestaan kan derhalve, zoals Van Praag schrijft, ‘alleen verkregen worden op grond van een vergelijkend onderzoek van de psychosen-frequentie: a. in vergelijkbare cannabis-vrije en cannabisgebruikende gemeenschappen, b. in een groep cannabis-gebruikers en een vergelijkbare groep niet-gebruikers binnen een cannabisgebruikende gemeenschap. Een hogere frequentie van psychosen in de cannabis-gebruikende groepen zou een sterk argument zijn voor het bestaan van een cannabispsychose’. Een dergelijk epidemiologisch onderzoek is nog nauwelijks verricht. In de publicatie van Benabud (1957) vindt het con-cept van de cannabispsychose, volgens van Praag, weinig steun, daar de door Benabud gevonden psychosen-frequentie onder Kif (marihuana)-rokers in Marokko gelijk is aan de psychosen-frequentie in de bevolking als geheel van verschillende landen waarvan deze getallen bekend zijn.

    6.7. Steppingstone-hypothese

    Tot de effecten van het gebruik van cannabis kan ook het overgaan op het gebruik van andere drugs worden gerekend. In dit verband wordt dikwijls een steppingstone-hypothese~geformuleerd. Dit kan op verschillende wijzen gebeuren. Uitgangspunt is de stelling dat het regelmatig gebruik van een cannabisproduct de kans op het gebruik van andere drugs (L.S.D., opium, amfetaminen) verg root. Over de juistheid van deze stelling verschillen de meningen.

    In het WHO-deskundigenrapport (1) wordt aangenomen dat er in elk geval een positief verband bestaat tussen het gebruik van cannabisproducten en het experimenterend gebruik van andere drugs. Van Praag (9) citeert Pillard (1970) die goed gedocumenteerd tot de slotsom komt dat: ‘no one has failed to find a statistical relation between marihuana and the use of other drugs - legal and illegal’. Daarnaast vermeldt de schrijver dat Grinspoon (1969) enkele maanden eerder concludeerde dat: ‘there is no evidence that marihuana is more likely than alcohol or tobacco to lead to the use of narcotics’.

    Cohen (11) constateert: ‘Ongeveer 75% van de mensen die - klandestiene - drugs gaan gebruiken, gaan ook andere stoffen gebruiken. Veelal gebruiken ze deze middelen echter niet op een continue basis, maar houden ze na een tijdje weer met het gebruik op’. Hierbij zij opgemerkt dat het onderzoek van Cohen was gericht op druggebruik, zoals dat in het gebruikers-‘milieu’, de ‘scene’ plaatsvindt.

    Indien het uitgangspunt dat regelmatig gebruik van een cannabisproduct de kans op het gebruik van andere drugs vergroot, juist is, komt de vraag aan de orde hoe men het verband tussen het gebruik van cannabisproducten en andere drugs moet formuleren.

    Er zijn verschillende mogelijkheden:

    a. Een direct causaal verband. Van een causaal verband zou gesproken kunnen worden als de farmacologische eigenschappen van de werkzame bestanddelen van hennep bij de gebruiker de behoefte zouden doen ontstaan om op andere, eventueel sterker werkende middelen, over te gaan. De veronderstelling dat een dergelijk verband bestaat, werd onder 3.7.1 met de ‘klassieke steppingstone-hypothese’ aangeduid.

    b. Een onderliggende variabele. Het aannemen van een onderliggende variabele houdt in dat men het bestaan aanneemt van een of meer factoren die de gebruiker voorbestemmen zowel tot het gebruik van hennep als tot het gebruik van andere drugs, terwijl tussen het gebruik van de verschillende typen drugs geen verband bestaat.

    c. Een interveniërende variabele. Toegepast op druggebruik stelt de hypothese waarbij het bestaan van een interveniërende variabele wordt aangenomen, dat het verband tussen hennep-gebruik en het gebruik van andere drugs niet direct is, maar verloopt via de deelneming of involvatie in de druggebruikende subsultuur.

    ad. a. Ter ondersteuning van een direct causaal verband kon tot nu toe geen bewijsmateriaal worden aangevoerd.

    ad. b. De in hoofdstuk 2 behandelde psychologische en sociaal-psychologische aspecten van het druggebruik rechtvaardigen het vermoeden dat onderliggende factoren wel een rol zullen spelen wanneer gebruik van cannabis gepaard gaat met gebruik van andere drugs.

    ad. c. De hypothese van de interveniërende variabele vindt steun in de resultaten van onderzoeken van Johnson (12) Goode (5) en Cohen (13). In genoemde studies werd een verband gevonden tussen a. de zwaarte van hennepgebruik en de mate van subculturele involvatie en b. de mate van suboulturele involvatie en het gebruik van meerdere stoffen. Indicaties voor het diep geïnvolveerd zijn in de drugsubcultuur zijn: handelsactiviteiten met betrekking tot hennep, proselyteren en een hoog percentage vrienden dat hennep en andere drugs gebruikt. Wanneer men aanneemt dat de subcultuur de functie van interveniërende variabele vervult, betekent dit dat personen die meer hennep gaan gebruiken, b.v. dagelijks, dieper geïnvolveerd raken in de drugcultuur. Ze krijgen meer vrienden die hennep gebruiken, ze gaan anderen overhalen tot het gebruik van hennep en veelal volgt eveneens handel in hennep. Doordat hennepgebruik en handel in hennep illegale activiteiten zijn, krijgen zij ook contacten met mensen die zich op datzelfde illegale forum bewegen, maar andere middelen (amfetaminen, opium, heroine, L.S.D.) verkopen. Via deze contacten worden deze zwaardere drugs betrokken. Johnson vond ook dat mensen deze zwaardere drugs pas gingen gebruiken als zij vrienden kregen die deze drugs gebruikten. Het maken van die vrienden gebeurde niet zelden door de verkoop van hennep.

    6.8. Dosering

    De waarden, welke men in de literatuur vindt, zijn vaak moeilijk te interpreteren. In vele gevallen wordt van 2 of 3 marihuana-sigaretten gesproken of 300 mg hashish zonder dat het T.H.C.-gehalte bekend was. Men rekent dan meestal met 5 mg T.H.C. per sigaret, terwijl het gemiddelde T.H.C.-gehalte van ‘hashish’ op 5% wordt gesteld. Aangezien bij het roken slechts een deel wordt opgenomen, waarbij de wijze van roken van invloed is, mag geen exacte betekenis aan de waarden worden gehecht.

    Men neemt echter aan dat de drempelwaarde van T.H.C. circa 1 mg bedraagt (duidelijk versnelde polsslag). 5-10 mg T.H.C. zou voldoende zijn om ‘high’ te worden .

    Volgens W. H. McGlothlin is het gemiddelde T.H.C.-gebruik van een matige roker in Amerika 10-20 mg T.H.C. per dag, in Egypte, Marokko en India 40-50 mg T.H.C. per dag. ‘Zware’ gebruikers in Amerika zouden circa 40-50 mg T.H.C. per dag opnemen, terwijl deze waarden voor Egypte en Marokko i 200 zouden zijn. In India vindt men, aldus deze auteur, rokers die tot 700 mg T.H.C. per dag komen.

    6.9. Het T. H.C.-gehalte van in Nederland in beslag genomen hashish monsters

    In het gerechtelijk laboratorium van het ministerie van justitie werd een onderzoek ingesteld naar het T.H.C.-gehalte van hashish-monsters, welke in de eerste helft van het jaar 1971 voor onderzoek werden ontvangen. Hiertoe werden 225 monsters (willekeurig gekozen) geanalyseerd. De aanleiding tot dit onderzoek was het feit dat van de zijde van justitie en politie herhaaldelijk een verzoek kwam om bepaalde monsters op de aanwezigheid van vreemde stoffen (met name S.T.P. en mescaline) te onderzoeken, aangezien de gebruikers afwijkende ervaringen zouden hebben gehad. In die gevallen werd echter nooit een vreemd bestanddeel gevonden. Wel werd geconstateerd dat de bewuste monsters een hoog T.H.C.-gehalte bezaten. Bij de analyse van de 225 hashishmonsters werden de volgende waarden gevonden:

    % T.H.C. in het monster % van de monsters waarin dit gehalte gevonden werd
    0 - 2 % 16 %
    2 - 5 % 41 %
    5 - 7 % 14 %
    7 -10 % 14 %
    Meer dan 10 % T.H.C. 15 %

    In twee gevallen werden waarden van 19% T.H.C. gevonden.

    Uit het onderzoek blijkt welke enorme spreiding het T.H.C.-gehalte vertoont. Ook bij de analyse van verschillende, uiterlijk gelijksoortige, bij ‚‚n persoon in beslag gen omen hash ish monsters, werden g rote versch i llen (b.v. 2% en 8%) geconstateerd. Het is duidelijk dat deze analyse de hypothese onder-steunt dat afwijkende ervaringen meestal te verklaren zijn uit hoge T.H.C.-ge-haltes (althans hoger dan de gebruiker op dat moment verwachtte).

    Al jaren gaat het gerucht dat de hashish op de Nederlandse (illegale) markt soms met opium zou zijn vermengd. Eerst in mei 1971 werden, zowel in het politielaboratorium te Amsterdam als in het gerechtelijk laboratorium te ‘s-Gravenhage, monsters hashish met opium ontvangen. Deze hashish was, gezien de overeenkomst in uiterlijk en samenstelling, van dezelfde herkomst en moet derhalve of als zodanig ge‹mporteerd of in ‚‚n grote partij hier ver-mengd zijn. Naar de mening van de laboratorium-onderzoekers wordt de has-hish als zodanig ge‹mporteerd, maar dit is moeilijk te bewijzen. De versprei-dingsbron was Amsterdam. Op een gegeven moment (augustus 1971) ble-ken in Amsterdam 16% van de inbeslag genomen monsters opium te bevat-ten, terwijl in ‘s-Gravenhage (landelijk) 3% van de hashishmonsters opium bevatte. Het aantal hashishmonsters, waarin zich opium bevindt, is thans (oktober-november) zeer klein (minder dan 1%), zowel in Amsterdam als lan-delijk. Het opiumgehalte van de hashish is zo gering (circa 1%), dat dit niet tot fysieke afhankelijkheid kan leiden.

    6.10. Controlemogelijkheden ten aanzien van het gebruik van cannabis

    Met behulp van zeer spe,ciale methodieken (gaschromatografie gecombi-neerd met massaspectrometrie) zal het binnenkort wel mogelijk zijn de be-standdelen van cannabishars of de metabolieten in lichaamsvochten vast te stellen. De correlatie tussen het dan gevonden gehalte aan van cannabis af-komstige stoffen en de mate van be‹nvioeding is echter nog niet bekend. Voorts zal het, gezien de langzame uitscheiding die zich over enkele dagen kan uitstrekken, moeilijk zo niet onmogelijk zijn om het tijdstip van het laatste gebruik vast te stellen. Er is derhalve nog geen methode vergelijkbaar met de bloedproef bij alcohol, om de mate van be‹nvioeding op een eerder tijdstip te bepalen .

    6.11. Samenvatting en conclusie

    Cannabis geeft geen gewenning en geen fysieke afhankelijkheid. De fysiologische effecten van het gebruik van cannabis zijn van betrekkelijk onschuldige aard. Incidenteel kunnen acuut zeer onaangename psychische reacties, zoals paniek en depressie optreden. Deze verdwijnen weer na be‰indiging van het gebruik. Er zijn voorlopig geen aanwijzingen dat cannabis in de in de westerse landen gebruikelijke doseringen het psychisch functioneren duur-zaam schaadt. Voor zover cannabisgebruikers een specifiek gedrag verto-nen, houdt dit waarschijnlijk verband met involvatie in de subsultuur.

    Een aantal factoren noopt tot grote.voorzichtigheid in verband met de risi-co’s die het gebruik van cannabis kan opleveren. Er zijn sterke aanwijzingen dat de motorische functies door het gebruik op korte termijn negatief worden be‹nvioed. Dit is ook aannemelijk, gezien de storingen in het korte geheugen die, naar algemeen wordt aangenomen, optreden.

    Rijden onder invioed van cannabis moet dus als onverantwoord worden be-schouwd. Hetzelfde geldt ten aanzien van het bedienen van apparaten en het hanteren van werktuigen. Nog algemener gesteld, dient rekening te worden gehouden met een verminderd vermogen zich op een bepaalde taak te con-centreren na het gebruikvan cannabis.

    Uit het bovenstaande volgt dat het gebruik van cannabis meestal niet goed te combineren zal zijn met arbeid. Gebruik zonder risico voor individu of sa-menleving zou derhalve alleen in de vrije tijd kunnen plaatsvinden, terwijl een bepaalde periode van ontnuchtering in acht zou moeten worden geno-men. Hoe lang die periode zou moeten zijn is niet precies bekend.

    Daar controlemogelijkheden ontbreken, is toezicht op naleving van voorschriften, die rijden en wewrken onder invioed van cannabis verbieden, vooralsnog niet uitvoerbaar. *

    (1) World Health Orgarkization,Technical Report Series No.478, The use of cannabis, Report of a WHO Scientific group, Geneva 1971.

    (2) M. M. Jansen, cannabis, enige laboratoriumstudies, uitgegeven door de Stichting Alcohol- en Drugsonderzoek 1971, stencil.

    (3) Alfred Crancer e.a., A. comparison of the effect of marihuana and alcohol on si-mulated driving pedormance, Science,16 May 1969 Vol 164. p.851-854.

    (4) P. Bech e.a. Cannabis and alcohol: effects on simulated driving, voordracht ge-houden op het symposium op 30 september en 1 oktober te Amsterdam (zie Inlei-ding).

    (5) E. Goode, The marihuana smokers, New York, basic books 1970.

    (6) Report of the Indian Hemp Drugs Commission 1893-1894 (1969), Marihuana, Tho-mas Jefferson Publishing Company, Silver Spring, Maryland.

    (7) Mayor Committee on Marihuana (1944), The marihuana problem in the city of New York, Sociological, medical, psychological and pharmacological studies, Jac-ques Cathell Press, Lancaster.

    (8) Wootton-report (1968), Cannabis, Report by the advisory committee on drug de-pendence, Her Majesty’s Stationery Office, Londen.

    (9) H. M. van Praag, Marihuana, Folklore en wetenschap, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde,13febr.1971.,115e jrg.nr.7.

    (10) A. T. Weil, Adverse reactions to marihuana, classification and suggested treat-ment, New England, J. Med. vol. 282, p.977.

    (11) H. Cohen, Psychologie sociale psychologie en sociologie van het deviante druggebruik, september 1969, stencil.

    (12) B. D. Johnson, Social determants of the use of 'dangerous drugs' by college students, stencil.

    (13) H. Cohen, Multiple druggebruik, toegelicht aan de z.g. stepping-stone hypothese. Mimeo.

    (14) W. H. McGlothlin, The use of cannabis, East and West, voordracht gehouden op het sym posi u m op 30 september en 1 oktober 1971 te Amsterdam .

    Deel II. Aanbevelingen

    Hoofdstuk 1. Inleiding

     

    1.1. Uitgangspunten

    In onze samenleving wordt een steeds grotere verscheidenheid aan psychotrope stoffen in toenemende mate gebruikt. De tabel in bijlage A laat de stijging van de consumptie van alcoholhoudende dranken in Nederland per hoofd van de bevolking tussen 1950 en 1970 zien. In dezelfde periode nam ook het verbruik van sigaretten en koffie aanzienlijk toe (bijlage B).

    Met betrekking tot het alcoholgebruik in Nederland merkt van Erp (1) op:

    ‘Omstreeks 1880 hadden we in Nederland een fors alcoholprobleem waarbij vooral jenevergebruik maar ook bierdrinken hielpen om het gebruik per hoofd per jaar op 7 liter pure alcohol te brengen. Anno 1970 drinken we ruim 5 liter pure alcohol per hoofd, maar het bierverbruik slaat met meer dan 50 liter alle Nederlandse records sedert de gouden eeuw’.

    Onder de factoren die met de toeneming van het verbruik van deze genotmiddelen in verband moeten worden gebracht, neemt zeker de gestegen welvaart een belangrijke plaats in. Beziet men daarnaast de omvang die het gebruik van psychofarmaca tussen 1960 en 1970 heeft aangenomen, dan is ook daar de gestegen welvaart een medebepalende factor, meer aandacht verdienen echter de onlustgevoelens en stoornissen in het psychisch functioneren die de directe aanleiding zijn tot het innemen van deze medicamenten.

    Men kan in dit verband een aantal vragen stellen: Is er misschien door de gestegen welvaart pas ruimte gekomen voor het bewust beleven van angst en onlustgevoelens die niet in direct verband staan met de zorg om het dagelijks bestaan? Is de weerstand tegen angst en frustatie verminderd, eventueel mede tengevolge van die gestegen welvaart? Of is de hoeveelheid stress die ieder te verwerken krijgt in de laatste decennia toegenomen? In de hoofdstukken 2 en 3 van deel I kwamen deze vragen even aan de orde. Dit rapport is niet de plaats om er dieper op in te gaan. De werkgroep wil hier slechts constateren dat een toenemend aantal mensen er naar streeft psychische conflicten met behulp van psychotrope stoffen het hoofd te bieden. De in dit rapport besproken drugs behoren ook tot die psychotrope stoffen en worden eveneens in toenemende mate gebruikt. Het ligt voor de hand een relatie te veronderstellen tussen het gebruik van genotmiddelen, psychofarmaca en drugs (zie de gekozen definitie van drugs in deel l lnleiding onder 2), al is de aard van die relatie niet bekend.

    Het aanbod van psychofarmaca wordt gekanaliseerd door de Wet op de geneesmiddelenvoorziening. Het gebruik van alcohol is door een lange traditie genormeerd. Onverantwoord gebruik wordt door wettelijke bepalingen zo veel mogelijk tegengegaan. Controle op de naleving van die bepalingen is mogelijk en daarmee ook sanctie op overtreding van die bepalingen.

    Wat betreft de in de Opiumwet opgenomen middelen is tot op heden door de overheid gekozen voor een systeem van totaal wettelijk verbod, voorzover deze middelen als drugs, dus niet voor geneeskundige of wetenschappelijke doeleinden, zouden kunnen worden aangewend. Men mag in dat geval deze stoffen niet produceren, niet voorhanden hebben, niet aanbieden, niet verhandelen en niet gebruiken. De verboden zijn strafrechtelijk gesanctioneerd. De nationale wettelijke maatregelen maken - enkele uitzonderingen zoals b.v. L.S.D. daargelaten - deel uit van een internationaal systeem.

    De laatste tijd is in Nederland m.b.t. drugs opnieuw de vraag gerezen naar de rechtsgrond van de strafbaarstellingen, naar de doelmatigheid van de sancties, en meer in het bijzonder de vraag of alle stoffen aan hetzelfde regiem onderworpen moeten zijn. Deze vragen weerspiegelen een ook in Europees verband gevoelde behoefte aan decriminalisering van bepaalde categorieën van gedragingen en aan het maken van een onderscheid in strafrechtelijk opzicht tussen de verschillende soorten drugs naar gelang van hun schadelijkheid. In dit verband zij verwezen naar de in de bijlagen C en D opgenomen resoluties van 28 mei 1970 van de conferentie van Europese Ministers van Justitie en een in bijlage E opgenomen Aanbeveling van de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa van 21 september 1970.

    Dat de overheid regulerend moet optreden t.a.v. drugs, ligt ten dele reeds opgesloten in de vergelijking met alcohol en psychofarmaca. De probleemstelling spitst zich dan ook toe op de vraag welke regels gesteld moeten worden ten aanzien van de beschikbaarheid van de drugs, en welke houding de overheid jegens de gebruiker van de verschillende stoffen moet aan nemen .

    In de discussies over drugs en druggebruik wordt meestal een onderscheid gemaakt tussen ‘hard drugs’ en ‘soft drugs’. Men ontwerpt dan een soort gevarenschaal, b.v. heroïne ) morfine ) codeïne etc. Door op een dergelijke schaal een scheidslijn aan te brengen, kan een indeling in ‘hard drugs’ en ‘soft drugs’ worden verkregen. In sommige gevallen is de plaats die een middel op de ranglijst moet innemen discutabel.

    Voorts kunnen door dosis, frequentie en eventueel de toedieningswijze mede in de beoordeling te betrekken, nog de begrippen ‘soft use’ en ‘hard use’ worden ingevoerd.

    Een gevarenschaal die slechts gebaseerd is op de farmacologische eigenschappen van de stof of op de fysieke en psychische schade die het gebruik voor het individu kan opleveren, is echter geen hanteerbare maatstaf voor de overheid. Niet alleen zijn dosis, frequentie van het gebruik en toedieningswijze medebepalend voor de kans op schadelijke gevolgen voor het individu, ook tal van andere factoren spelen bij deze kansberekening een rol.

    Bovendien moet de overheid bij de beoordeling of en in hoeverre maatregelen ten aanzien van de beschikbaarheid en het gebruik van een stof genomen dienen te worden, rekening houden met die factoren die kans op schadelijke gevolgen voor de gemeenschap opleveren. Alle factoren tesamen vormen het risico dat het gebruik van een stof voor het individu, maar vooral ook voor de samenleving kan opleveren. Dit risico dient het uitgangspunt te zijn voor het drugbeleid.

    Het risico wordt bepaald door de hierna volgende factoren:

    1. De farmacologische eigenschappen van de stof (b.v. het doen ontstaan van gewenning;)

    deze werking is tevens sterk afhankelijk van

    a. de dosering

    b. de wijze van toediening (eten, spuiten, roken)

    c. de frequentie van het gebruik

    d. de persoonlijkheid van de gebruiker (gevoeligheid voor de stof, persoonlijkheidsstructuur, gemoedstoestand, verwachting).

    2. De mogelijkheid om te doseren (deze hangt af van de mogelijkheid van standarisatie) .

    3. De groep van de gebruikers (leeftijd, beroep).

    4. De omstandigheden waaronder het gebruik ontoelaatbaar is, i.v.m. het gevaar voor anderen (werksituatie, verkeer).

    5. De mogelijkheden om productie en aanbod te reguleren en te kanaliseren en het gebruik te reglementeren en te normeren.

    6. De mogelijkheden om het onder 4. vermelde gebruik op dat tijdstip of op een later moment te constatesen en te evalueren.

    Op basis van bovenvermelde factoren kan nu worden geschat welk risico het gebruik van een bepaalde stof oplevert. Dit risico kan dan aanvaardbaar of onaanvaardbaar worden geacht. In het laatste geval is overheidsbemoeienis gerechtvaardigd. De schadelijke werking van een stof voor het individu is voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het risico niet de doorslaggevende factor. Zo worden b.v. tabaksartikelen vrijgelaten, waarbij men door middel van voorlichting tracht de schade te beperken. Ten aanzien van alcohol is bekend onder welke omstandigheden het gebruik in verband met gevaar voor anderen ontoelaatbaar is, en de wetgever houdt daarmee rekening. De onder 5 en 6 vermelde mogelijkheden tot regulering, normering en controle zijn m.b.t. alcohol aanwezig (drankwet, wegenverkeerswet, bloed-proef).

    Met betrekking tot cannabisproducten is de schadelijkheid voor het individu (factor 1) discutabel. Zoals reeds werd vermeld, is de persoonlijkheid van de gebruiker een medebepalende factor. Het feit dat de stoffen vooral door jeugdige personen worden gebruikt, maant tot voorzichtigheid. In deel I hoofdstuk 6 werden de omstandigheden genoemd waarin het handelen on der invloed van cannabis gevaarlijk kan zijn voor individu en samenleving (arbeidssituatie en verkeer). Daarbij werd tevens uiteengezet dat controlemogelijkheden, vergelijkbaar met de bloedproef, ontbreken (factoren 4 en 6). Wat de normering van het gebruik betreft (factor 5), is de werkgroep van oordeel dat de uitwerking van een massaal aanbod aan een bevolking die deze stoffen nog niet heeft leren hanteren, onvoorspelbaar is. Op dit punt en op de mogelijkheid om het product te standariseren (2) en productie en aanbod te reguleren (factor 5) wordt onder 2. 1.3. ingegaan.

    1.2. Doelstelling van het drugbeleid

    De doelstelling van het door de overheid te voeren drugbeleid moet, naar de mening van de werkgroep, zijn: Het leveren van een bijdrage aan de preventie van het gebruik van drugs als onderdeel van de totale welzijnszorg. Elk preventief programma dient rekening te houden met de realiteit. Men zal prioriteit willen geven aan de bestrijding van de grootste risico’s. De werkgroep meent dat geïntegreerd gebruik van drugs mogelijk is en ook voorkomt. Dat wil niet zeggen dat hier geen risico’s liggen, maar deze kunnen soms aanvaardbaar worden geacht.

    Ten aanzien van de aanvaardbaarheid van sommige risico’s moet de meningsvorming nog plaatsvinden. Mogelijkheden om de ontwikkelingen te volgen en te komen tot een gefundeerde standpuntbepaling moeten worden bevorderd.

    (1) Th.van Erp, Alcohol vandaag, AO-boekje 1349.

    Hoofdstuk 2. Justitieel beleid

     

    Het justitieel beleid zal, als onderdeel van het algemeen drugbeleid met de onder 1.2 vermelde doelstelling rekening moeten houden.

    2.1. Legislatieve mogelijkheden

    Bij het ingaan op de onder 1.1. genoemde vragen betreffende de rechtsgrond van de strafbaarstelling, de doelmatigheid van de bestaande sancties en de eventueel aan te brengen gradaties, stelt de werkgroep de risicogedachte voorop. De werkgroep heeft zich bezonnen op de verschillende mogelijkheden van wetgeving inzake drugs, op de bruikbaarheid van de mogelijke regelingen voor de verwezenlijking van de doelstelling, en op de voor- en nadelen die aan de verschillende regelingen zouden zijn verbonden. Daarbij is de volgende indeling gemaakt.

    1. Handel in drugs die, naar de mening van de werkgroep, een onaanvaardbaar risico opleveren.

    2. Gebruik van drugs die, naar de mening van de werkgroep, een onaanvaardbaar risico opleveren:

    a. chronisch gebruik

    b. experimenterend gebruik.

    3. Handel in hennep (producten) en gebruik van hennep (producten).

    2.1.1. Handel in drugs die, naar de mening van de werkgroep, een onaanvaardbaar risico opleveren.

    Over de grote risico’s van het gebruik van stoffen als amfetamine, opium, morfine, heroïne en L.S.D. bestaat geen verschil van

    mening. Daaruit volgt, dat, hoe men ook staat tegenover de gebruiker, ten aanzien van de handelaar in elk geval geldt dat hij de gezondheid van zijn afnemers in gevaar brengt. De strafwaardigheid van zijn gedrag staat dan ook niet ter discussie evenmin als de opvatting dat die gedraging als een misdrijf moet worden beschouwd. Ten aanzien van amfetaminen werd deze opvatting echter nog niet in een wettelijke bepaling neergelegd. Afleveren van amfetamine is ingevolge artikel 4A jo artikel 31 van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening een overtreding die wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vijfduizend gulden. Om te voldoen aan de desbetreffende voorwaarde voor uitlevering in het Europees Verdrag betreffende uitlevering en de Uitleveringswet zou het maximum van de bedreigde vrijheidsstraf tot een jaar moeten worden opgetrokken. Overigens is de werkgroep van mening dat ook handel in de verbodsbepaling dient te worden opgenomen.

    2.1.2. Gebruik van drugs die, naar de mening van de werkgroep, een onaanvaardbaar risico opleveren

    a. De chronische gebruiker van deze drugs is voor zover hij afhankelijk is geworden van die stof, meestal een patiënt. Strafrechtelijke bejegening is geen adequate benadering. Daar staat tegenover dat in de huidige situatie, pressie om hulp te zoeken en zich ook overeenkomstig een hulpverleningsprogramma te gedragen, veelal slechts kan worden uitgeoefend via het strafrecht. Bij voorwaardelijke veroordeling of een voorwaardelijk sepot, kan de voorwaarde worden opgelegd zich onder controle of behandeling te stellen. Met toepassing van art. 37, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, kan een gedwongen intramurale behandeling plaats vinden. In verband met deze beperkte mogelijkheden zal men voorlopig het misdrijfkarakter van chronisch gebruik van deze stoffen moeten handhaven als middel tot een gedwongen hulpzoeken. Het opleggen van een boete aan patiënten-gebruikers acht de werkgroep een zinloze bejegening en zij zou daarom chronisch gebruik van deze stoffen niet tot een overtreding terug willen brengen.

    Tot de door de werkgroep in beginsel wenselijk geachte decriminalisering van chronisch gebruik, kan men pas overgaan als het hulp- en dienstverleningssysteem op deze problematiek is afgestemd {zie hoofdstuk 4).

    Voor een aantal jongeren zou opneming in een inrichting voor behandeling, bestemd tot opvoeding van minderjarigen die een psychotherapeutische behandeling behoeven (Uitvoeringsbesluit Kinderbescherming, artikel 96 onder 9), een oplossing zijn. Deze opneming kan voortvioeien uit een civielrechtelijke ondertoezichtstelling. Voorzover de werkgroep bekend, werd tot nu toe nimmer een maatregel van kinderbescherming uitgelokt uitsluitend op grond van het feit dat de minderjarige aan drugs verslaafd was. De omstandigheid dat er nog geen inrichting bestaat die over de mogelijkheden beschikt en de bereidheid heeft om niet-gemotiveerde jongeren in behandeling te nemen, zou het uitlokken van een dergelijke maatregel ook tot een loos gebaar maken. Het ontbreken van zo'n inrichting heeft tot nu toe tot gevolg gehad dat een niet te verwaarlozen aantal jeugdigen in de grote steden, op wie reeds uit anderen hoofde een maatregel van kinderbescherming van toepassing is en die tevens aan drugs verslaafd zijn geraakt, niet geholpen kan worden .

    Als de door de werkgroep in het onderdeel hulpverlening aanbevolen maatregelen gerealiseerd zouden worden, kan van de civiel rechtelijke ondertoezichtstelling een bijdrage aan de hulpverlening worden verwacht. Zeker wanneer de visie op de jeugdbescherming, als onderdeel van het totaal van het maatschappelijk welzijn, neergelegd in het rapport Wiarda van de commissie voor de herziening van het Kinderbeschermingsrecht (1) wordt verwezenlijkt, liggen hier mogelijkheden die voor de jeugd aanvaardbaar zijn en waarvan de jeugdrechter ook gebruik zal willen maken. De bereidheid van deze inrichtingen om jeugdige verslaafden op te nemen, ook als zij niet gemotiveerd zijn, is daartoe echter een noodzakelijke voorwaarde. De werkgroep meent dat hier voor het in de nota Wiersma (2) voorgestelde plaatsingsteam dat zou kunnen uitgroeien tot een intake-orgaan, een belangrijke taak ligt.

    b. Ten aanzien van experimenterende en beginnende gebruikers van de hier aan de orde zijnde drugs, is een poging tot gedragsbeïnvloeding door middel van strafbedreiging, naar de mening van de werkgroep niet onaanvaardbaar. Een dergelijke strafbedreiging moet gezien worden als een middel tot preventie. Voorlichting dient bij die preventie de belangrijkste rol te spelen. De werkgroep acht het echter niet onaannemelijk dat in een dergelijke situatie een generaal-preventieve werking van de strafbedreiging uitgaat, m.a.w. dat potentiële gebruikers zich door de verbodsbepaling laten weerhouden.

    Met ‘dergelijke situatie’ wordt gedoeld op de omstandigheid dat jongeren die behoren tot de geëxponeerde groepen, dikwij is niet weten welke g rote risico’s het experimenterend gebruik van bepaalde stoffen met zich mee brengt. Verbodsbepalingen om het individu tegen zijn eigen onvoorzichtigheid te beschermen zijn in zo’n situatie niet misplaatst. Dergelijk bepalingen vindt men ook in andere sectoren van de wetgeving (Veiligheidswet, Reglement verkeersregels en verkeerstekens : verplichting tot het dragen van een valhelm voor motorrijders).

    De werkgroep realiseert zich terdege welke nadelige neveneffecten, onder meer stigmatisering en secundaire deviatie, veroordeling wegens misdrijf kan hebben. Zoals hierboven onder a werd uiteengezet, is decriminalisering van chronisch gebruik van drugs, naar de mening van de werkgroep, nog niet mogelijk. Ook het terugbrengen van dit gebruik tot een overtreding, werd op grond van de daar naar voren gebrachte overweging dat het veroordelen van drugpatiënten tot een boete zinloos is, verworpen.

    Ten aanzien van experimenterende en beginnende gebruikers zouden boetes daarentegen wel effect kunnen hebben. Een onderscheid tussen experimenterend of beginnend gebruik en chronisch gebruik met het oog op een onderscheid tussen overtreding en misdrijf zou echter een doelmatig justitieel beleid in de weg staan. In geval van vervolging zou het chronisch gebruik steeds moeten worden bewezen, hetgeen dikwijls niet mogelijk zal zijn.

    In de tenlastelegging zou primair chronisch gebruik,subsidiair incidenteel gebruik worden gesteld en de zaak zou ingevolge artikel 349, tweede lid, Wetboek van Strafvordering toch niet door de kantonrechter maar door de rechtbank worden berecht, waardoor het mogelijke voordeel van een wat informele behandeling ter terechtzitting zou vervallen. Door deze processuele complicaties zou het zoeken van de beste oplossing voor de individuele gevallen ernstig belemmerd worden. De werkgroep laat in dit verband onbesproken de legislatieve moeilijkheid om een deugdelijk criterium te vinden met behulp waarvan chronisch gebruik van incidenteel gebruik in de delictsomschrijving zou kunnen worden onderscheiden.

    Zolang decriminalisering van het chronisch gebruik van de farmacologisch sterk werkende drugs nog niet uitvoerbaar is - en deze uitvoerbaarheid hangt ten nauwste samen met de juridische en therapeutische mogelijkheden van hulpverlening zonder tussenkomst van de strafrechter aan drugpatiënten die weinig of niet zijn gemotiveerd - zal derhalve ook experimenterend en beginnend gebruik van deze drugs een misdrijf moeten blijven. Door middel van een genuanceerd vervolgingsbeleid en straftoemetingsbeleid zal gezocht moeten worden naar een doelmatige bejegening van de incidentele gebruiker van deze drugs.

    2.1.3. Handel in hennepproducten en gebruik van hennepproducten.

    In de bestaande wetgeving t.a.v. hennep wordt voorbijgegaan aan het feit dat het risico van het gebruik van hennep voor het individu niet op één lijn mag worden gesteld met het risico van het gebruik van stoffen die ook in de gebruikelijke dosis een sterke farmacologische werking hebben (zie 1.1.). Daardoor boet de drugwetgeving aan prestige in en is de voorlichting, waarbij naar de wettelijke regeling wordt verwezen, weinig geloofwaardig. Een voorlichting waarbij niet aan de wettelijke regeling wordt gerefereerd, is onvolledig en voor de overheid niet aanvaardbaar.

    Weliswaar biedt het opportuniteitsbeginsel mogelijkheden tot differentiatie in het vervolgingsbeleid! een principieel opzijschuiven van de wettelijke bepalingen kan daarvan echter niet worden verwacht. Het opportuniteitsbeginsel mag daartoe ook niet worden aangewend.

    Gezien de onbevredigende situatie die het gevolg is van de bestaande wetgeving, heeft de werkgroep onderzocht of een wetswijziging zou voldoen waarbij het gebruik van hennepproducten, inclusief bezit voor eigen gebruik, en kleine handel, worden teruggebracht tot een overtreding, terwijl de grote handel een misdrijf blijft waarop gevangenisstraf van ten hoogste één jaar is gesteld. Een dergelijke regeling zou niet in strijd zijn met het Enkelvoudig Verdrag (zie deel 1, onder 5.1.1.) Als grote handel zou b.v. aangemerkt kunnen worden handel in partijen boven de 250 gram.

    Het voordeel van een dergelijke regeling zou zijn dat de geringere werking in farmacologisch opzicht ook in de wettelijke regeling tot uitdrukking zou komen. Door een differentiatie ten aanzien van de onder 2.1.1. en 2.1.2. bedoelde drugs zou worden voorkomen dat de minst werkzame stof het eerst en het meest volledig uit de markt wordt gedrukt. Dit is van belang, daar in het verleden enige malen een verschuiving naar sterk werkzame drugs kon worden geconstateerd tengevolge van een te gering aanbod van hennep op de illegale markt. De nadelige neveneffecten van vervolging en veroordeling wegens misdrijf zouden worden vermeden. Veroordeling wegens overtreding wordt als regel niet in het strafregister opgenomen. Een strafvervolging kan worden voorkomen door voldoening aan de transactievoorwaarden van het openbaar ministerie.

    Het is echter zeer de vraag of met een dergelijke regeling aanbod en gebruik van hennepproducten wel enigszins beperkt worden. Men zou zich kunnen indenken dat aan overtredingen die een zo weinig hinderlijk en een zo onopvallend karakter dragen als het gebruik van hennepproducten, door de politie weinig aandacht zal worden besteed. Zonder contacten met gebruikers zal het moeilijker zijn de handel op het spoor te komen. Nederland zou een trekpleister voor hennepgebruikers worden, waardoor vraag en aanbod elkaar zouden kunnen versterken . De kwaliteit van de hennep blijft aan alle controle onttrokken, zodat ook hennepproducten met een zeer hoog T.H.C.-gehalte op de markt kunnen worden gebracht. Al deze bezwaren gelden a fortiori voor nog een tweede mogelijkheid van wetswijziging waaraan de werkgroep heeft gedacht, te weten: niet strafbaarstelling van het gebruik en bezit voor eigen gebruik, strafbaarstelling van de handel, hetzij als overtreding, hetzij als misdrijf waarop gevangenisstraf van ten hoogste één jaar is gesteld.

    Zoals in deel I hoofdstuk 3 werd uiteengezet, is er juist bij hennepproducten een grote verwevenheid van handel en gebruik. Echte groothandelaren zijn gering in aantal. De hennep komt langs vele kanalen het land binnen en wordt langs weer kleinere kanalen gedistribueerd. Bij dit hele proces zijn veel gebruikers betrokken. Het is niet zeker dat een op deze wijze tot stand komend aanbod, door middel van strafbaarstelling van de handel zodanig zou kunnen worden beperkt dat daarvan enige preventieve werking ten aanzien van hetgebruikzou mogen worden verwacht.

    Tenslotte is de werkgroep nagegaan of regulering van een legaal aanbod van hennepproducten uit.voerbaar zou zijn, en zo ja, of een dergelijke regeling tot verwezenlijking van de doelstelling zou kunnen bijdragen.

    De werkgroep heeft daarbij gedacht aan de invoering van een vergunningensysteem voor de verkoop van hennepproducten. Hennep zou in zo'n systeem in bepaalde winkels kunnen worden aangeboden waarbij kan worden gedacht aan slijterijen als verkooppunten. Het vergunningenstelsel houdt in dat alle schakels in de verkoopketen aan een afleveringsvergunning zouden zijn gebonden. Aflevering zonder vergunning zou een strafbaar feit zijn, waarbij onderscheid zou kunnen worden gemaakt, tussen een grote partij (misdrijf) en kleine hoeveelheden, b.v. tot 100 9 (overtreding). Minimum- en maximumprijzen zouden van overheidswege moeten worden vastgesteld. Door middel van accijnzen die jaarlijks gewijzigd zouden moeten worden of door middel van prijscontrole zouden deze prijzen flexibel kunnen blijven. De prijzen zouden vooralsnog de zwarte-marktprijzen dienen te benaderen. Een te lage prijs zou leiden tot overmatig gebruik, een te hoge prijs tot verdere illegale activiteiten. Wegen zouden gevonden moeten worden om commercialisering van het product te voorkomen. Gelegenheden waar hennep ‘officieel’ wordt gebruikt (hennepkroegen), zouden verboden moeten zijn. Aan de afname zou een grens gesteld kunnen worden, b.v. niet meer dan 10 gram tegelijk, en eventueel een leeftiidsgrens. Van beide laatstgenoemde voorschriften mag niet veel verwacht worden. Belangrijk is dat de hennepproducten in bepaalde standaardkwaliteiten zouden moeten worden aangeboden variërend wat betreft het gehalte aan THC en THC-zuur van 1% tot 5%. Daartoe zou het natuurproduct versneden moeten worden, zodat samples met deze verschillende percentages worden verkregen.

    Het grote voordeel van een dergelijk systeem zou bestaan in het ‘losser’ worden van de drug-subcultuur. Het is dan immers niet meer nodig of interessant om op basis van het hennepgebruik relaties met anderen aan te gaan. Het gebruikt functioneert ook niet meer als een middel tot protest tegen de ‘establishment’ en verliest daardoor veel van zijn aantrekkingskracht. Experimenterende gebruikers behoeven niet meer hun contacten met niet-gebrui-kers op te geven, omdat het pas in een druggroep ontspannen roken zou zijn. Deze niet-gebruikers kunnen de consumptie van de gebruikers matigen. Dit alles is van belang in verband met de door Goode, Cohen en Johnson (zie deel I onder 6.7) gevonden relatie tussen zwaar hennepgebruik, involvatie in de drugsubcultuur en gebruik van zwaardere drugs. In het huidige systeem is het verkeren in een hennepgebruikende leeftijdsgroep de belangrijkste voorwaarde voor regelmatig zwaar hennepgebruik. Dit leidt, zoals in deel 1, hoofdstuk 6, werd besproken, via diepere involvatie in de drugsubcultuur waar men vrienden krijgt die opium, amfetamine of L.S.D. gebruiken en handelaren in deze drugs ontmoet, tot het gebruik van deze stoffen. Zonder contacten met andere druggebruikers zijn deze middelen nauwelijks te verkrijgen . ‘

    Een ander groot voordeel zou zijn dat minder mensen zouden worden gearresteerd en veroordeeld, waardoor minder mensen zouden worden gestigmatiseerd en minder secudaire deviatie zou optreden. Minder mensen zouden in hun verdere loopbaan door een veroordeling worden belemmerd.

    Het voorlichtingsprogramma zou geloofwaardiger worden en er zouden meer mogelijkheden tot wetenschappelijk onderzoek komen. De taak van het opsporingsapparaat zou voor een deel worden verlicht en de vrijgekomen energie zou besteed kunnen worden aan eventuele handelaren zonder vergunning en handelaren in andere drugs. Daar staat echter tegenover dat opsporing en vervolging van verkeersdelicten, begaan onder invioed van hennep, bijzonder moeilijk en derhalve tijdrovend is (zie deel 1, onder 6.10). Toeneming van dergelijke verkeersdelicten moet bij invoering van het hier geschetste systeem waarschijnlijk worden geacht.

    Daarmee is men bij de nadelen van het systeem beland. Meer mensen zullen hennep gaan gebruiken. Weliswaar zal waarschijnlijk een groot percentage van hennepgebruikers na een korte experimenteer-periode het hennepgebruik weer opgeven, toch moet rekening worden gehouden met een plotselinge toeneming van hennepgebruik. Daardoor zal ook het absolute aantal personen dat door dit gebruik in ernstige moeilijkheden raakt, naar schatting2% van het totale aantal gebruikers, stijgen. Een groot nadeel acht de werk-groep het ontstaan van nog onvoorzienbare risico’s tengevolge van een snel-le verspreiding van het gebruik in alle lagen van de bevolking. Het gebruik van hennep is nog niet voldoende geritualiseerd en genormeerd. Normen zijn ook nog niet te geven, gezien de vele onzekerheden over mate en duur van de invloed op de prestaties.

    Tenslotte zou als nadeel genoemd kunnen worden de aantrekkingskracht die Nederland misschien op buitenlandse jongeren zal uitoefenen, wanneer zij hier vrij kunnen roken. Of dit het geval zal zijn, valt niet te voorspellen. De vastgestelde prijs zou in elk geval verhinderen dat het kopen en verzenden naar huis geldelijk voordeel oplevert.

    Door invoering van het vergunningenstelsel zou Nederland niet meer voldoen aan de verplichtingen van het Enkelvoudig Verdrag . Opzegging van dit verdrag zou tot onaanvaardbare consequenties leiden, o.a. omdat Nederland dan waarschijnlijk geen opium meer voor de bereiding van morfine zou kunnen betrekken uit de bij het verdrag aangesloten landen.

    Voorziening van de Nederlandse markt door legale invoer van hennepproducten zou ook na opzegging van het Enkelvoudig Verdrag niet mogelijk zijn, daar alle bij het E.V. aangesloten landen zich hebben verbonden productie, uitvoer en handel van de in het verdrag genoemde middelen uitsluitend tot geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden te beperken.Voorts zou de handel in andere drugs niet meer doelmatig kunnen worden bestreden.

    Voorafgaand aan de invoering van een vergunningensysteem zou daarom op internationaal niveau gestreefd moeten worden naar een wijziging van het Enkelvoudig Verdrag, ertoe strekkende dat het partijen vrijstaat voorbehouden te maken met betrekking tot een beperkte handel in hennep, en productie, gebruik en bezit van hennep.

    Een dergelijke wijziging van het verdrag kan niet op korte termijn worden verwacht. Ook los daarvan echter, meent de werkgroep dat met het oog op de hierboven geschetste onzekerheden, invoering van een vergunningensys-teem voor de naaste toekomst niet kan worden aanbevolen. Er zijn voorlopig nog te weinig waarborgen dat met dit systeem de risico’s van het gebruik van hennep beperkt zullen blijven.

    Aan alle tot nu toe in dit hoofdstuk onderzochte mogelijkheden van justitieel beleid zijn nadelen of grote onzekerheden verbonden. De werkgroep meent dat niet door theoretische bespiegelingen in een commissie onzekerheden kunnen worden weggenomen of kan worden uitgemaakt welke nadelen de geringste zijn. De werkgroep sluit zich hiermee aan bij de opvatting van Buikhuisen (3), dat aan een wijziging in de wetgeving, waarvan men de conse-quenties niet kan overzien, een analyse van doelgericht onderzoek vooraf moet gaan. Buikhuisen lanceert in dit verband het idee van een proefwetgeving, een wetgeving die slechts gedurende een bepaalde van tevoren vastgestelde periode, geldig zou zijn.

    Zelfs de voorbereiding en behandeling van een proefwetgeving op een zo omstreden terrein als de drugs, zou echter nog veel tijd vergen. Toch acht de werkgroep een nadere terreinverkenning gedurende een proefperiode noodzakelijk, alvorens wordt besloten tot wijziging van de bestaande wetgeving, of eventueel handhaving daarvan.

    2.2. Een terreinverkenning

    Welke regelingen inzake drugs gekozen moeten worden hangt af van:

    • De nadere wetenschappelijke informatie omtrent drugs, met name de eventuele risico’s voor individu en samenleving verbonden aan het gebruik van hennep.
    • De ontwikkeling van het druggebruik. Als zou blijken dat de omvang van het gebruik, met name van hashish, toeneemt zonder dat het cliëntenbestand van de hulpverleningsdiensten daardoor wordt vergroot en zonder dat het aantal delicten dat in verband moet worden gebracht met druggebruik stijgt, zou dit op zich reeds een aanduiding zijn dat met dit gebruik geen on-aanvaardbare risico wordt genomen. Omgekeerd zou uit een toeneming van de desbetreffende aantallen kunnen blijken dat dit gebruik wel onaanvaardbare risico’s oplevert.
    • De ontwikkeling van de mogelijkheden ‘niet-gemotiveerde’ drugpatiënten te behandelen.
    • De ontwikkeling van de publieke opinie omtrent de al of niet aanvaardbaarheid van de vastgestelde risico’s van het gebruik van hennep.
    • De ontwikkeling van het internationale standpunt ten aanzien van het gebruik van hennep.

    Om de overgang van de geldende regelingen naar eventueel beter bij de situatie aangepaste regelingen mogelijk te maken, stelt de werkgroep voor, kaders te creëren waarbinnen geëxperimenteerd kan worden. Vanuit deze kaders kunnen terreinverkenningen worden verricht; is men voldoende overtuigd van de veiligheid van de in te nemen positie, dan kan op dat moment de oude stelling worden verlaten.

    De werkgroep heeft gezocht naar een goede methode om het terrein te verkennen en de ontwikkelingen te registreren. Daarbij werd gedacht aan:

    1. het scheppen van mogelijkheden om de ontwikkelingen van het druggebruik regionaal te volgen;

    2. het scheppen van mogelijkheden om de ontwikkelingen van hulpverlening aan druggebruikers regionaal te volgen, te begeleiden en, zonodig te stimuleren;

    3. het scheppen van ruimte in de tijd om tot een gefundeerd oordeel te komen omtrent de keuze die moet worden gedaan uit de legislatieve mogelijkheden (zie2.1);

    4. het scheppen van mogelijkheden om zowel het justitieel beleid als het beleid op het terrein van volksgezondheid, cultuur, recreatie en maatschappelijk werk en onderwijs te begeleiden en te evalueren.

    Kortom de werkgroep heeft een methode willen aangeven waarbij de vinger aan de pols kan worden gehouden, nieuwe ontwikkelingen kunnen worden gevolgd, gekanaliseerd, en zonodig kunnen worden tegengegaan. Als vast zou komen te staan dat de nieuwe ontwikkelingen uit een oogpunt van maatschappelijk welzijn ongewenst zijn, zou de oude stelling weer betrokken kunnen worden.

    In concreto stelt de werkgroep met betrekking tot het justitieel beleid voor, gedurende een proefperiode van twee jaar in alle arrondissementen een drug-adviescommissie in te stellen die door de officier van justitie kan worden geraadpleegd in alle gevallen waarin het gebruik van drugs een belangrijke rol speelt.

    De leden van deze drugadviescommissie zouden afkomstig moeten zijn uit de sfeer van volksgezondheid, maatschappelijk werk, jeugdwerk en onderwijs. De commissieleden zouden kunnen worden benoemd door de minister van justitie na overleg met zijn mede betrokken ambtgenoten. Een uit vijf leden bestaande commissie zou waarschijnlijk optimaal kunnen werken. De leden dienen sleutelposities in de hulp- en dienstverlening en het onderwijs in hun regio te bekleden, zij moeten volledig op de hoogte zijn van de sociale kaart van de hulp- en dienstverlening.

    De werkgroep verwacht dat de officier niet alleen in individuele gevallen, maar ook ten aanzien van algemene beleidskwesties het advies van ‘zijn’ adviescommissie zal inwinnen. Immers, in deze adviescommissies zullen vertegenwoordigers van de hulp- en dienstverlenende instanties en van instellingen van onderwijs zich ook mede verantwoordelijk weten voor het vinden van concrete oplossingen in probleemsituaties.

    De officier blijft uiteraard verantwoordelijk voor het vervolgingsbeleid en heeft de beslissingsbevoegdheid. Het ligt in de rede dat, als de officier tot vervolging overgaat, de stukken die bij de behandeling in de drugadviescommissie zijn geproduceerd, in het strafdossier worden opgenomen.

    Overigens is ingevolge artikel 495 Wetboek van Strafvordering, de officier van justitie, tenzij aanstonds van vervolging wordt afgezien, verplicht inlichtingen in te winnen bij de raad voor de kinderbescherming omtrent de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt de raad voor de kinderbescherming tevens in de gelegenheid gesteld van advies te dienen over de wenselijkheid van vervolging. Dit advies zal uiteraard in de drugadviescommissie bij de behandeling van een geval van een strafrechtelijk minderjarige een belangrijke rol spelen.

    De werkgroep verwacht dat met de hulp van de drugadviescommissie in vele gevallen oplossingen kunnen worden gevonden buiten de sfeer van het strafrecht, zodat het aantal druggebruikers dat met de strafrechter in aanraking komt, beperkt blijft.

    Met betrekking tot het drugbeleid moet als voordeel worden beschouwd dat de officier van justitie niet meer alleen en niet meer alleen vanuit zijn optiek deze problemen behoeft te behandelen. Andere disciplines en andere organisaties die met het vraagstuk en met de gebruikers te maken hebben, worden bij het algemene beleid en bij de beslissingen in individuele gevallen betrokken. De communicatie, de informatie en de coördinatie worden regionaal bevorderd. Conflictsituaties kunnen eveneens op regionaal niveau worden besproken .

    Landelijk gezien biedt het bestaan van drugadviescommissies vele mogelijkheden:

    1. Aan een onderzoek-instituut kan worden gevraagd de werkzaamheden van de drugadviescommissies te begeleiden. Door middel van verantwoord samengestelde vragenlijsten kan het instituut inzicht verkrijgen in:

    a. de ontwikkeling van het druggebruik per arrondissement;
    b. de ontwikkeling van de standpunten inzake het justitieel beleid;
    c. de ontwikkeling van de voorlichting en de resultaten daarvan;
    d. de ontwikkeling van de regionale hulpverleningsmogelijkheden;
    e. de ontwikkeling van de standpunten der deskundigen t.a.v. de risico’s.

    Zonder de opzet van dit onderzoek hier verder uit te werken, meent de werkgroep dat het verstandig zou zijn eerst gedurend‚ een paar maanden een pilot-onderzoek te verrichten met drugadviescommissies in een of meer arrondissementen, en vervolgens alle arrondissementen bij het onderzoek te betrekken. Het voordeel hiervan zou zijn dat onmiddellijktot de instelling van adviescommissies zou kunnen worden overgegaan. De voorkeur van de werkgroep gaat uit naar een start in drie arrondissementen, zodat ervaring wordt opgedaan in verschillende delen van het land. Mede aan de hand van de in de commissie(s) verkregen ervaringen zouden de vragenlijsten voor het wetenschappelijk onderzoek kunnen worden opgesteld.

    2. Het algemeen inzicht en dus het justitieel beleid kan worden gebaseerd op de informatie uit de arrondissementen. In de richtlijnen van de procureurs-generaal kunnen de opgedane ervaringen worden verwerkt.

    3. Men kan de adviescommissie handhaven zolang er behoefte aan een ‘proefperiode’ bestaat. Een proefperiode is nodig om:

    a. een definitief beleid te laten uitkristalliseren;
    b. het wetenschappelijk onderzoek te voltooien;
    a. en b. zullen waarschijnlijk samengaan.

    De werkgroep neemt aan dat in een periode van twee jaar reeds veel materiaal verzameld zal zijn.

    Tenslotte iets over het ‘aanbod’, de cliënten van de drugadviescommissie. Er is weinig grond voor de vrees dat van de naar schatting 140.000 druggebruikers (zie deel I onder 4.1.2.), in het nieuwe systeem meer dan het huidige percentage van 0,7 met de politie in aanraking zal komen. Evenmin behoeft men te veronderstellen dat tengevolge van de nieuwe werkwijze zich nauwelijks nog gevallen zullen voordoen waarover de drugadviescommissie zich kan buigen. Immers, uit de handhaving van het misdrijfkarakter van handel, bezit en gebruik van drugs vloeit voort dat de politie een zekere activiteit zal blijven ontplooien. Wel acht de werkgroep denkbaar dat in vele gevallen van druggebruik door de politieambtenaar een rapport wordt opgemaakt in plaats van een proces-verbaal. Dit rapport zou dan aan de drugadviescommissie kunnen worden overgelegd. Bovendien zullen ouders, maar ook schoolleiders minder aarzeling behoeven te overwinnen om problemen en probleemgevallen aan de drugadviescommissie voor te leggen, dan nu het geval is wanneer zij zich tot politie of justitie moeten wenden.

    Het proefkarakter van de onderzoekperiode zal wellicht tot gevolg hebben dat sommige gevallen uitvoerig worden besproken. Een dergelijke concentratie van de aandacht is echter onvermijdelijk als het gaat om toetsing van de bestaande normen.

    Herhaaldelijk is er van verschillende kanten op aangedrongen bij de rechtspraak deskundigen uit de gedragswetenschappen in meerdere mate te betrekken. Het voorstel van de werkgroep strekt ertoe een multidisciplinaire benadering reeds in een vroeg stadium, t.w. bij het vervolgingsbeleid, te realiseren. Vormen van samenwerking die hier en daar reeds incidenteel plaats vonden, zouden, als de gedachtengang van de werkgroep zou worden gevolgd, voor deze proefperiode kunnen worden uitgebouwd en geïnstitutionaliseerd.

    Het bovenstaande samenvattend stelt de werkgroep het volgende:

    • Het bestaande wettelijke systeem inzake drugs is niet bevredigend. Derhalve zal onderzocht moeten worden of andere wettelijke regelingen beter zouden voldoen.
    • Theoretische beschouwingen over de verschillende andere legislatieve mogelijkheden zijn niet toereikend om tot een gefundeerde keuze te komen, daar op belangrijke punten een aantal onzekerheden blijft bestaan, met name de onzekerheid betreffende de risico’s van het gebruik van hennep. Dit klemt te meer daar de risicogedachte, naar de mening van de werkgroep, juist het uitgangspunt moet zijn voor het justitieel beleid inzake drugs.
    • De grootte van die risico’s kan slechts aan de hand van ervaringen in de praktijk worden geschat.
    • De werkgroep pleit derhalve voor het instellen van een drugadviescommissie in alle arrondissementen als adviesinstantie voor de officier van justitie, waardoor controleerbare experimenten gedurende een proefperiode mogelijk worden gemaakt.

    Die experimenten zullen moeten worden begeleid door een onderzoeksinstituut.

    In de hulpverleningssector moet gezocht worden naar mogelijkheden om drugpatiënten te motiveren voor een behandeling.

    Aan de hand van de in de proefperiode opgedane ervaringen moet dan een keuze uit de legislatieve mogelijkheden worden gedaan.

    Het experiment dat hier op nationaal niveau wordt voorgesteld, zou, naar de mening van de werkgroep, gepaard moeten gaan aan inspanningen op internationaal niveau. In internationale besprekingen van het drugprobleem zal de aandacht moeten worden gevestigd op de beperkte mogelijkheden van strafrechtelijke sancties met betrekking tot de preventie van het druggebruik.

    Daarnaast moet worden onderzocht of het wenselijk en mogelijk is het Enkelvoudig Verdrag zodanig te wijzigen dat het de nationale staten vrijstaat, indien zij dit wensen, een afzonderlijk regiem in te voeren voor cannabisproducten .

    (1) Jeugdbeschermingsrecrt, rapport van de commissie voor de herziening van het Kinderbeschermingsrecht, Staatsuitgeverij, ‘s-Gravenhage 1971.

    (2) Jeugdbescherming en Justitie Schets voor organisatie en structuur, uitgave Mi-nisterie van Justitie, Stafbureau V>orlichtin~g 1971.

    (3) W. Buikhuisen in Delikt en Delinkwent 70/71, nov. ‘71, nr. 11.

    Hoofdstuk 3. Voorlichting en Jeugdbeleid

     

    3.1. Aard en organisatie van de voorlichting

     

    Een door de overheid als onderdeel van het drugbeleid (zie 1.2.) gestimuleerde voorlichting dient meer in te houden dan overdracht van kennis.

    Aan de zijde van de voorlichters zal tevens gedragsbeinvloeding worden nagestreefd. De voorlichting zal een belangrijke bijdrage aan de preventie van druggebruik kunnen leveren.

    Maar ook van de zijde van het publiek wordt meer verwacht dan zakelijke informatie. Dit blijkt reeds uit de aandrang waarmee overal om voorlichting over drugs wordt gevraagd. Immers ieder die dat wenst zou zich gemakkelijk de lectuur kunnen verschaffen met behulp waarvan het mogelijk is zich bin-nen korte tijd op dit gebied te orienteren.

    Wat het publiek van de voorlichting over drugs verwacht en welke effecten deze voorlichting heeft, hangt af van de samenstelling van de groep die wil worden voorgelicht en van de presentatie van datgene wat de voorlichter wil overbrengen.

    Aan een systematische voorlichting moeten derhalve de volgende eisen worden gesteld: ,,

  • 1. Het definieren van doelgroepen.

    2. Het rekening houden met de behoeften van de onderscheiden groepen.

    3. Het hanteren van sociale vaardigheden om de informatie op een op de groep afgestemde wijze te brengen.

    4. Een wel overwogen keuze van de vorm waarin de voorlichting wordt gegeven .

    5. Het inbouwen van mogelijkheden om de resultaten van de voorlichting te evalueren .

  • Ad 1. Wat de doelgroepen betreft, kan onderscheid worden gemaakt tussen beroepsgroepen, groepen bestaande uit ouders, groepen bestaande uit sleutelfiguren zoals leraren, artsen, sociaal-culturele en maatschappelijke werkers, groepen bestaande uit scholieren, uit werkende jongeren of uit bezoekers van jeugdsocieteiten. Voor de z.g. sleutelfiguren kunnen, zoals in verscheidene plaatsen reeds gebeurt, cursussen worden georganiseerd.

    Ad 2. Aan de behoeften in deze diverse groepen liggen onderling sterk verschillende motieven, problemen en vragen ten grondslag. Daarop zal door de voorlichter moeten worden ingegaan.

    Ad 3. Het geven van voorlichting eist naast deskundigheid met betrekking tot het onderwerp van de voorlichting ook deskundigheid in de techniek van voorlichten. Onder 2 werd reeds de mogelijkheid van een opleiding aan sleutelfiguren genoemd.

    Wat de informatie als onderdeel van de voorlichting betreft, deze moet zo objectief mogelijk worden gegeven. Een voorstelling van zaken als zouden alle stoffen even gevaarlijk voor de gebruiker zijn, is ongeloofwaardig en zal ook de rest van de informatie in discrediet brengen.

    Ad 4. De vorm die moet worden gekozen hangt ten nauwste samen met de samenstelling van de groep. Voorlichting kan worden gegeven in de vorm van opleidingscursussen (sleutelfiguren), televisie-uitzendingen, eventueel te verzorgen door teleac en nederlandse onderwijs televisie, radiouitzendingen, films, bandopnamen, folders, brochures, artikelen in kranten en tijdschriften, lezingen en lessen.

    Ad 5. Het effect van de voorlichting zal geevalueerd moeten worden, liefst door een instelling die onafhankelijk werkt van de instanties die zich met voorlichting bezighouden. De werkgroep heeft ook hier gedacht aan een onderzoekinstituut.

    De organisatie en coordinatie van de voorlichting kan geschieden onder verantwoordelijkheid van een overheidsinstelling b.v. een daartoe opgerichte afdeling van een gemeentelijke geneeskundige en gezondheidsdienst of een onder de wethouder van volksgezondheid of onderwijs ressorterende commissie. Echter ook door de overheid gesubsidieerde instellingen, zoals de Federatie van Instellingen voor de Zorg voor Alcoholisten en andere verslavingszieken (het overkoepelend orgaan van de Medische Consultatie Bureaus voor Alcohol en Drugs), komen in aanmerking.

    3.2. Geen geisoleerde behandeling van het drugsvraagstuk

    Het streven zal er, naar de mening van de werkgroep, uiteindelijk op gericht moeten zijn de voorlichting over drugs onder te brengen in een tot het onderwijsprogramma behorend pakket gezondheidsvoorlichting- en opvoeding. Alleen zo kan worden vermeden dat het druggebruik wordt gelicht uit een geheel van onderling samenhangende leefgewoonten, en een onevenredige aandacht krijgt. Voeding, lichamelijke verzorging, beweging en sport, sociaal gedrag, druggebruik en sex zouden in dit pakket moeten worden opgenomen en op verschillende leeftijden op aan de leeftijdsfase aangepaste wijze kunnen worden behandeld. Juist ook in verband met deze gedachten-gang acht de werkgroep het wenselijk dat de onderwijssector in de drugsadviesmmissie vertegenwoordigd is.

    3.3. Jeugdbeleid

    Herhaaldelijk kwam in de werkgroep de vraag aan de orde, hoe een jeugdbeleid gecreeerd zou kunnen worden, dat voorziet in een weizijnsorganisatie voor jongeren. Besproken werd, dat men tekort zou schieten, als men ten aanzien van het vraagstuk drugs en jongeren slechts zou bepalen, wat niet mag, of wat niet wenselijk is. De werkgroep orienteerde zich, zoals vermeld, in hoorzittingen met de Raad voor de Jeugdvorming en de Salco.

    Jeugdbeleid behoort een geintegreerd onderdeel te zijn van het algemeen weizijnsbeleid. Toch hebben de jongeren t.a.v. zingeving aan hun leven, in de gezinssfeer, in de vrijetijdsbesteding en in hun opleidings- en werkmilieu zoveel specifieke behoeften, dat hieraan speciale aandacht dient te worden besteed .

    Het ministerie van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk is thans in samenwerking met verschillende jeugdgroeperingen bezig naast, of in plaats van,vroegergegroeidevoorzieningen nieuwe mogelijkheden te scheppen.

    Zowel op het gebied van sociale dienstverlening en recreatie als op het gebied van welzijnsbeleid dient een vernieuwend jeugdcultuurbeleid te worden nagestreefd.

    Hierbij zal vooral op het locale en regionale vlak moeten worden samengewerkt met gezondheidsdiensten en jeugdbeschermingsinstellingen om tijdig risico’svan een bepaald beleid te signaleren.

    Op de duur zal moeten blijkern in hoeverre locale of regionale jeugdraden, waarin de jeugd aan de beslditvorming kan deelnemen, een moza‹ek van mogelijkheden kan realiseren. Jeugdigen moeten uit zo’n moza‹ek kunnen kiezen datgene wat zij vinden passen bij hun levensstijl. Het verdient aanbeveling de activiteiten van de Jeugdraden te inventariseren en de efficiency van h u n werkzaam heden te onderzoeken . Zo nodig moet het werk van de plaatselijke jeugdraden worden gestimuleerd en uitgebreid. Samenwerking met andere welzijnsorganisaties ter plaatse is hierbij een voorwaarde.

    Hoofdstuk 4. Hulp- en dienstverlening
    4.1.    Voorwaarden waaraan moet worden voldaan

    In beginsel moeten aile bestaande voorzieningen op het gebied van de gezondheidszorg en de sociale-welzijnszorg toegankelijk zijn voor aile hulpzoekenden, dus ook voor jeugdigen die hulp zoeken voor problemen waarbij het gebruik van drugs een roi speelt. De eisen die in het algemeen aan hulpbiedende instanties gesteld mogen worden, gelden vooral ook ten aanzien van hulpverlening aan pubers en adolescenten:

    —    De hulp moet geografisch en financieel gemakkelijk bereikbaar zijn. De bereikbaarheid hangt ook ten nauwste samen met de organisatie van de dienst en de houding van de medewerkers. Lange wachtlijsten en een formele aanpak verhogen de drempel.
    —    Het aantal verwijzingen moet zo beperkt mogelijk gehouden worden.
    —    De geholpenen moeten kunnen rekenen op continuiteit in de zorg.
    —    Hulp moet in acute situaties snel geboden kunnen worden, ook buiten de zogenaamde kantooruren.
    —    De hulpverlening moet slagvaardig en flexibel zijn.
    —    Het palet van hulpverleningsmogelijkheden moet gedifferentieerd zijn, d.w.z. een scala van voorzieningen die gericht zijn op secundaire en tertiaire preventie bevatten. De primaire preventie behoort niet tot de curatieve zorg.

    4.2.    Specifieke problemen

    Categofale voorzieningen hebben alleen zin ais zij aan het geheel van de reeds bestaande welzijnszorg een specifieke zorg toevoegen (of een voorziening vervangen), die voor de betreffende categorie hulpzoekenden onmisbaar is en die door de bestaande instellingen niet kan worden geboden. Ais een bijkomend voordeel van categorale voorzieningen kan worden beschouwd, dat zij de algemene instituten ontlasten, en openhouden voor de algemene hulpverlening. De integratie van categorale en algemene instellingen dient steeds te worden nagestreefd. Op deze wijze bieden b.v. verslavingsklinieken voor alcoholisten specialistische hulp zoals die in psychiatrische ziekenhuizen nauwelijks gegeven kan worden. Zij ontlasten de psychiatrische ziekenhuizen, waardoor de schaarse observatiebedden in deze ziekenhuizen voor de gemeenschap ter beschikking komen of blijven. Het principe dat, zo nodig, aan de verslaafde patient hulp geboden kan worden in het psychiatrisch ziekenhuis of het algemene ziekenhuis, dient echter van kracht te blijven.

    Of in een regio een speciale ontwenningskliniek voor aan drugs verslaafden moet worden opgericht, hangt enerzijds af van de constellatie van de bestaande voorzieningen in die regio, anderzijds van de behoefte aan verpleging, behandeling en begeleiding van aan drugs verslaafden.

    Naar aanleiding van de problemen rondom de acute psychiatrische opnemingen, werden in 1971 overal in Nederland overleg-groepen opgericht, bestaande uit de geneesheren-directeur van psychiatrische ziekenhuizen, de inspecteurs voor de geestelijke volksgezondheid en de hoofden van sociaalpsychiatrische diensten. Aan deze regionale overleggroepen dient advies te worden gevraagd betreffende de noodzaak van de oprichting van drugklinieken in die regio. De Medische Consultatie Bureaus voor Alcohol en Drugs behoren natuurlijk bij dat overleg betrokken te worden. Het aldus uitgebrachte advies zal moeten worden goedgekeurd door het Provinciaal Bestuur.
    Een bijzonder groot probleem bij de hulpverlening aan drugverslaafden vormt de omstandigheid dat velen geen of slechts een zeer geringe bereidheid vertonen hulp te zoeken en te aanvaarden. Hulpverlening die 'afwachtend' wordt gegeven, bereikt dit soort patiênten niet.
    Vele hulpverlenende instanties zijn afkerig van een motivering die door de rechter wordt ingebouwd door het opleggen van een voorwaardelijke straf. In de door de werkgroep aanbevolen proefperiode zal nader moeten worden bestudeerd of andere vormen van gedragsbeinvloeding gevonden kunnen worden om een motiveringsproces bij verslaafden op gang te brengen. On-der 2.1. kwam reeds de civielrechtelijke ondertoezichtstelling aan de orde. Voor ernstig verslaafde patiênten, die voor zichzelf of voor anderen gevaar opleveren, en niet bereid zijn zich voor behandeling te doen opnemen, is binnen de bestaande wetgeving een gedwongen verpleging mogelijk (Krankzinnigenwet; art. 37, tweede lid, Wetboek van Strafrecht).

    Als men tot een gedwongen verpleging en behandeling van drugpatiênten moet overgaan, heeft men ook afdelingen, of eventueel drugklinieken, nodig waar dit kan geschieden. Het is echter een algemeen bekend feit dat het nnoeilijk is voor 'storende gedragsgestoorden' plaats te vinden in psychiatrische zi.ekenhuizen. In de adviesaanvragen aan de regionale overleggroepen dient dan ook uitdrukkelijk te worden gevraagd naar de garantie dat, ais de groep meent in een regio geen behoefte te hebben aan een drugkliniek, de bestaande psychiatrische ziekenhuizen voorkomende gevallen zullen opnemen.

    Los van dit alles kan men stellen dat in het algemeen het psychiatrisch ziekenhuis geen ideate omgeving is voor de jeugdige aan drugs verslaafden. Waarschijnlijk biedt ook een drugkliniek de ideale omgeving niet. Speciale neurosebehandelingscentra voor jongeren zouden in een grote behoefte voorzien. Overweging verdient ook de oprichting per regio van een hulp- en dienstverleningscentrum volgens een agogisch model, naast de inrichtingen die werken volgens een medisch model.
    De meer actieve 'case-finding' kan moeilijk door de gevestigde curatieve instellingen worden verricht. Wat mobiliteit en mentaliteit aangaat, zijn de alternatieve hulpverleningsinstanties zoals Release en Sosjale Joenit hiertoe beter in staat.

    4.3.    Netwerk van diensten

    Per regio moet een netwerk van hulpverlening voor jongeren worden ontworpen. Bij inventarisatie van de mogelijkheden krijgt men het volgende beeld:

    a. Eerste-echeionshuip (voor opvang in acute situaties). Hiertoe behoren algemene en categorale voorzieningen van medische en niet-medische (z.g. alternatieve) hulpverleningsinstellingen. De hulp is in hoofdzaak ambulant en kan worden geboden door:
    —    een huisarts;
    —    een drugteam van een sociaal-psychiatrische dienst, gemeentelijke geneeskundige en gezondheidsdienst of Medisch Consultatie Bureau voor Alcohol en Drugs;
    —    een Jeugd Advies Centrum (J.A.C.);
    —    Sosjale Joenit;
    —    andere vormen van alternatieve hulpverlening;
    —    een telefonische hulpdienst, pastorale hulp, Teen challenge;
    —    een crisisinterventiecentrum (korte intra-murale hulp);
    —    een jeugdhuis, trefcentrum en sociéteit.

    b. Tweede-echelonshuip (ter begeleiding en behandeling). Hiertoe behoren eveneens algemene en categorale voorzieningen van medische en niet-medische hulpverleningsinstellingen. De hulp is in hoofdzaak ambulant en kan worden geboden door:
    —    een sociaal-psychiatrische dienst;
    —    een Medisch-Opvoedkundig Bureau;
    —    een Bureau voor Levens- en Gezinsmoeilijkheden;
    —    een Jeugd Advies Centrum;
    —    een Medisch Consultatie Bureau voor Alcohol en Drugs;
    —    een vrij gevestigde zenuwarts;
    —    een psycholoog, agoog, maatschappelijk werker (p.s.w.), reclasseringsinstelling, organen van kinderbescherming;
    —    een Phoenixhuis (intra-muraal);
    —    Drugs-anonymous.

    c. Derde-echelonshulp (voor intensieve behandeling). Hiertoe behoren algemene en categorale voorzieningen.
    De hulp wordt intra-muraal gegeven, soms door niet-medische hulpverleningsinstellingen. Deze hulp wordt geboden door:
    —    een algemeen zieken huis;
    —    een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis;
    —    een dagzieken huis;
    —    een verslavingskliniek;
    —    een gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis;
    —    een lnstituut voor Medische Psychotherapie;
    —    de Laurier (niet-medisch);
    —    een afkickboerderij (medisch).

    Per regio zullen afspraken moeten worden gemaakt over de bereikbaarheid (24-uursvoorziening), de verwijsmogelijkheden en de onderlinge consultatie. De door de werkgroep voorgestelde drugadviescommissies kunnen een stimulerende invloed uitoefenen op de vorming van zulk een netwerk. Formele uitnodigingen om tot een samenhangende hulpverlening te komen, kunnen uitgaan van de geneeskundige inspectie voor de geestelijke volksgezondheid, organen van C.R.M. en Justitie, eventueel door tussenkomst van het nationaal samenwerkingsorgaan van ambulante voorzieningen op het gebied van de geestelijke volksgezondheid.

    4.4.    Kosten

    Opdat men zich een beeld kan vormen van de uitgaven verbonden aan hulpverlening, is ais bijlage F opgenomen een overzicht opgesteld door het Medisch Consultatie Bureau voor Alcohol en Drugs te Amsterdam van de kosten gemaakt voor de poliklinische behandeling van 394 drugpatiênten in 1971 en van de beg rote kosten voor 1972.

    De kosten van een klinische behandeling worden geschat op f100,— per patient per dag.

    Het is duidelijk, dat waar dit mogelijk is, extra-murale hulp de voorkeur verdient. Aan instellingen en groeperingen die deze hulp metterdaad op zich ne-men, dient dan echter ook het werken met daartoe gekwalificeerde krachten financieel mogelijk te worden gemaakt. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met de aan de hulpverlening verbonden kosten van administratieve werkzaamheden en outillage.

    Slotwoord
    De werkgroep wit dit rapport nog met enige opmerkingen besluiten.

    De risico's van druggebruik zijn van vele factoren afhankelijk en verschillen onderling in aard, omvang en grootte. Op deze aspecten heeft een deel der beschouwingen in deel I betrekking.

    De werkgroep is van oordeel dat de gevolgen van mogetijke wetswijzigingen in verband met deze risico's op dit moment nog niet goed zijn te overzien. Daarbij komt dat de drugproblematiek zoveel internationale aanknopingspunten heeft dat een wijziging van enige betekenis in de nationale wetgeving, eerst na grondige voorbereiding op internationaal niveau kan plaatsvinden.

    In de voorstellen van de werkgroep is aan de drugadviescommissies een centrale plaats toegedacht. Daar zullen gedurende een proefperiode van b.v. twee jaar in interdisciplinair overleg de beslissingen moeten worden voorbereid die betrekking hebben op concrete problemen.

    Voor het verschaffen van meer inzicht in het in de toekomst te voeren beleid is wetenschappelijke begeleiding van dit experiment met drugadviescommissies onmisbaar.

    De drugadviescommissies dienen contacten te onderhouden met de instellingen en groeperingen die de hulp- en dienstverlening en de voorlichting verzorgen. De werkgroep heeft ten aanzien van de hulpverlening geen grote organisatorische vernieuwingen voorgesteld. Voor een deel zijn spontaan reeds allerlei nieuwe vormen van hulp- en dienstverlening ontstaan, terwijI ook de traditionele instellingen zich bezinnen op nieuwe werkwijzen. Een centraal voorgeschreven model zou op dit terrein allerminst voldoen. Het is juist de grote diversiteit aan hulpverleningsactiviteiten die het mogelijk maakt verschillend geaarde groeperingen te helpen. Wet dient er door mid-del van communicatie en coôrdinatie voor te worden gezorgd dat niet een doolhof, maar een netwerk van hulpverlening ontstaat.

    Uiteraard is de groep van in nood verkerende jongeren met een geringe motivering het moeilijkst te bereiken. Het zoeken naar een aan deze groep aangepaste benaderingswijze zal in de naaste toekomst extra aandacht moeten krijgen.
    De werkzaamheden waarvan dit rapport het resultaat is, namen een aanvang nadat de werkgroep was uitgebreid bij de in de Inleiding van deel I vermelde beschikking van 4 februari 1970. In de twee jaren die sedertdien zijn verstreken, heeft een levendige gedachtenwisseling binnen de werkgroep plaats gevonden. Daaruit zijn de eenstemmige aanbevelingen tot stand gekomen.

    's-Gravenhage, februari 1972.
    De werkgroep verdovende middelen: P. A. H. Baan, voorzitter.
    R. E. van Galen-Herrmann, secretaris.



    Bijlage C

    Sixth Conference of European Ministers of Justice The Hague, 26th-28th May 1970
    Strasburg, 28th May 1970
    Resolution on decriminalisation
    The Ministers taking part in the VIth Conference of European Ministers of Justice,
    Mindful of the rapid changes in contemporary society which call for an examination of the extent to which kinds of behaviour now falling within the scope of the criminal law might be excluded from legal control;
    Considering also that it is essential to study whether classes of acts now dealt with by criminal sanctions might be dealt with by sanctions not coming under the criminal law or by social measures, bearing in mind the drawbacks attaching to the use of the criminal law and the advantages in the use of other means;
    Welcoming therefore the decision of the Committee of Ministers of the Council of Europe to authorise the European Comittee on Crime Problems to study these questions;
    Having taken note of the report presented by the Italian Minister of Justice and the communications of the Danish and Dutch Ministers;
    Considering that a study of the criteria which should, in the present circumstances, determine the field of action of the criminal law constitutes a task of major importance;
    Affirming that the scope of the criminal law should be no wider than necessary;

    Recommends
    (a) that the Committee of Ministers give particular support to the European Committee on Crime Problems in the accomplishment of its task in this matter;
    (b) that the Committee of Ministers asks the European Committee on Crime Problems to make suggestions, moreover, on practical means for promoting the application of criteria on the delimitation of the scope of the criminal law.

    Bijlage D

    Sixth Conference of European Ministers of Juctice The Hague, 26th-28th May 1970
    La Haye, 28th May 1970

    Resolution on penal aspects of the misuse of drugs

    The Ministers taking part in the VIth Conference of European Ministers of Justice,
    Seriously concerned with the phenomenon of drug misuse as it appears in member States;
    Aware that the complex nature of the problems presented calls for carefully considered action both nationally and internationally;
    Believing that international collaboration is essential for control of the misuse of drugs and that this collaboration should be extended to cover all dangerous drugs;
    Convinced that, to the extent that there is recourse to the criminal law in the matter of drug misuse, it is desirable that the member States of the Council of Europe should seek to arrive at common understandings on which policy an practice can be based;
    Having taken note of the report presented by the Danish Minister of Justice;
    Welcoming the fact that the Committee of Ministers of the Council of Europe has already instructed the European Committee on Crime Problems to study penal aspects of the misuse of drugs;
    Recognizing that the problems posed and the knowledge available are liable to change and that governments often have to take rapid decisions about the control of drug misuse;
    Believing that in view of the foregoing consideration should be given to placing the
    question of drug misuse on the agenda of the next Conference of Ministers of Justice;

    Recommend
    that the Committee of Ministers request the European Committee on Crime Problems:
    1. to give careful consideration to the possibility of a policy which takes account of the following principles;
    (a) The solution of drug misuse problems requires co-ordination of action by government departments, co-operation between the medical profession, social welfare agencies and enforcement authorities, and the provision of adequate information to the public. The solution cannot therefore be found through the criminal law alone;
    (b) A distinction should be made between less harmful forms of misuse and other activites which tend to encourage misuse and create significant social problems;
    2.    to study whether distinctions between the various types of drug should be
    made according to their dangerousness and reflected in the criminal law provisions.

    Bijlage E

    Consultative Assembly of the Council of Europe Twenty-second ordinary Session
    Recommendation 609 (1970)* on drug dependence I.    Public health aspects
    The Assembly,
    1.    Considering that the rapid increase in the abuse of drugs, particularly among youth, has become a major public health problem in Europe;
    2.    Considering that in the last few years patterns of drug abuse have become more complex, and that further research into the many aspects of drug abuse is necessary,
    3.    Considers that due attention should be given to the prevention of drug abuse through educational and other means, and that persons dependent on drugs should be afforded adequate treatment and rehabilitation services without respect to their ability to pay for such services;
    4.    Notes with appreciation the work of the World Health Organisation designed to encourage and assist the development of improved services in these areas and the further necessary research in the field of drug dependence;
    5 Welcomes the work on the public health and penal aspects of drug dependence undertaken in the framework of the Intergovernmental Work Programme of the Council of Europe;
    6.    Considers that the prevention and treatment of drug dependence involve multiple problems that go beyond the competence of any single profession, and stressing the need for a multidisciplinary approach to the drug problem;
    7.    Recommends that the Comittee of Ministers:
    (i) invite member governments:

    (a) to make every effort, with the help of mass media and other educational resources, to inform the general public and special groups within it on the problems associated with the self-administration of dependence-producing drugs;
    (b) to establish consultative centres where persons can seek professional advice and assistance in their efforts to abstain from drug taking;
    (c) to set up a sufficient number of adequately equipped treatment centres for persons who have become psychically or physically dependent on drugs as well as special services for the medical and social rehabilitation of former drug patients;
    (d) to ensure better facilities for research on problems of dependence on drugs, permitting research workers of the various disciplines and persons dealing with drugdependent persons to advance their knowledge on the causes, prevention and treatment of drug dependence;
    (ii) entrust one of the competent institutes in the Council of Europe member States with the task of collecting and disseminating information on developments in drug dependence, and also with promoting and co-ordinating multidisciplinary research on drug dependence in Europe, in co-operation with the European Public Health Committee of the Council of Europe.

    Legal aspects The Assembly,

    1.    Expressing grave anxiety at the increase in drug taking in Council of Europe member States, particularly among young people;
    2.    Considering that legal provisions and measures to control the production, trade, distribution and consumption of drugs and to combat illegal forms of dealing in drugs must be improved and can be made effective only by concerted action at national and international level;
    3.    Considering that drug taking gives rise to a wide range of difficult and delicate problems the solution of which cannot be sought only through legal measures, and that Council of Europe member States should increase considerably their budgetary appropriations to cope with these problems;
    4.    Convinced that much more information and research are required regarding the various aspects of the drug problem and the long-term effects of drug taking on the individual and on society as a whole, in order to be able to decide precisely what legal and other measures are appropriate;
    5.    Taking the view, nevertheless, that some action has to be taken without delay in view of the urgency of the matter,
    6.    Recommends that the Committee of Ministers:
    (i) formulate, on the basis of the Annex, part A, to this recommendation, proposals for urgent legal measures to be taken by member States;
    (II) invite member States which have not yet done so to become parties to the Single International Convention on Narcotic Drugs of 1961, and support the efforts made by the United Nations to draw up a Protocol on Psychotropic Substances to that Convention;
    (iii) bring about a common approach of member States to the drug problem, and formulate a European policy on which concerted legal action and practice can be based, taking into account the suggestions contained in the Annex, part B, to this recommendation;
    (iv) consider the advisability of setting up a European Drug Committee within the framework of the Council of Europe, with a view to strengthening Western European co-operation and to contributing to the work of the International Narcotics Control Board of the United Nations, the International Criminal Police Organisation (Interpol) and the World Health Organisation.

    * Assembly debate on 21 September 1970 (13th Sitting) (see Docs. 2815 and 2830, reports of the Committee on Social and Health Questions, and of the Legal Affairs Committee).
    Text adopted by the Assembly on 21 September 1970 (13th Sitting).

    Recommendation 609
    Annex. Proposals for legal action
    A.    Measures at national level
    1.    Drug dependence should be treated as an illness rather than a crime. Ordinary penal sanctions, existing penal institutions and normal methods of post-penal treatment are not appropriate for drug dependents. Such persons need special treatment — which should where necessary be made compulsory — in order to have maximum opportunities for readaptation; and there should be special services and institutions to deal with them. Governments should make great efforts in this field.
    2.    The unauthorised use of any drug* should be prohibited by law. A distinction should, however, be made between less harmful drugs and the more dangerous ones creating significant social problems; this distinction should be reflected in the national provisions for offences committed by drug dependents in an effort to obtain drugs.
    3.    The greatest possible attention should be concentrated on all forms of unlawful professional or commercial forms of production, possession and distribution of drugs. Traffickers, pedlars and producers should be liable to the most severe penalties. Penal sanctions should include imprisonment, fines covering the profits of illegal activities, confiscation of objects used in connection with such activities, measures of supervision, travel restrictions and endorsements in travel documents.
    4.    Control and protection of pharmaceutical and medical stocks and the raw material of drugs as well as supervision of doctors' prescriptions must be strengthened, since it appears that important quantities of the drugs taken or obtained by dependents and dealers come from officially authorised stocks or sources. Severe penalties and professional restrictions should be imposed upon those who do not comply with drug regulations.
    5.    The drug problem calls for a multidisciplinary approach. Action by government departments must be co-ordinated, and there must be full co-operation between the enforcement authorities, the welfare agencies and the medical and pharmaceutical profession. The solution cannot be found through legal provisions or the criminal law alone.
    B.    Measures at international and European level
    1.    Traffic in drugs is an international problem and can be controlled efficiently
    only by international co-operation. Therefore the Single International Convention on
    Narcotic Drugs, 1961, should be adhered to and the work of the United Nations concerning the envisaged Protocol on Psychotropic Substances to that Convention fully supported by all Council of Europe member States.
    2.    European co-operation is required to supplement this international machinery wherever it is deficient of whenever European requirements call for particular action.
    3.    Council of Europe member States should make an effort to agree on a common approach to the drug question, and to arrive at a European policy and common understanding on which concerted legal measures and practice can be based. There should be a continuous exchange of information and experience on the use of drugs, drug patterns, addicts, traffic and traffickers, convictions, measures taken, new drugs developed, research, treatment and education programmes. Common research should be carried out on various aspects of the drug problem.
    4.    A European policy should lay down provisions concerning the availability, production, distribution and control of drugs, the suppression of drug misuse and drug trafficking, and the treatment of drug dependents. It should, among other things, be based on an additional list of drugs to be controlled in all member States, so as to supplement the lists of drugs contained in the Single International Convention on Narcotic Drugs and the envisaged Protocol on Psychotropic Substances.
    5.    It is desirable that member States should adopt a common attitude concerning co-operation between producer and consumer countries, with a view to a better control of the production and cultivation of the plants which produce natural drugs (in particUlar the Cannabis sativa and the Papaver somniferum).
    6.    The distinction between less harmful and dangerous drugs and the methods to deal with them should be settled by common consent among member States. There is an urgent need for comprehensive studies on the effects a policy of restricted availability of cannabis would produce both on society and on the individual.
    7.    The control of commercial exchanges and of suspicious travellers from States between which considerable illegal traffic of drugs is taking place should be strengthened and co-ordinated. A drug which is prohibited and causing considerable problems in one country should not be manufactured or handled without sufficient control in another country. Extradition of drug pedlars should be made more general.

    * for the purpose of this document the term 'drug' means any substance listed by the appropriate authorities as being liable to abuse such as to constitute a serious social and public health problem.





      

    Laatst aangepast (maandag, 29 augustus 2011 12:40)