Rapporten - Overheids- en adviescommissies

Ruimte in het drugbeleid

Hulsman Rapport

Rapport van een werkgroep van de Stichting Algemeen Centraal Bureau voor de Geestelijke Volksgezondheid

Voorwoord

Verontrust over de toename van het druggebruik en .misbruik, maar niet minder over de reacties die dit gedrag in de samenleving opriep, besloot het bestuur van het Algemeen Centraal Bureau voor de Geestelijke Volksgezondheid in 1968 tot het instellen van een werk-groep.

De opdracht die aan deze werkgroep werd meegegeven was veelom-vattend. Naast het bieden van een verheldering ten aanzien van de factoren die met druggebruik samenhangen en het geven van een zicht op het totale patroon, werd ook gevraagd suggesties te geven voor een rationeel overheidsbeleid m.b.t. het drugvraagstuk. Dat betekende dat in de werkgroep deskundigheid van diverse discipline aanwezig zou moeten zijn: sociologie, farmacologie, criminologie, strafrechtswetenschap, hulpverlening aan 'drugverslaafden', psycho-logie, psychiatrie.

Het bestuur slaagde erin personen tot medewerking bereid te vinden, die - ieder vanuit eigen werk- en kennisgebied - grote deskundig-heid op het terrein van de drugs hadden verworven en van wie enigen daardoor in ons land bekend waren geworden. De namen van hen zijn na. dit voorwoord opgenomen. Dat achter hun namen ook hun functies zijn vermeld wil niet zeggen, dat zij als functionaris in de werkgroep zitting hadden. Allen namen deel 'op persoonlijke titel'. Aanvankelijk stonden de discussies onder leiding van Dr. J.A.J. Barnhoorn. Toen deze zich wegens tijdgebrek moest terugtrekken werd hij als voorzitter opgevolgd door Prof. Mr. L.H.G. Hulsman. Wanneer deskundigen vanuit verschillende vakgebieden gezamenlijk een zo complex vraagstuk als het druggebruik bespreken, ligt het voor de hand dat er meningsverschillen aan het licht komen. Daar-van zijn er enige blijven bestaan.

Het bestuur van de Stichting Algemeen Centraal Bureau voor de Geestelijke Volksgezondheid is de werkgroep zeer erkentelijk voor het verrichte werk. Het biedt U dit rapport aan, de hoop en de verwachting uitsprekend, dat het zal bijdragen aan een ontwikkeling die zal leiden tot een rationele aanpak van het drugvraagstuk. Nu het hier een deskundigenrapport betreft met overwegend het karakter van een discussienota, vindt het bestuur het niet opportuun om nu reeds zijn standpunt t.a.v. de consequenties van dit rapport vast te leggen.

Leden van de werkgroep

Drs. H. Cohen, psycholoog, wetenschappelijk medewerker van het Instituut voor Sociale Geneeskunde van de Universiteit te Amster-dam

Dr. E. Dekker, socioloog, Hoofd van de Afdeling Psychohygi‰ne van de Hoofdinspectie Geestelijke Volksgezondheid van het Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygi‰ne Dr.

P.J. Geerlings. zenuwarts, wetenschappelijk medewerker le klas van de Psychiatrische Kliniek van het Academisch Ziekenhuis der Universiteit te Amsterdam

Mr. Dr. J.F. Hartsuiker, Officier van Justitie, Hoofd van het Arrondissementsparket te Amsterdam (waarnemer)

prof: Mr. L.H.G. Hulsman, Hoogleraar in het strafrecht aan de Economische Hogeschool in Rotterdam (voorzitter)

H.J Krauweel, direkteur van het Medisch Consultatiebureau voor alcoholisme en drugs en van de Dr.Jellinekkliniek voor verslavings-ziekten te Amsterdam

J. van Londen, zenuwarts, Hoofd van de afdeling psychohygi‰ne van de G.G. en G.D. in Den Haag

Dr. F.A. Nelemans. arts-pharmacoloog, Hoofd van de werkgroep Klinisch Geneesmiddelen Onderzoek T.N.O. te Den Haag.

Mr. L. Oranie, Hoofd van de Hoofdafdeling Staats- en Strafrecht van het Ministerie van Justitie (nam als waarnemer deel aan een gedeelte van de besprekingen van de werkgroep)

Dr. D.C.J. van Peype, socioloog, wetenschappelijk medewerker van de afdeling Stafbureau Sociaal Onderzoek van het Ministerie van C.R.M.

Drs. P.C. Rike, socioloog, wetenschappelijk medewerker van het bureau van de Stichting Algemeen Centraal Bureau voor de Geestelij-ke Volksgezondheid te Utrecht (sekretaris)

Dr. A.H. Wirre, farmaceut, Adjunktdirekteur van het Gerechtelijk Natuurwetensch. Laboratorium van het Ministerie van Justitie Proff:

Dr. D. Zuithoff; Hoogleraar in de orthopedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam, psychiatrisch adviseur van het Ministerie van C.R.M. en van het Alg. Centraal Bureau voor de Geestelijke Volksgezondheid

Mr. W. Blok van der Velden, direkteur van het Algemeen Centraal Bureau voor de Geestelijke Volksgezondheid (rapporteur)

Inhoud

1 Inleiding
2 De stoffen
3 Gebruiker en gebruik
4 Het druggebruik in 'onze' samenleving
5 Wetgeving en drugs
6 Beleidssuggesties
7 Literatuurlijst

1 Inleiding

Rapporten die het druggebruik tot onderwerp hebben, beginnen vaak met een poging om het begrip 'drugs' te defini‰ren. Wij hebben daar echter van af gezien. Een van de redenen is het feit, dat het grote aantal definities, dat wij in de literatuur aantreffen elk een ander aspect van het begrip 'drugs' belicht en dat in dit rapport juist vele van die aspecten aan de orde zullen moeten komen.

Ook zonder een definitie van drugs te geven is het mogelijk om ons onderwerp voor het doel van dit rapport voldoende af te bakenen. Het onderwerp van dit rapport is dan: het door belangrijke groepen in de samenleving als afwijkend beschouwde gebruik van de stoffen hennep (hashish en marihuanal, LSD en verwante stoffen, opium en overige analgetische narcotica, alsmede de wekaminen of amfetami-nen en barbituraten, Hennep, LSD en opium vallen onder de werking van de Opiumwet welke in 1928 tot stand kwam. De wekaminen en barbituraten zijn weliswaar op recept verkrijgbaar, maar er is een aanzienlijk afwijkend (deviant) gebruik buiten medeweten van arts of apothe ker.

Daarnaast is er een aantal andere stoffen, die op een afwijkende wijze worden gebruikt, zoals het anti-hoestmiddel Romilar en indus-tri‰le produkten als ether en trichloorethyleen. Door de optredende vervelende bijverschijnselen (bijv. van trichloorethyleen) heeft het gebruik van deze laatstgenoemde stoffen echter geen grote vormen aangenomen, zodat er slechts zijdelings naar verwezen zal worden. Wel zal dit rapport in sommige gevallen aanhaken bij de alkoholpro-blematiek. Deze stof is ingeburgerd en kan daarom goede diensten bewijzen als referentiekader. De medische drugproblematiek ('overprescribing', slaaptabletten etc.), de zelfmedikatie (doping etc.) en de 'drugs', die via de milieuverontreiniging ons lichaam bereiken, zu11en buiten beschouwing blijven. Het accent zal dus duidelijk vallen op hennep, LSD, opium en amfetaminen en wel in drie ge‹nterrelateerde aspecten: farmakologisch, psychologisch en sociologisch. In concreto; wanneer iemand bijv. cannabis gaat gebruiken, krijgt hij niet slechts te maken met de fysiologische en psychologische uitwerking van dit middel, maar ook met de denkwijzen, reakties en ideologie van de groep (subkultuur) waarin dit gebruik plaats vindt en met de afwijzende en bestraffende houding van 'de' samenleving. Deze aspekten mogen niet ge‹soleerd worden.

Samenvattend kunnen we zeggen, dat het rapport zich zal bezighou-den met de relaties tussen deze aspekten; relaties tussen het middel (drug) en resp. gebruiker, eventuele subkultuur en samenleving. Relaties ook tussen gebruiker en resp. subkultuur en samenleving, alsmede tussen subkultuur en samenleving. Ook over de juridische aspekten van het druggebruik worden enige beschouwingen gegeven. In een aantal konkluderende opmerkingen zullen enige aanbevelin-gen worden gegeven m.b.t. datgene wat nu en in de nabije toekomst kan worden gedaan om te voorkomen dat het druggebruik in onze samenleving tot een ernstig probleem uitgroeit.

2 De stoffen

2.1 Algemeen

Situaties die een negatieve invloed hebben op het bestaan van vele individuen, kunnen voor (sommige van) die individuen traumatise-rende gevolgen hebben. De crisis van de dertiger jaren was zo'n situatie. Ook de ellende die de alcohol veroorzaakte onder de negen-tiende eeuwse arbeidende bevolking kan als voorbeeld gelden. In die periode heeft zich het stereotiepe beeld gevormd van de aan alcohol verslaafde: een geestelijk, lichamelijk en sociaal tot de ondergang gedoemde. Die dreiging van een mogelijke verslaving aan alcohol werkt waarschijnlijk ook nu nog na en wordt vaak op andere drugs overgedragen. In het zeer gevarieerde pakket van stoffen die tegen-woordig als drugs worden gebruikt, bevinden zich echter ook stoffen die deze verslavende werking niet hebben, maar die om andere redenen grote risico's voor de gebruiker met zich brengen.

Het opsnuiven van bepaalde stoffen bijvoorbeeld kan bewusteloos-heid, zelfs de dood veroorzaken. Bij het inspuiten van stoffen kan luchtembolie optreden of kunnen ernstige infecties ontstaan. Van sommige stoffen is de actuele samenstelling niet altijd bekend, wat voor de gebruiker bijzonder nare gevolgen kan hebben. Hetzelfde geldt voor het door elkaar gebruiken van diverse stoffen. Mensen die daar een verhoogde vatbaarheid voor hebben - in het bijzonder labiele of prepsychotische personen - kunnen ernstig, soms hardnek-kig of zelfs blijvend psychisch letsel oplopen (psychotische toestan-den). Er bestaat een uitgebreide literatuur over de mogelijke gevaren die aan druggebruik kunnen zijn verbonden. Een uitvoerige beschrijving past niet in het kader van dit rapport. Een paar kanttekeningen willen we echter maken.

  • Het effect van het gebruik van een stof is afhankelijk van een aantal factoren: de aard van de stof (en van de gebruikte hoeveelheid), de wijze van gebruik, de 'persoonlijkheid' van de gebruiker (bijv. de mate van gevoeligheid voor een bepaalde stof, zijn psychische predispositie) en van de omstandigheden waarin het gebruik plaats vindt. Ook het risico, dat het gebruik van een stof meebrengt, wordt door deze factoren be‹nvloed.
  • De termen waarmee men in de literatuur de effecten van bepaalde drugs beschreven vindt, zijn vaak ontleend aan de psychiatrie, zonder dat het hier gaat om werkelijk dezelfde 'ziekteprocessen'. Zo is de 'depersonalisatie' bij een druggebruiker bijna altijd van kortdurende aard en heeft het verschijnsel een andere betekenis dan bij een beginnende schizofrenie, waarmee uiteraard deze effecten niet wor-den gebagatelliseerd.
  • Men spreekt vaak over 'hard drugs' en 'soft drugs'. Het bezwaar van deze indeling is, dat niet alle stoffen die als drug worden gebruikt, op duidelijke wijze in ‚‚n van deze categorie‰n zijn onder te brengen. Wanneer men bijvoorbeeld stoffen die een sterk verslavende werking kunnen hebben tot de hard drugs wil rekenen, dan valt LSD daar niet onder en cannabis evenmin. Dit zou ten onrechte de indruk kunnen wekken, dat beide stoffen een ongeveer gelijk risico voor de gebrui-ker zouden meebrengen. Neemt men 'gewenning als criterium, dan valt coca‹ne in de groep van de soft drugs, hoewel het bepaald een gevaarlijke stof is. Stelt men, dat hard drugs de psychotrope stoffen zijn die -in meerdere of mindere mate - het risico van acute of chronische vergiftigingstoestanden met zich meebrengen, dan bestaan er geen soft drugs. Meestal rekent men alleen de cannabisprodukten tot de soft drugs. Anderen zeggen dan weer dat juist deze stoffen 'gevaarlijk' zijn omdat men hun risico onderschat. Bedoelt men, dat hard drugs gevaarlijker zouden zijn voor de gemeenschap dan soft drugs, dan kan men daartegen (in extremo) aanvoeren, dat tabak absoluut gezien meer slachtoffers en ellende veroorzaakt dan hero‹ne. Dat wij in dit rapport de onderscheiding tussen hard en soft drugs niet hebben gemaakt, betekent niet dat wij geen onderscheid willen maken tussen meer of minder gevaarlijke stoffen, maar dat het onderscheiden in twee categorie‰n voor de doelstelling van dit rapport te grof is.
  • Het kan voorkomen, dat in een bepaalde samenleving de overtuiging heerst, dat een vorm van gedrag zeer gevaarlijk is voor betrokkene, zonder dat voor die mening een objectieve, redelijke grond aanwezig behoeft te zijn. Zo 'wist' men bijvoorbeeld, dat masturbatie ruggemergtering veroorzaakte. Pas toen de tendens om de seksualiteit te verdringen afnam, was het mogelijk om te ontdekken dat van schadelijkheid voor de gezondheid geen sprake was.

Vooral wanneer onze kennis jegens een bepaald verschijnsel nog grote hiaten vertoont en het verschijnsel als zodanig bovendien vele leden van de samenleving emotioneel aanspreekt en onzekerheid en angst veroorzaakt, is de kans groot dat onze visie op dat verschijnsel wordt bemoeilijkt. In onze samenleving zijn wij gewoon, in dit soort aangelegenheden het oordeel van deskundigen te vragen. Wanneer deze deskundigen echter hun uitspraken eerder doen steunen op hun persoonlijke overtuiging of op het resultaat van onderzoek dat achteraf minder betrouwbaar of onvolledig blijkt te zijn geweest, dan zullen deze uitspraken soms de onrust in de samenleving vergroten, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig: is. Zo stelt men wel, dat het gebruik van cannabis hersenbeschadiging teweeg brengt. Tot nu toe is echter bij de leden van de werkgroep geen valide onderzoek bekend geworden, dat die uitspraak steunt. Als voorbeeld van nog onvolledige kennis kan worden genoemd de schade aan chromosomen die door LSD wordt veroorzaakt. Bij later onderzoek bleek, dat dit effect niet sterker is dan bij sommige andere stoffen die wij gewoon zijn te gebruiken (bijv. aspirine). Het staat evenmin vast (1971) of de hier bedoelde beschadiging blijvend of van voorbijgaande aard is en of deze beschadiging ook voor het nageslacht gevolgen heeft.

  • Soms noemt men effecten van het gebruik van bepaalde drugs, zonder daarbij te vermelden, met welke frequentie deze effecten optreden en bij welke doseringen de kans hierop groter is. Zo wordt bijvoorbeeld bij alcohol delirium gerapporteerd en bij hasj signaleert men hallucinaties. Beide fenomenen komen in de praktijk echter relatief zelden voor.
  • Bij sommige stoffen treedt een nawerking op, tegengesteld aan het effect dat door het gebruik van de stof wordt beoogd. Is het effect bijvoorbeeld euphoriserend dan treedt, nadat de stof is uitgewerkt depressie op. Dit kan een frequent gebruik bevorderen.
  • Naast gevaren voor de gebruiker zelf kan druggebruik ook gevaren voor derden teweeg brengen. Gewezen wordt op de 'kwade dronk' bij alcoholgebruik en op soms wel voorkomende agressie bij wekamine- gebruik. De combinatie van druggebruik en deelname aan het verkeer kan gevaren opleveren. Ook kan druggebruik het verrichten van bepaalde handelingen, bijvoorbeeld in de werksituatie bemoeilijken.
  • Het eenvormige beeld dat wij vroeger van de verslaving hadden, wordt steeds meer verlaten. In de huidige zienswijze heeft iedere verslaafde a.h.w. zijn eigen unieke vorm van verslaving met zijn eigen individuele kenmerken. Dit betekent o.a. dat allerlei stereotypen die vroeger werden gehanteerd hun geldigheid verloren (zo zij deze ooit hebben gehad). Dit betekent ook dat er verslaafden zijn, die ernstige lichamelijke onthoudingsverschijnselen vertonen maar de psychische complicaties uitstekend onder de knie weten te houden. Er zijn verslaafden die weliswaar geen ]lichamelijke onthoudingsverschijnse-len vertonen maar die toch hun gehele bestaan a.h.w. opbouwen rondom een bepaalde drug. Nu de lichamelijke afhankelijkheid door medisch ingrijpen doeltreffend kan worden bestreden, blijken andere facetten van de verslaving van grote betekenis te zijn. De onvrijheid van de gebruiker m.b.t. de stof is nog steeds de kern van de verslaving, maar de betekenis daarvan is verschoven. Zolang de verslaafde geen werkelijke alternatieven vindt voor zijn bestaan als druggebruiker, blijft het gevaar voor recidive aanwezig.
  • De huidige opvattingen m.b.t. het begrip verslaving maken het mogelijk, verslaving ook los te zien van bepaalde stoffen. Wanneer men zijn gehele bestaan als het ware opbouwt rondom een bepaalde gewoonte, bijv. werken, dan kan ook een toestand intreden die veel van verslaving weg heeft. Dit blijkt bijv. wanneer betrokkene niet meer aan het arbeidsproces kan deelnemen.

2.2 Enige stoffen en hun risico's

  • 2.2.1 Algemeen -
  • In dit hoofdstuk willen wij de belangrijkste gevaren van de in ons land meest gebruikte drugs de revue laten passeren. Misschien is het goed, hier nog even aan te stippen - wellicht ten overvloede - dat drugs naast gevaren ook positieve effecten opleveren. Niet zelden krijgt men de indruk, dat de ‚‚n de voordelen overdrijft, de ander de gevaren. Overdrijft men in de voorlichting de risico's, dan is de kans groot dat het vertrouwen in de voorlichting over drugs daarvan schade ondervindt. waardoor het effect van voorlichting zal verminderen. In onze hedendaagse situatie kunnen we stellen, dat drugs middelen zijn waaraan veel mensen genoegen beleven, zoals ook aan het gebruik van andere (als U wilt genots-) middelen. Matig en ge‹ntegreerd gebruik kan ontspannend werken en sociale contacten bevorderen, excessief gebruik zal schadelijk zijn. Mensen kunnen door het gebruik van deze middelen in moeilijkheden geraken.
  • De ‚‚n is 'gevoeliger' voor de ene stof, de ander voor andere stoffen. De effecten zullen dus van individu tot individu verschillen en zo ook de ongewenste, onprettige effecten: de gevaren. Dit alles maakt in feite iedere globaliserende benadering onvolledig. Wij menen echter dat enige opmerkingen m.b.t. de risico's van bepaalde stoffen niet kunnen worden gemist. Het overheidsbeleid zal immers ook met deze aspecten - hoe onvolledig ook tot op heden gekend - rekening moeten houden. We beperken ons hier zoals gezegd tot de in ons land meest voorkomende drugs, waarbij de volgorde waarin zij worden besproken geen betekenis heeft.
  • 2.2.2 Opiaten (opium, morfine, hero‹ne etc.; de opiumwet is van toepassing) - Van de opiaten wordt op dit moment opium in ons land het meest gebruikt. Gewezen wordt op de vaak sterk verslavende werking van de opiaten. Afhankelijk van de persoonlijkheid van de gebruiker en de frequentie van het gebruik kan reeds na korte tijd (of pas na jaren) verslaving optreden. Bij frequent gebruik treedt vaak al snel lichamelijke gewenning op, gepaard gaand met veranderingen in de lichaamsweefsels. Voor zijn functioneren wordt het lichaam afhankelijk van de aanwezigheid van de stof. Is de stof niet aanwezig, dan reageert het lichaam 'abnormaal', hetgeen met onlustgevoelens gepaard gaat. Deze onlustgevoelens liggen a.h.w. diametraal tegenover de lustgevoelens die men d.m.v. de stof wilde oproepen. Het geheel van deze verschijnselen wordt aangeduid als het abstinentie-syndroom. Een steeds grotere dosis is nodig om het gewenste effect opnieuw te bewerkstelligen. Het doorbreken van deze situatie is door medische behandeling mogelijk, maar niet zelden wordt geen adekwate hulp ingeroepen omdat men bang is, daarmee tevens in de strafrechtelijke fuik te zwemmen. Bovendien gaan andere vormen van afhankelijkheid een rol spelen en die zijn veel moeilijker te kureren. Bij het be‰indigen van het gebruik gebeurt er nl. veel meer dan alleen het wegnemen van de stof. Cohen maakt hierover de volgende opmerkingen. 'De echte opium-misbruiker (Junkie) wordt bijv. niet slechts door de onthoudingsverschijnselen in het drugmilieu vastgehouden, want bij een goede behandeling zijn deze verschijnse-len na enige weken verdwenen. De 'cleane' junkie is echter niet minder junkie dan degenen, die zich om de 6 uren moeten inspuiten om niet ziek te worden. Hij mist zijn rituelen: de jacht op de opium, het schoonmaken van de opium, het vullen van de spuit, het inspuiten zelf, de waardering van de 'flash' en de meer subtiele uitwerking van de stof. Hij mist zijn gesprekken over junk' en andere drugs en denkt met weemoed aan bepaalde activiteiten, zoals muziek maken, die met opium pas echt de moeite waard waren. Kortom hij is zichzelf niet meer, maar een balling in eigen land, levend tussen mensen die hem niet interesseren, onbegrepen en gedwongen tot activiteiten die hem niet aanspreken. Fysiologische, psychologische en sociologische factoren binden hem aan de opium en als men door een ontwennings-kuur deze fysiologische factor wegneemt, houdt men geen 'normaal' individu over, maar een ongelukkige exjunkie, die moeizaam langs een geweldig luchtledig manoeuvreert.'


  • 2 2. 3 LSD (STP, Mescaline, DMT en andere stoffen met soortgelijk effect; de opiumwet is van toepassing)
    • Deze stoffen worden meestal aangeduid als hallucinogenen of psychedelica.

Zij worden veelal aangewend door hen die bewustzijnsveranderende c.q. verruimende werking van deze stoffen willen ondergaan (trippen). De stoffen zijn reeds in zeer kleine hoeveelheden werkzaam. Meestal wordt LSD oraal gebruikt. In de drugwereld vormt het spuiten een laatste grens, die slechts weinigen overschrijden.

Van LSD-gebruik worden de volgende gevaren gesignaleerd. Er kunnen soms plotselinge veranderingen in de stemming voorkomen, waarbij de gebruiker (zij het in zeldzame gevallen) tot agressief gedrag komt tegenover anderen of zichzelf. Hevige angstgevoelens komen voor, soms paniek gepaard aan een falen van het oordeelsvermogen, waardoor de gebruiker 'gekke dingen' doet, bijv. uit het raam springt. Soms treden psychotische toestanden op. Bij mensen die daar gevoelig voor zijn kunnen deze psychosen bijzonder hardnekkig zijn en zich later spontaan, of door gebruik van andere stoffen (bijv. cannabis) opnieuw aandienen. Verslaving aan LSD in de klassieke zin van het woord is tot nu toe niet aangetoond. Wel wordt gewezen op het feit dat een aantal van hen die LSD gebruikten tot meer regelmatig - zij het infrekwent - gebruik over gaat. De meeste LSD-gebruikers staken het gebruik na een aantal keren te hebben 'getript'. Chromosoom-beschadiging wordt genoemd, maar met name de kwestie van een mogelijke beschadiging van de vrucht dient nog nader te worden onderzocht.

22.4 De groep van de amfetaminen (vallen niet onder de opiumwet)

  • Amfetamine wordt veelal in de vorm van poeder of tabletten verhandeld.

De stof wordt gegeten of ingespoten. Voortgezet gebruik leidt vaak tot het gebruik van steeds grotere doses. De lichamelijke conditie van de gebruiker gaat door gebrek aan voeding en slaap achteruit. Bij overdosering over langere termijn treedt vrijwel altijd een amfetamine-psychose op: visuele en akoestische hallucinaties, parano‹de gedachten, paniek, soms agressief gedrag. Het risico van acute overdosering kan reeds bij betrekkelijk geringe doses bestaan, afhankelijk van de individuele gevoeligheid van de gebruiker voor de stof. Bij frequent gebruik kan psychische afhankelijkheid ontstaan. Lichamelijke gewenning wordt gesignaleerd, wat leidt tot het gebruik van steeds groter doses en wat het gevaar van overdosering vergroot. Gewezen wordt op depressieve toestanden die na de uitwerking van de stof kunnen ontstaan en die na langer voortgezet, frequent gebruik steeds optreden.

2.2.5 Cannabis (valt onder de opiumwet)

  • Gewezen wordt op een over het algemeen lichte psychische uitwerking van de cannabisprodukten. Er blijkt een grote spreiding te bestaan in werkzame bestanddelen, waardoor de effecten in belangrijke mate kunnen verschillen. Bij enkelen kan de uitwerking wat zwaarder zijn en kunnen zich angsten en paniektoestanden voordoen (betrokkene denkt dat hij gek wordt of dood gaat). Meestal zijn deze gevolgen van korte duur.

Gewezen wordt op de belangrijke invloed die de persoonlijke instelling van de gebruiker m.b.t. cannabis op deze gevolgen kan hebben, wat ook geldt voor de situatie waarin het gebruik plaats vindt. Zo constateerde men op 5.000 in een kliniek onderzochte cannabis-gebruikers (die gemiddeld 6 x terugkwamen) bij 3 personen een parano‹de, psychotische toestand. Deze gebruikers waren bang, omwille van dit druggebruik te worden gearresteerd, wat voor hun maatschap- pelijke posities ernstige gevolgen zou hebben gehad. Er kan sprake zijn van een zekere mate van afhankelijkheid, wat soms leidt tot het dagelijks meermalen gebruiken van de stof. Uit de onderzoeken van bijv. de Laguardia-commissie en de Wootton-commissie kwam de conclusie naar voren, dat matig cannabisgebruik niet schadelijker is dan matig alcoholgebruik. Er wordt wel gewezen op een verlaging van het strevingsniveau, ontstaan door langdurig en frequent cannabisgebruik, waarbij de aandacht wordt gericht op de 'hashissist', zoals die bijv. in landen als Marokko veelvuldig wordt aangetroffen. De werkgroep is echter van oordeel, dat het bepaald onjuist is, de Nederlandse situatie m.b.t. het cannabisgebruik en de gevolgen daarvan te vergelijken met de situatie in de hier bedoelde landen. De daar bestaande situatie m.b.t. de inkomstenverdeling en de ontplooiingskansen voor het individu wijkt in belangrijke mate af van de situatie in ons land. De mogelijkheden voor vele individuen om zelf verbeteringen hun lot aan te brengen zijn vaak gering. Velen grijpen dan ook naar een middel om zich met hun lot te kunnen verzoenen. Misschien is de vergelijking met de in ons land in de negentiende eeuw heersende toestanden m.b.t. de alcohol niet geheel misplaatst. Daar komt bij, dat in de hier bedoelde landen de situatie m.b.t. hygi‰ne en voeding belangrijk anders is en dat chronische ziektetoestanden er meer voorkomen . Wanneer ook in ons land een verlaging van het strevingsniveau bij sommige frequent hasj-gebruikers wordt geconstateerd, dan moet met onze Nederlandse situatie rekening worden gehouden. Enerzijds moeten we dan constateren, dat er ook in ons land mensen worden gevonden die menen dat zij in onze huidige situatie niet de kansen op ontplooiing krijgen die zij zouden willen hebben. Anderzijds zien we dat het effect - verlaging van het strevingsniveau - zich voorname-lijk voordoet bij jeugdige gebruikers, die in groeperingen verkeren waar ideologie‰n heersen, die zich niet zelden afzetten tegen de in de maatschappij gangbare normsystemen, in het bijzonder de daar overheersende prestatiedwang. Wie zich ergens voor inzet, treft al gauw het verwijt dat hij 'opgefokt doet'. Het is nog niet duidelijk, of aan de aard van de stof dan wel aan het subkultureel gebeuren de meeste betekenis moet worden toegekend. Waarschijnlijk is de combinatie van beide voor het soms optreden van dit effect aansprakelijk. Men zegt wel dat cannabis op zichzelf (bij niet-excessief gebruik) niet gevaarlijk is, maar dat het gebruik van cannabis leidt tot het gebruik van andere stoffen, die wel gevaarlijk zijn (stepping- stonetheorie). Hieruit wordt dan de conclusie getrokken, dat cannabis moet worden verboden. Wanneer een cannabisgebruiker ook andere middelen gaat gebruiken, dan wordt hij echter niet door de aard van de cannabis daartoe gebracht. Cannabis heeft voor zover bekend - geen farmacologisch eigenschappen die de gebruiker ertoe brengen naar andere drugs te grijpen. Wanneer hij dat toch doet, dan blijkt steeds dat de situatie waarin het gebruik plaats vindt daarop van invloed is, alsmede het oordeel van de samenleving (de anderen) inzake het gebruik van drugs. Hoe meer iemand ge‹nvolveerd is in het groepsgebeuren, hoe zwaarder het druggebruik is. Op deze kwestie en op de vraag, welke rol repressief overheidsoptreden daarop heeft, zullen wij in het hoofdstuk over de kennismaking met drugs (blz. 25) nader ingaan.

2.3 Conclusie

Uit bovenstaande summiere schets komen de volgende conclusies te voorschijn. Voor zover van risico kan worden gesproken, treedt dit op bij overdosering van genoemde drugs, bij het gecombineerde gebruiken van verschillende drugs, bij lang voortgezet intensief gebruik, bij gebruik door personen die door hun psychische constellatie in verhoogde mate vatbaar zijn voor psychische stoornissen en bij gebruik in bepaalde situaties (arbeid, verkeer).

De verschillende drugs brengen het risico mee, dat men niet blijft bij gematigd gebruik. maar dat men komt tot het langdurig en intensief gebruiken van deze stoffen. Dan zijn zij schadelijk. Het verschil zit hierin, dat de ene drug een groter risico meebrengt om van het gebruik van de stof afhankelijk te worden, dan de andere. Wat dat betreft zijn de morfi ne-achtigen, de amfetamine-achtigen en de barbituraten berucht. Cannabisprodukten kunnen in dat opzicht meer op ‚‚n lijn worden gesteld met bijv. alcohol. Tabak heeft ongetwijfeld een sterker verslavende werking dan cannabis. Zoals hiervoor reeds is gesteld, komt een zekere mate van afhankelijkheid van cannabis soms wel voor. Meestal grijpt deze afhankelijkheid echterniet diep in: wie van cannabis afhankelijk werd, kan daar gemakkelijker van af komen dan degene die afhankelijk werd van bijvoorbeeld morfine. Laatstgenoemde zal dat over het algemeen niet op eigen kracht kunnen. Cannabisprodukten dwingen de gebruiker niet tot voortzetting van het gebruik, tot vergroting van de dosis of tot het overgaan op het gebruik van andere, zwaardere middelen, terwijl tot nog toe ernstige lichamelijke beschadiging niet is aangetoond. De situatie waarin het cannabisgebruik plaats vindt is echter van grote betekenis en kan tot ongewenste situaties leiden. Elders in dit rapport (blz . 2 6 e .v.) zullen we daaraan enige beschouwingen wijden.

3.Gebruiker en gebruik

3.1 Wie gebruiken drugs en waarom?

Het gebruik van stoffen die invloed hebben op de toestand van het bewustzijn is zo oud als de geschiedenis: kennelijk heeft de mens behoefte aan het ondergaan van deze uitzonderlijke situaties.

Pas gedurende de laatste decennia is het gebruik van drugs in ons land en in de ons omringende landen gestegen. Al spoedig nam het aantal druggebruikers sterk toe. Er zijn talrijke factoren aanwijsbaar, die aan deze verbreiding hebben bijgedragen. Wie een drug had gebruikt en daaraan iets prettigs had beleefd, a.h.w. een ontdekking had gedaan wilde ook vrienden daarvan deelgenoot maken. De stof ging daardoor van hand tot hand. Toch was er in de aanvang van deze ontwikkeling een duidelijker persoonlijke motivering nodig om de aangeboden drugs te aksepteren, dan nu meestal het geval is: het gebruiken van drugs betekende voor betrokkene meer. Vaak volgde dan ook als de ervaring gunstig was - min of meer regelmatig gebruik. Het is niet onwaarschijnlijk dat in deze beginperiode de gebruikers voornamelijk te vinden waren bij hen die zich doorgaans wat vrijer opstellen tegenover dat, wat gebruikelijk gedrag is in onze samenleving. Een zekere mate van verzet tegen die samenleving zal bij hen niet zelden reeds hebben bestaan voordat zij tot druggebruik kwamen. Velen in onze samenleving worden in hun jeugd a.h.w. geprogrammeerd om later burgers te zijn die grote waarde hechten aan bezit, arbeid, consumptie e.d. Sommigen verzetten zich daartegen en voelen zich - zo stelt men wel - aangetrokken tot bewustzijnstoestanden waarbij nuttigheid, zoals wij die in onze huidige maatschappij meestal opvatten, een andere plaats in hun waarden-scala inneemt. Vooral cannabis, met zijn euphoriserende werking, zou het met elkaar in communicatie treden vergemakkelijken. Het samen plezier maken, naar muziek luisteren e.d. onder de invloed van cannabis werd als iets bijzonders beleefd, tegenhanger van de alles doortrekkende verveling. Op zoek naar nog intensere gewaarwordingen en wellicht mede ge‹ntroduceerd door de maatschappij die het isolement van de 'subcultuur' waarin druggebruik een rol speelt bevordert, kwamen sommigen tot het gebruik van andere stoffen. Hoe meer involvatie in de 'subcultuur', hoe meer druggebruik. LSD zou volgens sommigen het tot stand komen van een 'dieper persoonlijk inzicht' bevorderen. Men beveelt het vaak zijn vrienden aan voor een psychische verheldering.

Soortgelijke opmerkingen zouden ook over andere stoffen te maken zijn. De snelle verbreiding van het druggebruik is niet te verklaren, louter door op deze omstandigheden te wijzen. Men ontkomt bijna niet aan het gevoel dat onze samenleving zich in een ontwikkelingsfase bevindt, waarin gedrag als het onderhavige gemakkelijker 'aanslaat' dan voorheen het geval was. Een groot aantal factoren zou - ieder op hun eigen wijze - kunnen bijdragen tot dit verschijnsel. Men noemt dan de steeds duidelijker aan de dag tredende ongewenste nevenverschijnselen van onze welvaart, de snelle veranderingen die zich in de samenleving voltrekken, de daarmee verband houdende onzekerheid en angst bij een deel van de bevolking, het verlies van een duidelijk zicht op en vertrouwen in de toekomst, de vervreemding van instituties die samenhangen met belangrijke waarden in onze samenleving. Men wijst ook op de toename van onze kennis m.b.t. de farmacologie en de medische wetenschap, waardoor met succes tegen bijna alle kwalen kan worden opgetreden; wij beheersen de lichaamsprocessen in hoge mate, wat het verlangen voedt om ook de psychische processen te be‹nvloedden. Anderen wijzen erop, dat druggebruikers vooral onder de jeugd worden aangetroffen en menen dat slechte gezinsrelaties, autoritaire verhoudingen op school en in de arbeidssituatie belangrijke factoren zijn. Sommigen menen dat het einde in zicht is van de periode, waarin cannabisgebruik over het algemeen een belangrijk gebeuren wasvoor de betrokkenen, die zich min of meer pioniers voelden. Het aantal gebruikers neemt nog steeds toe, maar het gebruikspatroon is aan het veranderen. Voor veel 'nieuwelingen' heeft het gebruik een meer vrijblijvend karakter, men 'bekeert' zich niet meer zo tot druggebruik, men zit er minder aan vast. Vooral cannabis wordt op schoolfeestjes, in buurthuizen, op plaatsen waar vakgenoten, bijv. fotografen, tekstschrijvers, mannequins elkaar ontmoeten, gebruikt zonder dat hieraan consequenties zijn verbonden voor later gedrag. Naast de hecht aaneengesloten groepen waar 'drugs' worden gebruikt doet zich een eindeloze verscheidenheid voor van allerlei meer of minder toevallige groeperingen. Tellen we de mensen die 'wel eens' hashish of marihuana hebben gerookt mee, dan moet het totaal aantal - zo meent men-wel tussen de 100.000 en 200.000 worden geschat. Van hen zouden ongeveer 30.000 gedurende kortere of langere tijd tot de meer regelmatige gebruikers behoren. Een aantal van hen gebruikt ook andere middelen dan cannabis. Bij onderzoek vond men dat ongeveer 15 % van de regelmatige gebruikers wel enige moeilijkheden ondervonden door het gebruik van drugs (andere dan cannabis). Ongeveer 2 a 3% van de regelmatige gebruikers (in ons land dus ñ 900) zijn ernstige probleemgebruikers (verslaafden en mensen die een ernstige depressie of psychose opliepen). Deze getallen zijn geen jaarcijfers, maar hebben betrekking op de laatste acht of tien jaar. De uitkomsten vertonen ongeveer hetzelfde beeld als bij alcohol het geval is, nl. dat ongeveer 2% van alle gebruikers afhankelijk wordt. Een van de belangrijkste vragen op het terrein van het druggebruik is dan ook, hoe een ontwikkeling zoals die zich m.b.t. het alcoholgebruik c.q. misbruik heeft voltrokken, kan worden voorkomen. Men stelt wel dat het druggebruik zich in ons land ontwikkelt als een epidemie. Deze vergelijking komt ons als onjuist en gevaarlijk voor. Zij kan nl. suggereren dat het mogelijk zou zijn om het druggebruik tegen te gaan, zoals men ook een epidemie van infectieziekten bestrijdt. Uit de in het rapport gegeven summiere schets van de achtergronden; van het drug vraag stuk moge blijken dat het aantal factoren (of variabelen), dat met dit probleem is verweven, groot is en dat deze verschillende factoren onderling op elkaar inwerken en zo een uiterst gecompliceerd patroon vormen. Het is dan ook een illusie te veronderstellen dat men het drugprobleem in ‚‚n keer uit de wereld kan helpen door ‚‚n van deze factoren te elimineren, zoals men dat bij de bestrijding van de malaria heeft gedaan door het droogleggen van moerassen. Soms wordt wel eens gesteld dat het produktie- of het distributiesysteem moet worden aangepakt om dit doel te bereiken. De ervaringen met de 'drooglegging' in de Verenigde Staten tonen aan, dat deze benadering niet noodzakelijk behoeft te leiden tot het gewenste resultaat; integendeel, de geschiedenis van de drooglegging toont aan; dat er nog nooit zoveel alcohol werd geproduceerd, verkocht en gekonsumeerd als juist in die periode.

Ook om andere redenen zou een dergelijke aanpak tot mislukking gedoemd zijn: het aantal als drugs aan te wenden middelen is groot, en sommige middelen vinden ruime toepassing op andere gebieden (bijv. tri, alcohol, e.d.). In dit verband wordt wel opgemerkt dat het om technische, economische, financi‰le redenen zelfs onmogelijk is, een stof als alcohol, met zijn enorme toepassing op tal van gebieden, aan een dergelijke regie te onderwerpen als bijv. de onder de opiumwet vallende stoffen. Bovendien zal men rekening dienen te houden met de (secundaire)gevolgen, die zulke maatregelen uitlokken. De effecten c.s. de nieuwe gevaren en schade voor de samenleving daarvan zouden opnieuw moeten worden vastgesteld. Gelet op de ingewikkeldheid van het drugprobleem, waaraan immers zowel farmacologische, psychologische, juridische als maatschappelijke aspecten te onderscheiden zijn, is een eenzijdige aanpak niet effectief.

3.2 Subculturen

In het thans volgende gedeelte zal worden gepoogd, het individuele druggebruik - dat plaatsvindt in verschillende, steeds veranderende situaties - te plaatsen in een model van psychisch functioneren. Wij zullen daarbij ook de reacties op de zich voordoende situatie betrekken. In het voorafgaande is opgemerkt, dat drugs - naast het gebruik van cannabis dat in het 'normale' gezin plaatsvindt, al dan niet in gezelschap van vrienden, wat steeds meer schijnt voor te komen - vaak in groepen van verschillend karakter worden gebruikt. In dit verband wordt vaak het woord 'subcultuur' gehanteerd. Dit woord is afkomstig uit de sociologie, waar het wordt gebruikt om aan te duiden dat een groep een eigen identiteit heeft, zich bijv. uitend in een stelsel van afspraken, een eigen gedragscode, een eigen ideologie e.d. In het hedendaagse spraakgebruik zijn sommigen geneigd, het begrip subcultuur te vereenzelvigen met groepen jongeren, die bijeen komen om samen drugs te gebruiken (de scene). Men stelt zich daarbij voor, dat de 'afstand' tussen een subcultuur en de 'gewone samenleving' groot of klein kan zijn. Deze opvattingen gaan echter voorbij aan het feit, dat iedereen zich in subculturen beweegt. De studentenwereld, de medische stand, de ambtenarenwereld, de rechterlijke macht zijn evenzeer subculturen. De samenleving is opgebouwd uit subkulturen. In de vroegere, meer uniforme maatschappij vormde de subcultuur van de 'nette burgerij' het referentiekader, waaraan andere subculturen werden getoetst. In onze huidige, meer pluriforme samenleving is dat minder het geval. De suggestie, die van het woord subcultuur uitgaat - vooral in de context waarin het tegenwoordig nogal eens wordt gebruikt - nl. dat het hier gaat om een onderschikking, een minderwaardigheid t.o.v. wat dan als 'de normale samenleving' wordt beschouwd, hangt nog met deze oudere opvattingen samen. Door in deze constructie te spreken van 'afstand' tussen een subcultuur en 'de gewone samenleving', wordt niet alleen gesproken over iets dat niet bestaat, omdat iedere subcultuur deel uitmaakt van de samenleving, maar - wat erger is - dit spraakgebruik bevordert dat personen die zich in deze subcultuur bewegen naar de marge van de samenleving worden gedrukt waar zij gemakkelijk in een isolement kunnen geraken, en tot verdergaand afwijkend gedrag kunnen worden aangezet (bijv. het overgaan van relatief ongevaarlijke naar gevaarlijker middelen).

3.3 Een carriere in het druggebruik

In deze paragraaf zullen wij globaal schetsen hoe men wel kennis maakt met drugs. Wij laten ons daarbij in hoofdzaak leiden door de resultaten van het onderzoek van Cohen en door zijn persoonlijke ervaringen, opgedaan bij zijn contacten met een groot aantal druggebruikers. Vaak komt de eerste kennismaking met drugs tot stand, doordat de stof wordt aangeboden door vriend of kennis. In veruit de meeste gevallen zal dit cannabis zijn. Enige oorzaken daarvoor zijn aan te wijzen. Er zijn veel meer gebruikers van cannabis dan van andere drugs zodat de kans dat men een cannabisgebruiker ontmoet groter is. Cannabisgebruik vindt overwegend plaats in een bepaalde sociale context. Zij die naast cannabis ook andere drugs gebruiken blijken een 'nieuweling' eerder hashish of marihuana aan te bieden dan een andere stof. Een aantal slaat het aanbod af, een aantal accepteert het. Bevalt het gebruik niet, dan zal men vaak van verder gebruik afzien. Bevalt het wel (of bevalt het niet maar staat men onder een zekere druk van de omgeving) dan zal men bij een hernieuwd aanbod opnieuw accepteren. Dan komt het moment waarop men zelf over een hoeveelheid cannabis wil kunnen beschikken, enerzijds omdat men niet afhankelijk wil zijn van vriendelijke gevers, anderzijds omdat men 'wat terug wil doen'. Het beschikken over een eigen voorraadje gaat doorgaans gepaard met een intensivering van het gebruik. Dit kan leiden tot een innerlijk conflict. Men vindt zelf dat het gebruik te frequent wordt, men realiseert zich dat het niet vast staat dat de stof werkelijk ongevaarlijk is. Men staakt het gebruik. Anderen gaan door. Het aantal personen dat het gebruik van cannabisprodukten in hun normale leefwijze geintegreerd heeft, wordt op enige tienduizenden geschat (het aantal personen dat 'wel eens' cannabis gebruikte is vele malen groter). Verwacht wordt dat het cannabisgebruik in de komende jaren nog verder zal toenemen. Wanneer we bedenken dat cannabis - voor zover op dit moment bekend - bij een niet excessief gebruik onschadelijk is, dan geeft het beeld voor zover het hierboven werd geschetst nauwelijks reden tot verontrusting en zeker niet meer dan m.b.t. het gebruik van tabak en alcohol. Hoe komt het, dat - naar het oordeel van de werkgroep - voor die verontrusting wel degelijk aanleiding bestaat? Het antwoord moet luiden: niet om het cannabisgebruik als zodanig, maar veeleer om het risico dat men loopt, bij het verkrijgen van deze stof met gevaarlijker drugs in aanraking te komen. En het gebruik van deze andere middellen is bepaald niet zonder gevaar, zoals in het voorafgaande werd aangeduid. Op welke wijze ontstaat nu het vergrote risico van aanraking met andere drugs? Wij zagen hiervoor reeds, dat er geen aanwijzingen zijn voor een stepping-stone theorie in die zin dat de aard van cannabis op zichzelf bevordert dat de gebruiker ook naar andere middelen grijpt. Waar moeten wij het risico dan wel zoeken? Reeds de manier waarop men met druggebruik in aanraking komt wijst erop, dat men doorgaans vrienden of bekenden heeft die tot 'de gebruikers' behoren. Bij voortzetting van het gebruik zal het aantal drug-gebruikende vrienden meestal toenemen. Een factor van belang daarbij is, dat de stof niet vrij verkrijgbaar is, zodat men voor de verwerving is aangewezen op bepaalde kanalen.

Bepalen we ons hier tot cannabis (m.b.t. amfetamine. opium e.d. is de situatie anders) dan blijkt cannabis niet altijd aanwezig te zijn in de kwaliteit die men verlangt en tegen een redelijk geachte prijs. Ook al doordat het gebruik vaak in groepjes plaats vindt komt de gebruiker die wat cannabis voor zichzelf koopt er gauw toe, tevens een hoeveelheid voor vrienden te kopen. Het winstoogmerk ontbreekt, dus van 'handel' is hier geen sprake. Soms maakt de koper een kleine winst, om de kosten voor het eigen gebruik te dekken of om aan geld te komen voor de aanschaf van andere drugs dan wel om daarmee geheel of gedeeltelijk in zijn levensonderhoud te voorzien. Op dit moment komt een georganiseerde drughandel in Nederland niet voor, ondanks de telkens weer opduikende geruchten over infiltratie van bendes uit het buitenland. Maar ons land is klein en in West-Duitsland, Frankrijk en Engeland is de situatie wel anders. Van daar uit vinden dan ook incidenteel hoeveelheden heroine of morfine bijvoorbeeld hun weg naar hier. De handelaren in ons land komen meestal voort uit de kringen van gebruikers, werken niet in georganiseerd verband en verhandelen meest cannabis en wat LSD. Soms bevinden zich onder die handelaren 'negatieve' elementen, die een ongunstige invloed uitoefenen op de gebruikerswereld waarmee zij in contact staan.

Wie cannabis gebruikt bevindt zich 'aan gene zijde' van de strafrechtelijke verbodsdrempel:

om andere middelen dan cannabisprodukten te gaan gebruiken behoeft geen wettelijke drempel meer te worden overschreden. Wel moet een persoonlijke aarzeling worden overwonnen omdat men er zich van bewust is te maken te krijgen met andere, gevaarlijker middelen. Soms zal daar enige druk van de omgeving tegenover staan. De nieuweling biedt men doorgaans slechts cannabis aan. Later zullen de neiging van sommige gebruikers om anderen over te halen tot het gebruik van bijvoorbeeld LSD (zie pag. 46) enerzijds en de nieuwsgierigheid van de ander en zijn wens 'erbij' te horen anderzijds, het gebruik van andere stoffen bevorderen. Cohen vond in zijn boven aangehaald onderzoek geen lijn in het gebruik van de lichtere naar de zwaardere middelen. Het patroon is buitengewoon warrig en hangt waarschijnlijk meer af van toevallige omstandigheden (wat is op een bepaald moment verkrijgbaar) dan van andere factoren. Dat het verslavingsgevaar door andere gevaren wat naar de achtergrond is gedrongen (zie pag. 11) moet wellicht mede worden toegeschreven aan dit telkens weer andere middelen gebruiken. Daardoor wordt een potentieel gevaarlijke stof zo incidenteel en met zulke grote tussenpozen gebruikt dat gewenning niet spoedig optreedt. De leden van de hierboven bedoelde groeperingen maken een veranderingsproces door. In de eerste plaats leren zij de effecten van de gebruikte drugs te appreci‰ren. Ze leren de techniek van het gebruik, waardoor 'prettige' effecten worden bevorderd en 'onprettige' tegengegaan. Zij leren andere vormen van muziek te waarderen, ze maken zich een specifiek taalgebruik eigen, ze passen zich door hun kleding aan bij de groep. Ze leren nog iets en wel dat de maatschappij hun gedrag afwijst. Het contact met vrienden uit de periode van v¢¢r hun druggebruik vermindert, er komen alleen gebruikers voor in de plaats. Het gedrag rondom het druggebruik wordt voor betrokkenen daardoor steeds belangrijker. Er begint een isoleringsproces op gang te komen. Het komt niet zelden voor, dat een 'gebruiker' het gebruik abrupt staakt in deze fase. Talrijke factoren - verschillend naar persoon en situatie - kunnen hierbij een rol spelen. In ieder geval hebben deze mensen het gevoel, dat 'de weg terug' niet onbegaanbaar was geworden. Wat dit laatste betreft: het is van groot belang, hoe 'men' reageert op het gedrag van het individu. De manier waarop zijn omgeving hem tegemoet treedt wegens een bepaald gedrag kan tot wijziging van dat gedrag leiden, maar kan ook een bevestigend, versterkend effect hebben. Er is sprake van een interactie-proces tussen 'de samenleving' en hen die zich anders gedragen dan in het algemeen wordt verwacht of gewenst geacht. In een meer pluriforme maatschappij zal de druk die op de 'devianten' wordt uitgeoefend minder zwaar zijn dan in een meer uniforme samenleving. Een van de scherpste vormen van afwijzing vindt onze maatschappij in het als misdrijf strafbaar verklaren van een bepaald gedrag. Bij een 'na‹ef gebruik van het strafrecht overeenkomstig het klassieke patroon zal men naarmate men een gedrag 'erger' vindt, het met zwaardere straffen bedreigen. De zwaarte van de straf is dus een indicatie voor de mate waarin het gedrag wordt - of werd(! ) (de verandering van wetten en justitioneel optreden gaat traag) afgewezen en houdt mede een waarde-oordeel in m.b.t. dat gedrag. Wanneer afwij kend gedrag risico's meebrengt voor anderen, dan zal een afwijziging ook voor hen die dat gedrag vertonen, gemakkelijker invoelbaar zijn. Menen betrokkenen evenwel - terecht of ten onrechte - dat, als er al van risico moet worden gesproken, zij dat alleen zelf lopen en wel op grond van hun eigen bewuste keuze, dan zal men bijzonder voorzichtig moeten zijn wanneer men d.m.v. het strafrecht dit gedrag wil tegengaan. Bij het toepasselijk verklaren van het strafrecht wordt degene die met straf wordt bedreigd namelijk tevens en positie toegewezen temidden van andere met straf bedreigden. Als met een straf wordt bedreigd die tegen het 'rechtsgevoel' van de betrokkene ingaat, doordat zij buiten elke verhouding staat tot de ernst van het gedrag zoals door hem beleefd en hem dus ook naar zijn gevoel ten onrechte een bepaalde plaats wordt toegewezen, dan kan dat leiden tot versterking en uitbreiding van het reeds aanwezige afwijkende gedrag. Terwijl men een verbetering bedoelde, treedt er dan een verslechtering van de situatie op door de toepassing van het strafrecht. Vele criminologen waarschuwen dan ook tegen het deviantie-versterkend effect dat aan de toepassing van strafrecht eigen kan zijn. Hoe ontwikkelt zich doorgaans dit proces van afwijzing en zich afgewezen voelen m.b.t. druggebruikers? In onze samenleving wordt het gebruiken van drugs als afwijkend gedrag beschouwd. Men veroordeelt niet alleen het gebruik, maar ook de gebruiker (zie pag. 45). Onder weglating van alle andere persoonlijke eigenschappen, hetzij goede hetzij kwade, heeft men zich een beeld gevormd van 'de' druggebruiker, dat hem bestempelt tot een werkschuw, ongewassen individu. De maatschappij verwacht op basis van de hem toegeschreven kenmerken een bepaald gedrag van hem. Deze verwachting klinkt door in ieder contact, maakt het hem bijvoorbeeld extra moeilijk om een betrekking te krijgen of een goede kamer. Hij wordt a.h.w. in een bepaald gedragspatroon gedwongen. Bij deze afwijzing in vele contacten in zijn dagelijks leven komt ook nog de afwijzing door de overheid, die hem vervolgt en met straf bedreigt. Opsporing en vervolging bestempelen hem als krimineel. Vanuit het strafrechtelijk apparaat denkend, is men vaak geneigd te onderschat ten wat aanhouding, fouillering, huiszoeking, vingerafdrukken nemen voor betrokkene beteke nen, ook al wordt later de strafzaak geseponeerd. Het ritueel van de terechtzitting en de veroordeling onderstrepen dat 'verdachte' crimineel is: het ondergaan van een gevangenis straf wijst hem nadrukkelijk een plaats aan 'buiten' de maatschappij. Na zijn in vrijheidstelling blijkt hem, dat de houding van de maatschappij slechts in ‚‚n opzicht is veranderd: de afwijzing is feller geworden. Nog meer is hij vervreemd van het milieu waarin hij leefde v¢¢r zijn druggebruik. Als hij de groepering van het druggebruik verlaat, begint een periode van eenzaamheid, waartegen velen niet zijn opgewassen. In feite blijft hem vaak slechts ‚‚n mogelijkheid over: terug naar de groep waar hij zich geaccepteerd voelt. Meestal betekent dat voor hem dat hij de rol die de maatschappij hem heeft opgelegd aanvaardt: hij wordt 'de druggebruiker'. Het mechanisme van de self-fulfilling-prophecy is hier volop in werking. Een ontwikkeling als hierboven omschreven heeft conse quenties voor de groepering waar de vervolgde toe behoort. Er treedt ook in de groep een verharding op. Alle elementen die een groep tot subcultuur maken worden meer manifest; er worden hogere eisen gesteld aan de loyaliteit, de deelname verliest zijn vrijblijvend karakter. De eigen ideologie heeft niet meer alleen betrekking op het gebruik van drugs en dient niet meer voornamelijk om dit gebruik te rationaliseren, maar gaat zich ook richten tegen de 'normale' samenleving. Men bouwt zich steeds meer een wereldje voor zichzelf. Het contact met andere groepen en individuen houdt vrijwel geheel op. Naast het druggebruik ontwikkelt zich ook ander 'afwijkend' gedrag. Betrokkene gaat zich steeds meer met zijn eigen groep identificeren. Het deviante gedrag leidt onder deze omstan-digheden tot een deviante persoonlijkheid.

3.4 Conclusie

Conclusie uit het bovenstaande moet zijn, dat stigmatisering en strafrechtelijke vervolging van de druggebruiker bevorderen dat hij vastraakt in een subcul tuur, waarbij het druggebruik toeneemt en de kansen afnemen om de druggebruiker die daaraan behoefte heeft, adequate hulp te verlenen. Het onderbrengen van de cannabis in dezelfde strafrechtelijke categorie als andere drugs blijkt aldus juist een van de voornaamste oorzaken van het feit dat cannabisgebruik het risico van escalatie naar het gebruik van gevaarlijker drugs meebrengt. Voorzover t.a.v. cannabisgebruik van een 'stepping.stone effect' kan worden gesproken berust dit voor een belangrijk deel op het gevoerde strafrechte lijke beleid. Gelukkig kan - naar het oordeel van de werkgroep - op dit moment nog worden gesteld, dat het als vrij tolerant te kenschetsen klimaat van onze Nederlandse samenleving eraan heeft bijgedragen dat het aantal druggebruikers dat het hierboven omschreven eindsta dium bereikte, (nog) niet in hoge mate verontrustend moet worden genoemd. De overheid zal bij de keuze van zijn beleid m.b.t. het drugvraagstuk rekening moeten houden met de in het voorafgaande summier omschreven interactie tussen (de institu-ten van) de 'gewone' samenleving en de (groepen van) gebruikers.

4 Het druggebruik in 'onze' samenleving

4.1 Algemene opmerkingen

Het bestek van dit rapport laat niet toe, op deze kant van de zaak uitvoerig in te gaan. Door die beperking is de kans groot, dat onze bedoelingen niet geheel duidelijk worden. Anderzijds vinden wij het van het allergrootste belang, dat het drugvraagstuk niet wordt ge‹soleerd van ander gedrag en 'weggeschoven', maar wordt gezien als een verschijnsel dat zich in onze samenleving voordoet en waarmee wij in de samenleving klaar moeten zien te komen. We willen volstaan met enkele opmerkingen in algemene zin, waarbij, we ons beperken tot enige aspecten in onze samenleving, die meer direct voor het drugvraagstuk van belang zijn. In de voorafgaande hoofdstukken is gesteld, dat niet van 'de' drugs kan worden gesproken, even min als van 'de' druggebruiker of van 'de' subcultuur. Het is een simplificatie te spreken van 'de' of van 'onze' samenleving, alsof dat een bepaald geheel zou zijn. Er zijn talloze, meer of minder hechte groeperingen, waarin m.b.t. allerlei zaken verschillende opvattingen heersen. Ieder individu leeft in verscheidene van deze groeperingen, zodat de werkelijke situatie wel bijzonder complex is. Men stelt wel, dat praktisch iedereen in steeds meer van dit soort 'subkulturen' verkeert. De 'mobiliteit' is groter dan voorheen. Een samenhang met het afne men van de traditionele sociale controle acht men waarschijnlijk. De onoverzichtelijkheid van de samenleving is toegenomen, waardoor men zich soms voelt als in een labyrint. Men heeft vele contacten maar de meeste zijn vluchtig. Maar de 'norm' dat de mens niet eenzaam, moet zijn is blijven bestaan (het aantal zelfmoorden vertoont omstreeks hoogtijdagen altijd een piek). Op de enkele relaties die wat meer diepgang zouden hebben, wordt dan ook een zwaarder beroep gedaan. Een te zwaar beroep soms, wat teleurstelling veroorzaakt en waardoor de gevoelens van eenzaamheid toenemen. En dat in een samenleving die voor velen steeds onoverzichtelijker wordt, die het moeilijker maakt om enig zicht op de toekomst te behouden, maar die anderzijds aan het individu steeds hogere eisen stelt. In het algemeen hecht men in onze huidige samenleving grote waarde aan competitie, prestatie, produktie en consumptie. Grote betekenis wordt toegekend aan rationele processen, aan weten-schap en aan deskundigheid. Maar onze maatschappij kent ook veel innerlijke tegenspraak. Nog nooit is er voor een zo groot deel van de bevolking zoveel welvaart geweest, maar voor de hand liggende zaken als zuivere lucht en schoon water worden schaarse artikelen. Enerzijds is er de ideologische afkeer van geld, dat immers niet gelukkig maakt, terwijl anderzijds er een algemene jacht op dat zelfde geld wordt gemaakt, mede omdat vrijwel alles dat bij kan dragen aan het plezier in het leven geld kost. De genotmiddelen-industrie neemt dan ook een belan grijke plaats in. Is er geen behoefte aan bepaalde produkten, dan worden grote bedragen ten koste gelegd aan het scheppen van die behoefte. Steeds meer raakt onze samenleving ingesteld op genot. Men meent wel dat de hogere eisen die de samenleving aan het individu stelt en de grotere eenzaamheid die wij hierboven aanstipten, met deze behoefte aan 'genot' samenhangen. Genot zou dan een middel zijn om zowel aan die eisen als aan die eenzaam heid te ontkomen: een soort 'verdoving' dus. Men vraagt zich dan af of onze huidige samenle ving zonder die 'verdoving' wel zou kunnen blijven draaien. Een ander belangrijk aspect van onze samenleving is de humanitaire ethiek, die ons het menselijk lijden zoveel mogelijk doet voorkomen of verzachten. De spectaculaire ontwikkeling van de produktie van geneesmidde len geeft hier ongekende mogelijkheden. Ook hier is er grote waardering voor techniek en deskundigheid. Mits de deskundige het medicijn voorschri,ift, ontmoet het geen of nauwelijks bezwaren wanneer daardoor de problemen van de pati‰nt eerder worden toegedekt dan opgelost. In het verlengde van de consumptie van enorme hoeveelheden medicijnen om ziekten te bestrijden en van middelen om gevoelens van onbehagen tegen te gaan, ligt de consumptie van middelen die ons helpen relaxen. Hoewel het hier gaat om zeer grote hoeveelhe. den van deze preparaten - wat bij velen ongerustheid wekt - laat het maatschappelijk waardeoordeel deze druggebruikers ongemoeid. Als we daarbij ook de omzet van opwekkende en stimulerende middelen voegen (die het uithoudingsvermogen, de prestaties moeten vergroten) en bovendien rekening houden met de sterk gestegen consump tie van alcoholhoudende dranken en sigaretten (in een nog steeds oplopende lijn), dan is het niet ongerechtvaardigd te stellen dat onze maatschappij goed op weg is, zich steeds meer te ontwikkelen tot een 'drug taking society'.

4.2 Houdingen t.o.v. drugs

Enige tijd geleden werd een onderzoek ingesteld naar de mate waarin het Nederlandse publiek kennis heeft van drugs en naar de houdingen t.o.v. druggebruik en -gebruikers die het meest voor-komen. Daarbij bleek dat de bekendheid met het drugvraagstuk in de periode 1969-'70 zeer snel was gestegen. Bijna iedereen weet er nu wel iets van. Bij het meten van de belangstelling en de kennis bleek dat die bij de jongere bevolkingsgroepen duidelijk groter waren dan bij de oudere. Ouderen geloven ook vaker dan jongeren dat druggebruik blijvende schadelijke gevolgen heeft. Buikhuisen vond dat ruim 11% van de ondervraagde middelbare scholieren wel eens drugs had gebruikt. De toename van het aantal druggebruikers zal dus voornamelijk in de jongere leeftijds- categorie‰n moeten worden gezocht. Eigen ervaring en waarneming in de directe omgeving zullen bij hen meer invloed hebben gehad op de meningsvorming dan bij de ouderen. Als we het aantal mensen dat 'wel eens' cannabis heeft gebruikt schatten (betrouwbare gegevens ontbreken) op een getal dat dichter ligt bij de 200.000 dan bij de 100.000 dan betekent dat tevens, dat heel wat ouders werden geconfronteerd met het druggebruik van hun kinderen. Vooral wanneer dit drugge bruik gepaard ging met slechte werk- of studieresultaten, zal dit hun oordeel over druggebruik negatief hebben be‹nvloed, al zullen zij zich vaak hebben gerealiseerd, dat ook in de genera ties die nog geen druggebruik kenden er veel jongelui waren die met het werk-of schoolsysteem in botsing kwamen. (In onze veranderende maatschappij zal de kans op botsingen met wat achtergebleven systemen zelfs groter zijn dan vroeger, ook zonder dat drugs daarbij een rol behoeven te spelen.) Bij genoemd onderzoek bleek dat belangstelling voor en kennis van het drugvraagstuk het geringst waren bij de oudere bevolkingsgroepen (50 jaar en ouder). Vaker dan in de andere vindt men in deze leeftijds- categorie dat druggebrui kers zwaar moeten worden gestraft (zweepslagen, afbeulen, werkkampen e.d.). Genoemd rapport stelt dan ook: 'Het gebrek aan werkelijke kennis weerhoudt de ondervraagden er toch niet van, om een aantal min of meer stereotiepe meningen te verkondigen.' Deze conclusie komt overeen met de bevindingen van Lindesmith. Wanneer men geen eigen ervaring heeft met drugs, het gebruik weinig of niet in de eigen omgeving tegenkomt en te weinig belangstel ling voor het vraagstuk heeft om zich in de literatuur die daarover verschijnt te verdiepen, dan is men voor zijn meningsvorming voornamelijk afhankelijk van wat de massa-media brengen. Berichten dus met een 'nieuws-karakter': de inbeslagname van drugs', strafzaken tegen gebruikers en handelaren, verkeersongelukken waarbij mensen die drugs gebruiken betrokken waren, meningen van opinion-leaders. Berichten van deze aard, die niet overeenkomen met de eigen opinie blijken meestal weinig blijvende invloed te hebben. Komt het bericht daarmee wel overeen (of interpreteert men het zo) dan leidt dat tot versterking van de eigen opvatting. Kennelijk speelde dit alles vooral bij de oudere generaties een rol. Bij de mannen boven de 65 jaar deed zich in de periode '69-'70 zelfs een verharding van hun standpunt voor. Het beeld dat deze oudere generaties van onze samenleving hebben heeft grote invloed op het tot stand komen van hun opvattingen m.b.t. verschijnselen als druggebruik.

Sterk generaliserend zouden wij daarover de volgende opmerkingen willen maken. Bedoelde generaties ondergaan in zekere mate nog de invloed van de maatschappelijke trauma's:

de erbarmelijke toestanden waarin de arbeidende klasse verkeerde in de negentiende eeuw (met het alcoholvraagstuk) en de ernstige crisis van de dertiger jaren. Zij leerden dat arbeidzaamheid en spaarzaamheid centrale waarden zijn in de samenleving. Zij veranderden de maatschappij van ‚‚n waarin schaarste heerste in ‚‚n die overvloed kent. Vooral gedurende de laatste decennia hebben zich grote wijzigingen in onze samenleving voltrokken en zijn zekerheden waarmee men was opgegroeid verloren gegaan. De daardoor opgeroepen vage angstgevoe lens worden bij velen versterkt, doordat het zicht op de toekomst ernstig is bemoeilijkt. Hoe onze samenleving er over 20 jaar uit zal zien is niet te voorspellen. Druggebruik is een ver schijnsel dat er zich zeer goed toe leent om er bezorgdheid voor de toekomst op te projecte ren. Zoals in het voorafgaande reeds werd gesteld, wordt drugbruik in verband gezien met schadelijkheid voor de gezondheid, zowel psychisch als lichamelijk, met schadelijkheid voor de maatschappelijke ontwikkeling van het individu, met schadelijkheid voor de economie en voor de rust en de orde in de samenleving. Wanneer daar dan nog bij komen de berichten uit andere landen, waar men veel druggebruik kent, dan wordt het verklaarbaar waarom het druggebruik in ons land zo'n toenemende belangstelling krijgt. Het druggebruik gaat daardoor in de waarneming van velen de omvang aannemen van een nationaal probleem. Deze veront rusting wordt niet door de feitelijke verhoudingen gerechtvaardigd. Het aantal druggebruikers is weliswaar gestegen, maar verreweg de meesten van hen ondervinden geen moeilijkheden van hun gebruik. Het aantal mensen dat door druggebruik wel ernstige moeilijkheden onder vindt is niet z¢ groot, dat van een nationaal probleem kan worden gesproken. (Daarmee willen wij de ernst van de medisch-psychiatrische gevolgen die het gebruik in individuele gevallen kan hebben niet bagatelliseren.) Selectieve aandacht voor een vraagstuk als het druggebruik kan de werkelijke, grote problemen in de samenleving versluieren. Wij willen daarbij aanteke nen, dat overheid, politie, rechterlijke macht, pers en andere massa-media een grote verant woordelijkheid op zich nemen, wanneer hun optreden de repressieve selectieve aandacht vergroot. Wanneer zij die invloed hebben op de publieke meningsvorming meer aandacht schenken aan de achtergronden van het druggebruik dan aan het fenomeen op zichzelf, zal dat een gunstige invloed hebben op de houding van de bevolking. Er zal dan ook een klimaat kunnen ontstaan, waarin de beleidsvraagstukken m.b.t. de jeugd vrijer en creatiever kunnen worden benaderd. Wij zijn ons ervan bewust, dat we hiermee een lange en moeilijke weg aangeven, maar er is geen kortere. Het alternatief: een repressief, sterk afwijzend klimaat zal de isolering van bepaalde groepen veroorzaken of versterken. Deze polarisatie vergroot de kans, dat zich bij het bestreden gedrag ook andere vormen van deviantie ontwikkelen, waard oor weer nieuwe, scherpere maatregelen nodig zijn. Een dergelijke spiraalbeweging leidt niet tot een oplossing van het probleem maar draagt slechts bij aan de toename van het geweld in onze samenleving.

5 Wetgeving en drugs


5.1 Sociale controle en wetgeving

Iedere menselijke samenleving kent waarden en normen waaruit men conclusies trekt t.a.v. de vraag wat gewenst en ongewenst gedrag is. Tevens bestaan er steeds systemen die gewenst gedrag bevorderen en ongewenst gedrag tegen gaan. Waarden en normen be‹nvloeden het functioneren van organisaties in onze maatschap-pij Zij spelen een rol bij de keuze die deze organisaties maken bij de indeling van het gedrag in de categorie‰n gewenst of ongewenst. In ons type samenleving hebben de opinionleaders (waartoe ook de overheid kan worden gerekend) een belangrijke functie bij de keuze van de basiswaarden en de wijze waarop die zich ontwikkelen. De overheid heeft in deze een aparte positie, omdat aan haar middelen ten dienste staan, waarover de andere opinionleaders niet beschikken. De vraag moet hier worden gesteld onder welke omstandigheden de overheid 'gerechtigd' is, van die bijzondere middelen en van haar 'overmacht' gebruik te maken. Een uiting van de basis-filosofie van onze maatschappij in dit opzicht vinden wij o.m. in art. 9 van het Verdrag van Rome, dat de vrijheid van geweten, meningsuiting en godsdienst van ieder individu aangeeft: de bepaling van het persoonlijke levensconcept is een zaak van het individu. Al kan de overheid wel betrokken zijn bij de keuze van individuen voor een bepaald levensconcept, dit kan niet betekenen dat zij daarbij een overheersende rol zal mogen spelen. In de eerste plaats zal zij deze persoonlijke keuzen respecteren.Zelfs zal zij de mogelijkheden voor een persoonlijke keuze bevorderen, door informatie te verschaffen en door alternatieven voor gedrag aan te bieden of mogelijk te maken, die minder gewenst gedrag kunnen vervangen. Alleen wanneer de nadelen van bepaald gedrag evident zouden zijn, zal zij alternatief gedrag door haar optreden expliciet mogen bevorderen. In onze samenleving moeten alsdan de bezwaren die tegen' het als nadelig beoordeelde gedrag worden aangevoerd, objectiveerbaar en rationeel toegankelijk zijn. Wil men vaststellen of een bepaald gedrag gewenst of ongewenst is, dan zal een aantal vragen moeten worden beantwoord:

  • welke betekenis heeft het gedrag voor betrokkene zelf (bijv. het plezier van het drinken van alcoholische dranken)?
  • welke feitelijke gevolgen heeft dat gedrag voor hemzelf en voor anderen?
  • hoe waarderen we die feitelijke gevolgen?

In de praktijk zien we vaak, dat een dergelijke methodische benadering van de situatie niet plaats vindt. Op zijn best kan dan worden gesteld, dat de feiten - bijvoorbeeld doordat zij nog onvoldoende werden gekend of doordat de samenhang nog onvoldoende duidelijk was - minder invloed op het tot stand komen van het overheidsbeleid hadden, dan bijvoorbeeld de processen die wij aanduidden in onze opmerkingen m.b.t. het verschijnsel van de selectieve aandacht (pag. 36). We beschikken slechts over een gebrekkig instrumentarium om in onze gecompliceerde samenleving te komen tot een juiste afweging van feiten en de gevolgen daarvan voor individu en samenleving. Allerlei waarden, belangen en risico's vormen tezamen een zeer ingewikkeld patroon. Toch zouden wij in onze samenleving deze problematiek zo tegemoet moeten treden. Wil men spreken van gevaren van een bepaald gedrag, dan dienen we ons ervan bewust te zijn, dat er nauwelijks iets te bedenken is, dat beslist gevaarloos kan worden gedaan. Ieder gedrag levert in meerdere of mindere mate risico's op. We noemen gedrag pas gevaarlijk, wanneer het risico naar ons gevoelen erg groot wordt. Ook het voord eel dat door het gedrag kan worden bereikt speelt hierbij een rol. Of bepaald, potentieel gevaarlijk gedrag wordt aanvaard of niet, hangt mede af van de waarde die men hecht aan wat door dit gedrag wordt verkregen. Milieuverontreiniging hangt samen met de waarde van werkgelegenheid. Ook het genoegen dat een bepaald gedrag (Bijv. autorijden) kan opleveren vertegenwoordigt een waarde. Wanneer de nadelen de doorslag geven, zal de overheid soms partij kiezen, althans tot op zekere hoogte.

5.2 De grenzen van de overheidsbemoeiing

Hoewel het in hoge mate aannemelijk is, dat het roken van sigaretten in ons land jaarlijks vele duizenden slachtoffers eist, is het niet goed denkbaar, dat de overheid om dit gevaar te keren dwangmaatregelen tegen de roker zal gebruiken. De overheid legt het individu geen verplicht ingen op m.b.t. zijn eigen gezondheid. Volgens de huidige opvattingen dient de zieke zelf te beslissen, of hij een behandeling wil ondergaan, zelfs wanneer het achterwege blijven van die behandeling een zekere en spoedige (dood zal betekenen. Wie voor zichzelf bewust in de priv‚-sfeer gevaar wil lopen jegens zijn gezondheid of zijn leven wordt in onze samenleving niet gedwongen van die keuze af te zien. Op deze algemene regel (geen dwang in de priv‚-sfeer) wordt slechts uitzondering gemaakt als we vinden dat betrokkene niet in staat is (bijv. door een ernstige stoornis) normaal aan de samenleving deel te nemen. Er bestaan allerlei wetten, die dergelijke situaties regelen, bijv. de Krankzinnigenwet. Over het algemeen is de wetgever met het toepassen van dwangmiddelen in deze gevallen zeer terughoudend. In een samenleving als de onze, waarin aan de afzonderlijke persoon zo grote betekenis wordt toegekend en waarin de persoon niet wordt gezien als middel tot vorming van een collectivi teit, zou het ook niet denkbaar zijn dat het anders was. Een voorbeeld kan dat duidelijk maken. Het is algemeen bekend, dat 'te dik' zijn ongezond is. Te hoog lichaamsgewicht is in vele tienduizenden gevallen perjaar in ons land een van de oorzaken van invaliditeit en vroegtijdig overlijden. Toch wordt matigheid in eten en drinken niet afgedwongen. Dit wil niet zeggen dat de overheid niet zijn beleid er mede op richt om de aspecten in onze samenleving die de gezondheid bedreigen tegen te gaan. Soms betekent dit financi‰le steun aan organisa ties die op een speciaal terrein actief zi,in, zoals bijv. de Stichting Gezondheidsvoorlichting en -opvoeding. Ook tracht de overheid de risico's voor het individu wel te beperken, door bijvoor beeld bepaalde eisen te stellen aan elektrische apparaten die in de handel worden gebracht en aan de bereiding en samenstelling van consumptie-artikelen en medicijnen. Algemeen wordt dit overheidsoptreden als zeer terecht aanvaard, omdat de consument in allerlei opzich ten in een zwakke positie verkeert tegenover de producent. De overheid zal geen afkeurend standpunt mogen innemen, op grond van het feit dat een bepaald verschijnsel niet past in het levensconcept van degenen die met overheidsmacht zijn bekleed. Wanneer bijvoorbeeld zou blijken dat men door het gebruik van bepaalde middelen of door een bepaalde manier van opvoeden minder agressief zou worden dan in onze huidige maatschappij gebruikelijk is, of dat - door dat gebruik enz. - de meer introverte kant van de persoonlijkheid meer naar voren zou komen, dan zal de overheid zich niet louter op die gronden tegen dat gebruik, die manier van opvoeden enz. kunnen keren. Aan de andere zijde van de grens op het terrein dus waarop de overheid in de hier ontwikkelde conceptie wel van zijn dwangmiddelen gebruik mag maken, wanneer dat doelmatig is - ligt het gedrag van hen die door hun handelen de ge zondheid of het leven van anderen in gevaar brengen. Het 'rijden onder invloed' is strafbaar; het is denkbaar dat beperkende bepalingen worden opgelegd aan hen die het gebruik aanprij zen van stoffen, die gevaarlijk zijn voor de gezondheid; soms kan het nodig zijn het in de handel brengen van bepaalde stoffen te verbieden. Hoe scherper de gehanteerde dwang middelen, hoe hoger eisen er gesteld zullen worden aan de effektiviteit van dat dwangmiddel. (Tevoren moet bovendien vast staan, dat het dwangmiddel niet door een ander middel - dat die dwang niet of in mindere mate in zich houdt - kan worden vervangen.)

5.3 Sociale controle en strafrecht

Het strafrechtelijk systeem is ‚‚n van de systemen om het gedrag van de leden van een samenleving te reguleren. Enerzijds biedt de strafwet en zijn toepassing een ori‰nteringskader voor de vraag wat ongewenst en gewenst gedrag is. Anderzijds ontwikkelt het systeem een aantal activiteiten die in een meer of minder ge‹ndividualiseerd vorm bepaalde gedragskeuzen beogen tegen te gaan en andere te bevorderen. Binnen de criminele politiek kan men twee niveaus onderscheiden, n.l. dat van de wetgeving en dat van de uitvoering. De wetgever wijst de gedragingen aan, waartegen het strafrechtelijke apparaat mag optreden en stelt de maxi ma (en de algemene minima) van de sancties vast. Wanneer de wetgever zijn standpunt wil bepalen tegenover de vraag of en zo ja welke strafrechtelijke maatregelen moeten worden getroffen tegen bepaald gedrag, dan dient een aantal vragen successie-velijk te worden beantwoord. In de eerste plaats moet vaststaan dat het gedrag indruist tegen bepaalde waarden en normen in de samenleving, dat daardoor schade wordt toegebracht en dat eventueel voordeel van het gedrag niet tegen het nadeel opweegt. Als op deze vragen een antwoord is gevonden, dan zal moeten blijken of het strafrecht een geschikt en aanvaard baar middel is om het ongewenste gedrag tegen te gaan. Hierbij dient zich de vraag naar de doeltreffendheid van de voorgenomen maatregel aan: is toepassing van de dwangmiddelen van het strafrecht een doeltreffend mechanisme om het ongewenste gedrag tegen te gaan, te verminderen of te kanaliseren? Elders (blz. 29) is reeds opgemerkt, dat het kriminaliseren van een handeling op zichzelf soms al leidt tot een toename van ongewenst gedrag. Hierdoor kan ander afwijkend gedrag zich gaan voegen bij het eerder reeds aanwezige. Het zoeken van hulp om uit deze situatie te geraken wordt ernstig bemoeilijkt doordat het gedrag op zich strafbaar is en men vaak de werkelijke bedoelingen van de hulpgever wantrouwt. Een ander aspect van de doeltreffendheid is de vraag naar de capaciteit van het strafrechtelijke appa raat. Manuren die worden besteed m.b.t. een bepaald gedrag, kunnen niet elders worden ingezet.

Vervolgens: wat is de prijs (economisch, sociaal, individueel) om door gebruikmaking van dit middel het doel te bereiken? Gaat deze prijs de waarde van het doel niet te boven? Een begroting van dit soort kosten, die bovendien voor een deel van immateri‰le aard zijn, is uiterst moeilijk samen te stellen.

En tenslotte: zijn er geen andere, minder 'kostbare' middelen eveneens voorhanden, bijvoor beeld in het administratieve recht, waaraan eveneens sancties kunnen worden verbonden? Als de wetgever - op grond van de antwoorden op bovenstaande vragen - het inschakelen van het strafrechtelijk apparaat onvermijdelijk acht, dan dient zich tenslotte een laatste groep van vragen aan over de hantering van het strafrechtelijk systeem. Richt men zich op de producent, de distributeur, de gebruiker, welke sancties worden toege past en in welke mate?

5.4 Strafrecht en drugs
  • 5.4.I Algemeen - In het voorafgaande is gesteld, dat de keuze van een persoonlijk levenskoncept in eerste instantie een zaak is van het individu. Wanneer iemand een keuze doet die voor hemzelf, in de priv‚-sfeer gevaarlijk kan zijn (hij weigert bijvoorbeeld bloedtransfusie) dan wordt hem het recht daartoe niet betwist. Zelfs wanneer blijkt dat hij door zijn gedrag anderen zou kunnen benadelen (ouders die hun kinderen niet laten inenten, hoewel besmettingsgevaar actueel aanwezig is) wordt hem dat recht op een persoonlijke keuze niet ontzegd. Toch ligt over het algemeen daar ongeveer de grens. De overheid is er steeds op bedacht het risico voor een ander te beperken. Het begrip 'gevaar' is in het voorafgaande in verband gezien enerzijds met de mate van risico dat een bepaald, ongewenst effect zal optreden, anderzijds met de doeleinden die d.m.v. het gedrag worden nagestreefd en de waardering daarvan. Hoe meer bij dit afwegen de gevaren de doorslag geven en hoe ernstiger zij zijn, van des te scherper middelen zal de overheid bij zijn bestrijding van dat gedrag gebruik mogen maken. Anderzijds: hoe scherper de gehanteerde (dwang) middelen, hoe hoger eisen er aan de objektiveerbaarheid van het gevaar gesteld worden. Op grond van de hiervoren ontwikkelde conceptie die in het alge meen als richtsnoer voor het overheidshandelen is aanvaard - de strafbaarstelling van het druggebruik te rechtvaardigen is onmogelijk. Welke specifieke motieven kunnen toch tot deze strafbaarstelling hebben geleid?
  • 5. 4. 2 Bescherming van de zwakkere -
  • De keuze voor de strafbaarstelling van het druggebruik kan worden ingegeven door de wens, de 'zwakkere' te beschermen tegen zijn eigen zwakheid.
  • In de wetgeving zijn inderdaad allerlei voorbeelden te vinden, die uit deze gedachtengang zijn voortgekomen. In onze maatschappij wordt de 'zwakke' beschermd ook tegen zijn eigen zwakheid, maar in beginsel niet door hem te straffen wanneer hij aan zijn zwakheid toegeeft. Tenslotte heeft ook de zwakkere het recht om in zijn eigen priv‚-sfeer zijn eigen beslissingen te nemen. De wettelijke bepalingen voor de huurkoopovereenkomsten bijvoorbeeld bescher men de adspirant koper, echter niet door hem iets te verbieden, maar door hem extra rechten te geven en door de verkoper beperkingen op te leggen. De caf‚houder die alcoholhoudende drank verstrekt aan iemand die onder invloed van alcohol verkeert, kan in moeilijkheden komen; de 'gebruiker' gaat vrij uit. Wanneer men jeugdigen wil beschermen legt men bijvoor beeld de verkoper van tabak of alcoholhoudende drank beperkingen op, zonder overigens de jeugdige te straffen wanneer hij er aan meewerkt dat die bepalingen worden overtreden. Beschouwt men de druggebruiker als de zwakkere, die men d.m.v. het strafrecht wil helpen om tot ander gedrag te komen, dan lijken een paar opmerkingen hier op hun plaats. Sommi gen zullen het straffend helpen in bepaalde pedagogische situaties niet voor onmogelijk houden. Voorwaarde daartoe is dan in ieder geval een positieve relatie tussen straffer/helper en gestrafte/geholpene. In het voorafgaande is reeds duidelijk geworden dat ons huidig strafrechtelijk systeem niet het klimaat kan scheppen, waarin zo'n noodzakelijke positieve relatie kan bestaan. Met welke goede bedoelingen de helper ook bezield kan zijn. de geholpe ne voelt zich bestraft en afgewezen. Gebleken is dat deze 'hulp' het gedrag dat men wil bestrijden eerder bevordert dan tegengaat (blz. 30). Bovendien is dan nog niet duidelijk waarom juist de druggebruiker op deze wijze zou moeten worden 'geholpen', terwijl dit met andere 'zwakkeren' niet het geval pleegt te zijn. Sommigen menen dat de zwakkeren zouden kunnen worden geholpen door de generaal-preventieve werking die van een strafbedreiging kan uitgaan. Of er van een generaal-preventieve werking sprake kan zijn, is echter in sterke mate afhankelijk van de wijze waarop de potenti‰le gebruiker zijn kans om betrapt te worden waardeert. Nu het druggebruik zich in de priv‚-sfeer afspeelt, is die kans in de praktijk niet groot en zal de potenti‰le gebruiker die waarschijnlijk ook zeer laag waarderen. Wil men die kans vergroten, dan zal daartoe een intensivering van het politieoptreden nodig zijn, juist in de priv‚-sfeer, hetgeen uit allerlei oogpunten ongewenst is. Strafbedreiging (de stok achter de deur) kan een steun betekenen voor de besluitvorming, die echter doorgaans voornamelijk op andere gronden plaats vindt. Wil men invloed uitoefenen op die besluitvorming, dan zal men er over het algemeen beter aan doen, betrokkene serieus te nemen en hem niet als zwakkere aan te spreken. Wanneer men hem overweg- ingen en kennis ter beschikking stelt door hem voor te lichten omtrent eventuele bezwaren die aan een bepaald gedrag verbonden zijn, dan moet die voorlichting re‰el zijn en geloofwaardig.
  • Druggebruik brengt - zoals veel ander gedrag - risico met zich mee. Voor bepaalde gebruikers kan sprake zijn van een vergroot risico. Onze positieve aandacht zal uit moeten gaan naar deze mensen. In onze huidige samenleving betekent dat een niet- paternalistische benade ring, het verschaffen van objectieve informatie en het bieden van ruimte voor gevarieerde keuze- mogelijkheden voor gedrag.
  • 5. 4. 3 Bescherming van de samenleving
  • Een ander argument dat wel wordt aangevoerd voor de strafbaar- stelling van het druggebruik is, dat het druggebruik onze samenleving in gevaar brengt. Druggebruik, zo stelt men, bevor dert bij de gebruiker een meer beschouwelijke instelling, soms een vorm van lethargie, een verlaging van zijn strevings- niveau. Wanneer dat druggebruik plaats vindt in een levensperio de waarin verwacht wordt dat het individu zich voorbereidt op het innemen van een voor hem geschikte plaats in het arbeidsproces en daarmee in onze samenleving, dan zal een periode waarin hij tot weinig prestaties in staat was, hem een achterstand bezorgen, die hij niet meer zal kunnen inhalen. Dat is, vooral wanneer het aantal jeugdige druggebruikers sterk zou toenemen, nadelig voor onze samenleving, omdat een belangrijk potentieel van geschoolde arbeidskrachten verloren zou gaan. Wij zouden bij deze argumentatie de volgende kantteken ingen willen plaatsen. Van niet alle drugs staat vast dat het gebruik een verlaging van het streefniveau veroorzaakt. Sterker: bij niet-frequent gebruik is dat van geen enkele drug aangetoond. Wanneer wij desondanks zouden aannemen, dat verlaagd streefniveau en druggebruik hand in hand gaan, dan blijft deze combinatie toch strikt beperkt tot het frequent druggebruik binnen een anti-materialistische ideologie. In andere landen (bijv. Noord-Afrikaanse) komt hashissisme voor, maar alleen bij zeer frequent gebruik. Op de verschillen tussen de situaties in die landen en hier hebben wij al eerder gewezen (blz. 18).Wanneer zou zijn aangetoond dat ook in ons land verlaging van het streefniveau voorkomt bij hen, die frequent drugs gebruiken, dan is daarmee omtrent een mogelijk oorzakelijk ver band tussen frequent druggebruik en verlaagd streefniveau nog niets gezegd. Ten minste vier elementen kunnen hier een rol spelen:


  • a) het milieu waarin deze 'zware gebruiker' verkeert (vaak met een ideologie, gericht tegen 'de' samenleving, die wordt ervaren als pro- duktie-konsumptie maatschappij);
  • b) de 'persoonlijkheid' van de gebruiker;
  • c) de stoffen die hij frequent gebruikt;
  • d) de samenleving die van hem als druggebruiker verwacht dat hij (o.a.) werkschuw zal zijn en die hem deswege afwijst.
  • Wanneer men als argument voor het strafbaarstellen van druggebruik stelt, dat druggebruik een gevaar is voor de samenleving, impliceert dat tevens een zich uitspreken voor de huidige vorm van samenleving. Uiteraard is iedereen vrij om die keuze te doen, mits hij dat voor zichzelf doet en niet alle anderen verplicht hetzelf de te kiezen. Nog minder zou hij het recht hebben, die keuze door strafrechtelijk ingrijpen af' te dwingen. Onze samenleving is aan voortdurende veranderingen onderhevig. Door velen wordt dat gezien als een teken van 'gezondheid' van die samenleving. Veranderingen kunnen ook gevoelens van ongerustheid veroorzaken. Deze gevoelens kunnen een zeer positieve functie in onze samenleving vervullen. Zij kunnen n.l. leiden tot een herbezinning op de betekenis en de waarde van de bestaande normen. Zij kunnen er ook toe leiden dat zo nodig tijdig adequate maatregelen worden getroffen om deze veranderingen in goede banen te leiden, waardoor het psychisch, lichamelijk en sociaal welzijn van de leden van de samenle ving wordt bevorderd. Onderzoekingen op het terrein van de sociale psychiatrie tonen aan, dat belangrijke aspecten van onze huidige maatschappij bepaald niet bijdragen aan de psychische gezondheid. (Gewezen wordt bijvoorbeeld op het door sommigen kolossaal genoemde ziekteverzuim). Wil onze maatschappij leefbaar blijven, dan zijn talrijke wijzigingen noodzakeljk.


  • 5.4.4 Tegengaan van het proseliteren - Men pleit wel voor het strafbaar stellen van het druggebruik, omdat men hoopt daarmee het proseliteren tegen te kunnen gaan. Dit proseliteren - het anderen overhalen om ook drugs of een bepaalde drug te gebruiken - is waarschijnlijk ‚‚n van de belangrijkste oorzaken van de snelle verbreiding van het druggebruik. De handeling van het proseliteren zelf is niet of nauwelijks te constateren, maar - zo redeneert men dan - vrijwel iedere gebruiker proseliteert ook. Ga van die fictie uit en vervolg de gebruiker, omdat hij door te proseliteren anderen aan gevaren bloot stelt. Zo voorkomt men dat gevaarlijke stoffen de consument in spe bereiken. Deze redenering sluit aan bij de in het voorafgaande besproken systematiek, waarbij de overheid - meestal niet door strafrechtelijk optreden, maar door het toepassen van administratiefrechtelijke en civielrechte lijke bepalingen - de 'zwakkere' in een bepaalde situatie beschermt. Als voorbeeld werd o.a. genoemd de warenwet, die voorkomt dat ondeugdelijk voedsel de consument bereikt. Over dat proseliteren zouden wij de volgende kanttekeningen willen maken. Vooral het gebruik van de zgn. tripmiddelen leidt tot ongebruikelijke ervaringen, waarop we niet zijn 'geprogrammeerd'. Vaak heeft men de behoefte, die ervaringen te evalue ren en hen te plaatsen in de eigen, normale ervarings- wereld. Het is dan van belang, er met anderen over te kunnen praten. Maar dat is alleen mogelijk wanneer die ander die ervaring deelt. Iemand die men sympathiek vindt en met wie men graag ervaringen zou uitwisselen, prijst men het gebruik van het tripmiddel aan, terwille van een betere communicatie. In sommige groeperingen heerst de ideologie: 'wie hebben gebruikt zijn andere mensen gewor den, zij gaan het licht zien'. Men beveelt het gebruik anderen aan als een soort therapeutisch middel. In de kringen van cannabisgebruikers heeft het proseliteren een overwegend 'onschul dig' karakter. De licht euphoriserende werking van de stof veroorzaakt een ontspannen sfeer, waarin men vriendelijk voor elkaar is ('een tevreden roker is geen onruststoker'). Cannabis wordt op een vanzelfsprekende manier aangeboden, zoals in andere milieus een sigaar of een glas sherry. Het proseliteren is een veel complexer verschijnsel dan over het algemeen naar voren wordt gebracht. De handeling als zodanig biedt geen argumenten om af te wijken van de voor ander gedrag geldende regel, n.l. dat pas naar dwangmaatregelen wordt gegre pen, wanneer andere middelen niet aanwezig of ontoereikend zijn ‚n wanneer deze dwang middelen doelmatig zullen kunnen zijn. Wat dit laatste betreft: de werkgroep meent dat dit sterk in twijfel moet worden getrokken. In ieder geval wegen - in onze Nederlandse situatie - de eventuele voordelen niet op tegen de nadelen, die aan een verscherpt repressief optreden verbonden zou den zijn . We merkten reeds op (blz. 30) dat repressieve maatregelen een hechter aaneensluiten van de groeperingen van druggebruikers bevorderen en tevens de isolering in de hand werken. Hoe minder vrijblijvend de groepering, des te sterker is de neiging tot proseliteren. De beste manier om proseliteren tegen te gaan is dan ook niet het vergroten van de repressieve druk, maar juist het bevorderen dat de groepen druggebruikers een los, vrijblijvend karakter behouden. Bovendien pleit tegen de strafbaarstelling van het gebruik, met als bedoeling proseliteren tegen te gaan, dat geenszins gezegd kan worden dat alle gebruik proseliteren impliceert.
  • 5.4.5 Maatregelen tegen produktie en distributie - Kiest men voor strafrechtelijk optreden, gericht tegen handel en bezit dan zal daarbij - naar onze mening - aan het volgende aandacht moeten worden besteed.
    • Het onderscheid tussen druggebruiker en handelaar is in onze huidige situatie vaak niet duidelijk aan te geven. Dat betekent, dat bij een intensivering van de opsporing een beduidend aantal mensen die eigenlijk meer druggebruikers dan handelaren zijn, aan vervolging wordt blootgesteld. Op de grote nadelen van het criminaliseren van een bepaald gedrag hebben we in het voorafgaande al gewezen.
    • Het intensiveren van de bestrijding van de drughandel vergroot het risico dat men in de gevangenis raakt. Tegenover dit grotere gevaar zal vaak een hogere beloning worden bedon gen : de winst stijgt.
    • Tegenover de intensievere opsporing zal men ook ingenieuzer smokkelmethoden stellen (die ook prijsverhogend werken).
    • Betere smokkelmethoden leiden tot meer verfijnde opsporings-technieken.
    • Opsporing en inbeslagneming van drugs heeft ook op de markt invloed: prijsstijging en het uitwijken naar andere middelen.Het in beslag nemen van cannabis betekent een relatieve toename van het gebruik van andere - gevaarlijker - middelen. Verscherping van de repressie ve maatregelen tegen de drugshandel zullen in eerste instantie voornamelijk de handel in cannabisprodukten treffen : cannabis is het meest in omloop, de cannabisgebruiker-handelaar is relatief het minst op zijn hoede, cannabis is gemakkelijk op te sporen.
    • Bij een zeer effectieve bestrijding is het denkbaar dat cannabis vrijwel geheel uit de markt zou worden gedrukt. Dat zou niet het einde van het drugsvraagstuk betekenen, maar veeleer een toename van het gebruik van zwaardere middelen: opium, LSD, e.d.
    • Het zal in de Nederlandse verhoudingen niet velen gegeven zijn om door de handel in cannabis rijk te worden. Hero‹ne en opium bieden wat dat betreft - mits de markt voldoende ruim is -betere kansen.
  • Zouden er voor deze stoffen in ons land betere afzetmogelijkheden zijn, dan wordt het voor de internationale drughandel aantrekkelijk om zich ook met onze situatie te bemoeien.
  • Dat betekent betere organisatie van de handel; een toenemen van de institutionalisering van de drughandel ook in ons land. Dat werkt prijsverhogend, maar vergroot ook de winst.
  • Grotere winsten maken investeringen mogelijk. Om die rendabel te maken is grote omzet en continu‹teit vereist. Komt een onderneming dan in gevaar, dan staan zeer grote bedragen op het spel, wat betrokkenen bereid maakt tot 'hardhandig' optreden. (De 'drooglegging' is in de Ver. Staten van invloed geweest op het ontstaan van het bendewezen, dat ook na die periode het klimaat van de samenleving mede is blijven be‹nvloeden).
  • De afdeling verdovende middelen van het opsporingsapparaat zal uitgroeien tot een grote, goed getrainde en uitstekend 'bewapende' unit, die nog voortdurend moet worden verbeterd en verder uitgebouwd, om de onophoudelijke escalatie bij te houden. Het grimmige karakter dat het drugvraagstuk dan inmiddels ongetwijfeld zal hebben aangeno men, zal de overheid geen andere weg meer laten om de problemen tegemoet te treden. De handelaar in marihuana, de dealer van nu, zal dan al lang zijn verdwenen en alleen nog voortbestaan in de herinnering van hen die nog weten hoe het allemaal begonnen is in die romantische zestiger en zeventiger jaren.
  • Het is denkbaar - en velen willen dat ook graag aannemen - dat onze samenleving zo 'gezond' is, dat daarin voldoende tegenkrachten aanwezig zullen zijn om deze ontwikkeling te voorko men. Het is echter twijfelachtig of het strafrechtelijk optreden, tegen de handelaar in cannabis vooral, zal bijdragen aan het afwenden van de gesignaleerde gevaren. Bij de inbeslagneming van ieder ons marihuana zal men zich dienen af te vragen, wat er zich naast het beoogde effect (dit ons kan niet worden opgerookt) voor neveneffecten kunnen voordoen. Uit het voorgaande volgt niet dat strafrechtelijk optreden tegen bepaalde vormen van drugproduktie en drugdistributie achterwege zou moeten blijven. Integendeel, de werkgroep is van mening, dat hier op bepaalde terreinen een uiterst zinvolle taak voor het strafrechtelijk systeem aanwe zig is. Er zal echter wel met de nodige voorzichtigheid en nuancering moeten worden opgetre den en men zal moeten waken tegen het in gang zetten van escalatieprocessen.


  • 5.4.6 Slotopmerkingen
    • Er kleven ernstige nadelen aan het hanteren van het strafrecht tegen druggebruikers. Het blootstellen aan een opsporings- en vervolgingsklimaat en het ondergaan van vrijheidsbene mende sancties plegen niet bij te dragen aan de psychische gezondheid van betrokkenen; toepassing van het strafrecht (terwille van de gezondheid) vormt voor degenen die ziek werden tengevolge van druggebruik een ernstige hindernis om hun gezondheid te herkrijgen, doordat zij vaak wantrouwend staan (en soms helaas terecht) tegenover hen die hulp zouden kunnen bieden.
  • Voor degenen die niet ziek zijn maar die in een bepaalde ontwikkelingsfase nog uiterst labiel in de samenleving staan kan die toepassing gemakkelijk de stoot geven hetzij tot ziekte, hetzij tot de keuze voor een deviant levenspatroon.
  • Welke bijdrage kan van het strafrecht verwacht worden inzake het voorkomen van druggebruik door bestraffing van de gebruiker? Wanneer men zich in zijn prognose daaromtrent baseert op de gege-vens die de laatste tijd uit gedragswetenschappelijk onderzoek beschikbaar zijn gekomen omtrent de werking van strafrechtelijke systemen, is er geen aanleiding hierover grote verwachtingen te koesteren. Men zal hierbij vooral moeten denken aan de generaal preventieve werking die van de strafbaarstelling en bestraffing uit kan gaan. Deze werking is vooral afhankelijk enerzijds van het prestige dat het rechtsstelsel t.a.v. het betrokken gedrags gebied in de kring van de potenti‰le druggebruikers geniet, en anderzijds van de wijze waarop de kans 'gepakt' te worden door de betrokkenen wordt geschat. Het prestige van de justitie moet in de kring van de jeugdigen (waarbinnen de potenti‰le consumenten hoofdzakelijk worden aangetroffen) bepaald niet hoog worden aangeslagen. De 'pakkans' zal door de meesten terecht uiterst laag worden geschat. Wij bevinden ons hier op het terrein van de niet-aangifte criminaliteit. De opsporing is dus geheel afhanke lijk van het actief optreden van de politie. Gezien de beperkte omvang van het personeel dat hiervoor beschikbaar is en het feit dat het druggebruik zich hoofdzakelijk in de priv‚sfeer afspeelt is de 'pakkans' inderdaad zeer klein. De bijdrage aan de preventie van druggebruik die de strafbaarstelling van de druggebruiker aldus kan leveren lijkt dan ook geenszins op te wegen tegen de nadelen die uit die strafbaarstelling voor druggebruikers en voor de samenleving voortvloeien. Zeker niet omdat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat het criminaliseren van het druggebruik in een aantal gevallen juist tot verheviging van dat gedrag zal leiden en dat het ook in ander opzicht deviantie scheppende en versterkende effecten kan hebben. Maar ook als dat niet gebeurt, kan de maatschappelijke ontwikkeling van de gestrafte druggebruiker ernstig worden belemmerd, bijvoorbeeld doordat bepaalde functies voor hem onbereikbaar zijn geworden.
  • Daar komt nog bij dat de strafbaarstelling van de druggebruiker er toe kan bijdragen dat de bij velen bestaande angstgevoelens voor druggebruik en druggebruikers zich tot agressie tegen en afwijzing van druggebruikers verdichten. Kiezen we voor het strafrecht als het centrale middel om het druggebruik tegen te gaan dan is deze keuze niet alleen inadequaat, maar daardoor ook uiterst gevaarlijk. Telkens zal nl. blijken dat het middel te kort schiet, waarop zij die de straftoepassing als middel voorstaan, verscherping van de maatregelen zullen beplei ten, totdat de opsporing een honderdvoudige intensiteit zal hebben, vergeleken met de huidige situatie. Als we daarbij bedenken dat voor de opsporing telkens inbreuk op de priv‚-sfeer moet worden gemaakt, omdat het druggebruik zich immers in hoofdzaak d  r afspeelt, dan is het duidelijk dat we ons begeven in een spiraalbeweging die ernstige gevol gen kan hebben voor onze samenleving. Zij zal de polarisatie tussen verschillende groepen in de samenleving bevorderen en kan aldus tot een toename van gewelddadig optreden leiden. We menen dat de in het voorafgaande geschetste overwegingen voldoende grond bieden voor de opvatting, dat de strafbaarstelling van druggebruik niet past in het systeem waarmee de overheid vergelijkbare problematiek tegemoettreedt (blz. 40), dat deze strafbaarstelling niet overeenstemt met de grote waarde die in onze huidige samenleving wordt gehecht aan persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid, dat strafbaarstelling niet of nauwelijks bijdraagt aan het tegengaan van het druggebruik. Het gebruiken van drugs zal dan ook buiten de strafrechtelijke sfeer moeten worden gehouden. Strafbaarstelling van druggebruik is alleen te verklaren wanneer men daarbij de ontstaansgeschiedenis van deze bepalingen betrekt. De juridische situatie rondom de drugs in ons land hebben wij niet, rekening houdend met de thans geldende opvattingen en bestaande maatschappelijke situatie, gekozen. Bepaalde uitspraken m.b.t. doel en middelen van de vigerende wetgeving zijn in ons land ge‹mporteerd vanuit de internationale wetgeving, op een moment dat het drugvraagstuk voor ons nog geen praktische betekenis had: wij werden er nog niet mee geconfronteerd. De situatie is inmiddels veranderd. Een bezinning op het fenomeen druggebruik en -misbruik en op de vraag, hoe de overheid zich daarbij moet opstellen in de Nederlandse situatie is van het grootste belang. Wij zijn belast met een hypotheek vanuit het verleden, waarvan wij ons zullen moeten ontdoen voor zover daartoe aanleiding bestaat.

6 Beleidssuggesties

6.1 Uitgangspunten

De belangrijkste overwegingen waarop de beleidssuggesties steunen, willen wij hier in het kort aanduiden.

Ten aanzien van de stoffen

  • De drugs waarover wij in het voorafgaande hebben gesproken zijn potentieel gevaarlijke stoffen, al is de graad van gevaarlijkheid duidelijk verschillend. Dat betekent dat grote voorzichtigheid moet worden betracht t.a.v. de aanwezigheid van deze stoffen in de samenleving. Sommige leden van de werkgroep menen zelfs dat, ten einde drugmisbruik te voorkomen, ieder beleid m.b.t. drugs (met inbegrip van alcohol en tabak) er op gericht moet zijn om het druggebruik in de maatschappij zo laag mogelijk te houden (blz. 14).
  • Cannabis is de minst gevaarlijke van de drugs die wij op het oog hebben. Een eventuele afhankelijkheid van deze stof grijpt niet diep in; het gebruik dwingt niet tot vergroting van de doses of tot het overgaan op andere, zwaardere middelen (blz. 17 e.v.).
  • Het onderbrengen van cannabis in de Opiumwet is een van de voornaamste oorzaken voor een escalatie naar andere, dus gevaarlijker drugs (blz. 27).

Ten aanzien van de gebruiker

  • Individuele vrijheid en verantwoordelijkheid zijn centrale waarden in onze samenleving, die ook waar het druggebruik betreft tot gelding moeten kunnen komen. Dit veronderstelt - bij de potenti‰le gebruiker - een zo volledig mogelijke kennis van de voor- en nadelen van het gebruik van de verschillende stoffen, zodat een re‰le verantwoorde keuze voor een bepaald gedrag mogelijk is (blz. 44).
  • Stigmatisering van de gebruiker bevordert zijn vastraken in een subcultuur, het toenemen van zi,in druggebruik en het afnemen van zijn kansen op voor hem aanvaardbare hulp (blz. 29).

Ten aanzien van de samenleving

  • Het hardste oordeel wordt gevonden bij hen die er het minst van weten. Over het algemeen is de werkelijke kennis van drugs gering. Een goed opgezette, evenwichtige voorlichting is nodig (blz. 36).
  • Het isoleren van de druggebruiker moet worden voorkomen. Drug-gebruik is riskant gedrag, zoals ook ander gedrag grotere of kleinere risico's meebrengt.
  • Repressieve selectieve aandacht moet worden vermeden. Er moet meer aandacht worden geschonken aan de achtergronden van het druggebruik dan aan het fenomeen op zichzelf (blz. 36).

Ten aanzien van de wetgeving -

  • Gedrag mag alleen dan strafbaar worden gesteld als rationeel aannemelijk kan worden gemaakt, dat dat gedrag schadelijk is en bovendien niet uitsluitend voor de steller van dat gedrag zelf schadelijk is (blz. 40).
  • Als het strafrecht wordt ingeschakeld dan moet aannemelijk zijn, dat dat strafrecht een effectief middel is om dat schadelijke gedrag tegen te gaan. Gebleken moet zijn dat er geen voor de gestrafte minder nadelige middelen voorhanden zijn. De 'kosten' (ook de maatschap pelijke kosten) mogen de voordelen die door het strafrechtelijk optreden worden bereikt niet te boven gaan. Ook zal een afweging moeten plaats vinden, of de activiteit die men in de strafrechtelijke drugbestrijding steekt en die daardoor - gezien de beperkte capaciteit van het strafrechtelijk apparaat - dus aan activiteiten van het apparaat elders wordt onttrokken, inderdaad het beste op deze sector kan worden gericht (blz. 41 e.v.).
  • Wil men mensen helpen d.m.v. strafrechtelijk optreden, dan moet worden opgemerkt dat er zulke ernstige nadelen aan deze vorm van hulpverlening kleven - o.m. de stigmatisering - dat strafrecht een ongeschikt middel is (blz. 47).
  • Van een generaal-preventieve werking van het strafrecht t.a.v. de 'potenti‰le gebruiker' hoeft in de sfeer van het druggebruik niet veel te worden verwacht, omdat het hier niet-aangifte criminaliteit betreft, terwijl de pakkans altijd gering zal blijven (blz. 5 O e.v.).

Ten aanzien van vraag en aanbod

Be‹nvloeding van de vraag naar drugs plaatst ons midden in het veld van de geestelijke

volksgezondheid en het maatschappelijk welzijn en van de activiteiten met een preventief

karakter d¡e daarin kunnen worden ontplooid. Vooral hier mag en kan het drugvraagstuk niet

los gezien worden van ander 'riskant gedrag' en van de daarachter liggende problemen. Men

kan vanuit de begrijpelijke behoefte om een concreet anti-drug programma op te stellen, deze

achterliggende

vraagstukken (bieden onze buurten en wijken aanvaardbare(re) creatieve mogelijkheden voor kleuters, kinderen, pubers en adolescenten, bezien we het wonen niet vooral door de optiek van de volwassenen, bieden onze woningen wel ruimte voor - eventueel passagere - alterna tieve samenlevingsvormen, om er enige te noemen) wel willen vermijden, maar men bedenke dan. dat een slecht dak telkens op andere plaatsen gaat lekken. Wel is het juist, zo concreet mogelijk te beginnen en van daar uit ieder nieuw probleem steeds onderzoekbaar te maken. De werkgroep is er niet op ingesteld, m.b.t. deze preventieve activiteiten een uitgewerkt programma te formuleren. Samenwerking tussen de betrokken departementen en de organi saties van het particulier initiatief is noodzakelijk om de samenhang tussen de verschillende probleemvelden te verduidelijken en doeltreffende maatregelen te nemen om ‚‚n en ander in goede banen te leiden.

  • Be‹nvloeding van het aanbod van drugs leidt tot maatregelen die erop gericht zijn, produktie en handel tegen te gaan. De internationale wetgeving verplicht ons, daarbij - naast eventuele andere maatregelen - het strafrechtelijk systeem in te schakelen. Verschillende stoffen leveren in verschillende mate risico's op. Het verdient aanbeveling om de mate van gevaarlijk heid van een stof mede bepalend te laten zijn voor de intensiteit van de strafrechtelijke bemoeienis m.b.t. die stof. Mede gezien de beperkte capaciteit van het opsporingsapparaat dient de meeste aandacht te worden gericht op de gevaarlijkste stoffen. Het is redelijk dat de handel in gevaarlijker stoffen actiever wordt tegengegaan (en dat daarvoor meer ingrijpende sancties be-schikbaar zijn) dan de handel in minder gevaarlijke stoffen. Voorkomen moet worden, dat de minst gevaarlijke stof, doordat zij gemakkelijker opspoorbaar is en bovendien een grote aandacht van het opsporingsapparaat zou krijgen, min of meer uit de markt wordt gedrukt. Het gevaar is niet denkbeeldig dat deze plaats dan steeds meer zal worden ingenomen door andere, dus gevaarlijker middelen. Ook deze overwegingen leiden tot de wenselijkheid van een grotere differentiatie in het opsporings-, vervolgings- en straftoemetingsbeleid en daar mee ook van de wettelijke programmering daarvan.
6.2 Een paar kanttekeningen bij het huidige beleid

Een overheidsbeleid m.b.t. het drugvraagstuk wordt voor een belangrijk deel bepaald door het Ministerie van Volksgezondheid en Milieu-hygi‰ne: het is voornamelijk een onderdeel van het volksgezond-heidsbeleid. Toch moeten wij constateren dat dit beleid tot nu toe voor een groot deel geken merkt werd door de belangrijke rol die daarin werd toebedeeld aan het strafrechtelijk systeem. Dit systeem wordt op ruime schaal ingeschakeld om druggedrag dat als gevaarlijk voor de gezondheid wordt beschouwd, tegen te gaan. Een zeer recent voorbeeld van deze tendens was de wijziging van de wet op geneesmiddelenvoorziening, waarbij het bezit van amfetami nen strafbaar werd gesteld, voor zover dit niet door een recept gedekt is. Op andere terreinen (bijv. het wel door recept gedekte geneesmiddelenmisbruik, dat insiders ernstige zorgen baart, of het alcoholmisbruik dat onvergelijkelijk meer leed en schade toebrengt dan het drugmisbruik) gebeurt dat niet. De werkgroep heeft de indruk, dat men op de beleidsafde lin-gen van de betrokken Ministeries ook wel van mening is, dat het toepassen van vrijheidsbenemende sancties op gebruikers van bij-voorbeeld cannabis onjuist is. De ervaring leert echter dat dit in de praktijk ondanks plaatselij ke nuancering en versoepeling van het vervolgings- en straftoemetingsbeleid toch blijft voorkomen. Het risico bestaat dat de frequentie hiervan door de verantwoordelijke beleids funktionarissen wordt onderschat en dat zij meer oog hebben voor de verbeteringen die plaatselijk in het strafrechtelijk beleid worden aangebracht dan voor het voortbestaan van de ook door hen disfunctioneel geachte aspecten daarvan. Daar komt naar de mening van de werkgroep dan nog bij dat de nadelige effecten worden onderschat die arrestatie - zelfs als de vrijheidsbeneming van korte duur is - en verhoor met name op jongeren kunnen hebben, zeker als zij toch al wantrouwend staan tegenover de gevestigde samenleving.

6.3 Beleidsontwikkeling m.b.t. het strafrecht
  • 6.3.1 Ontwikkeling in etappes
  • Hoe ernstig de bezwaren ook zijn die tegen het huidige strafrechtelijke beleid kunnen worden ingebracht, een koerswijziging waarbij, in ‚‚n keer het gebruik van alle drugs buiten de strafrechtelijke sfeer zou worden gebracht lijkt ook de werkgroep niet goed denkbaar. Een dergelijke maatregel zou te veel misverstanden te weeg brengen en lijkt bovendien moeilijk haalbaar. Beter zou het zijn, stap voor stap te opereren omdat zo'n aanpak in iedere fase gegevens kan opleveren die eventuele nadelige gevolgen kan ondervangen, ontstaan bijv. door de voor het veranderingsproces gevolgde methode. Het proces - waarbij wordt uitgegaan van het huidige beleid en waarbij wordt toegewerkt op het einddoel: het brengen van alle druggebruik buiten de strafrechtelijke sfeer - dient te worden begeleid door doeltreffende voorlichting en door wetenschappelijk onderzoek.
  • 6.3.2 De publieke opinie
    • De publieke opinie in ons land blijkt in meerderheid gekant te zijn tegen druggebruik. Wij hebben daarover al enige opmerkingen gemaakt (pag. 34 e.v.). Bij sommigen brengt hun ongerustheid m.b.t. de toekomstige ontwikkeling van het druggebruik de wens mee, dat 'harde' maatregelen worden getroffen, zonder dat zij zich voldoende realiseren, dat deze harde lijn onvoldoende zicht geeft op een werkelijke verbetering van de situatie. Voorlichting aan het publiek dient zich niet te beperken tot de risico's die aan het druggebruik zijn verbon den, maar moet ook duidelijk maken, dat strafrechtelijk optreden tegen druggebruikers een ondeugdelijk middel is om dat gebruik tegen te gaan. De overheid heeft hier een belangrijke taak: hoge overheidsfunktionarissen spelen een belangrijke rol als opinion-leaders. Het is noodzakelijk dat zij voortdurend worden voorzien van objectief en zo volledig mogelijk materi aal, waarop zij hun mening kunnen gronden. Daarbij moet het mogelijk zijn om verklaringen die verkeerd worden begrepen te verduidelijken.
  • 6.3.3 Gevolgen van de criminalisering van het druggebruik
    • Het is denkbaar dat het brengen van het druggebruik buiten de strafrechtelijke sfeer een toename van dat gebruik zal veroorzaken. Enerzijds zouden zij die zich tot nu toe nog door het wettelijk verbod hebben laten weerhouden, tot druggebruik kunnen overgaan. Anderzijds zou het opheffen van het verbod kunnen worden uitgelegd als een goedkeuring van het drugge bruik. Naar onze mening leidt dit echter niet onverbiddelijk tot het handhaven van de straf rechtelijke bepalingen t.o.v. het druggebruik. Wel maant het tot voorzichtigheid. Onmisbaar is een goede voorlichting, die het overheidsbeleid toelicht, m.n. duidelijk maakt dat de koerswij ziging niet is gegrond op de mening 'dat het allemaal wel meevalt' (uit het voorafgaande zal zijn gebleken dat ook de werkgroep in sommige gevallen ernstige risico's ziet in druggebruik), maar op de overtuiging dat strafmaatregelen tegen druggebruikers te weinig positieve en te veel negatieve aspecten hebben om gehandhaafd te blijven. Men stelt wel dat het opheffen van de strafbaarheid van druggebruik vele buitenlanders hierheen zou doen stromen om zich aan het gebruik van deze stoffen over te geven. In de eerste plaats vragen wij ons af, of de andere juridische positie waarin de druggebruiker dan in Nederland zou verkeren wel dergelij ke consequenties zou hebben. Ook in landen waar strafrechtelijk streng tegen druggebruik wordt opgetreden heeft dat gebruik sterk om zich heen gegrepen. Vaak niet onaanzienlijke groepen van de bevolking houden zich ook daar met druggebruik bezig en kunnen dat ook blijkbaar doen. Het is dan ook de vraag of de veronderstelling dat een wetswijziging een dergelijke migratie-beweging zou veroorzaken, gerechtvaardigd is. Maar ook indien dat het geval mocht zijn, heeft de overheid - wanneer productie en handel strafbaar blijven - voldoen de gelegenheid om van haar normale machtsmiddelen m.b.t. ongewenste vreemdelingen gebruik te maken.
  • 6.3.4 Wetenschappelijk onderzoek
  • Wetenschappelijk onderzoek naar de veranderingen die zich in de gebruikspatronen voordoen onder invloed van het gewijzigde beleid en naar wellicht aan de dag tredende gevaren die tot nu toe onbekend zijn gebleven, zal de nodige informatie moeten verschaffen ten behoeve van de besluitvorming inzake de verdere ontwikkeling in iedere fase van het proces. Afhankelijk van de uitkomsten van het begeleidend wetenschappelijk onderzoek en wellicht van andere overwegingen zou kunnen worden beoordeeld op welk moment de volgende fase kan ingaan en hoe en onder welke voorwaarden dat zou kunnen plaats vinden. Dit proces zal zoals gezegd door een effectieve voorlichting moeten worden begeleid. In het voorafgaande hebben wij er al op gewezen dat het gewenst is, bij dit alles te voorkomen dat het druggebruik als een geisoleerd vraagstuk wordt benaderd en dat de te treffen maatregelen de selectieve aandacht bevorde ren.
  • 6.3.5 Internationale verplichtingen
  • Na het bovenstaande dient de vraag te worden beantwoord of de internationale verplichtingen die wij op ons genomen hebben, ons de mogelijkheid laten van strafbedreiging tegen drugge bruik af te zien.
  • De opiumverdragen hebben oorspronkelijk ten doel gehad, de produktie en de handel te
  • bestrijden. Om de producent en de handelaar te kunnen bereiken werd geleidelijk ook het
  • illegale bezit strafbaar gesteld. In ons land heeft de uitvoering van de verdragen op zodani
  • ge wijze plaats gevonden dat ook het gebruik strafbaar is gesteld. Uit het feit dat bezit en
  • aankoop strafbaar worden gesteld krachtens de tekst van de internationale verdragen kan wel
  • worden afgeleid dat aan deze overeenkomsten de veronderstelling ten grondslag ligt, dat de
  • druggebruiker in de regel - zij het op een andere titel dan wegens het gebruik - strafbaar zal
  • zijn wegens de omgang met de stof. Gegeven echter het feit dat in de uitvoerige lijst van
  • gedragingen die op grond van de Enkelvoudige Conventie strafbaar moeten worden gesteld
  • het gebruik uitdrukkelijk achterwege is gelaten, lijkt een uitleg van de verdragen, welke de
  • gebruiker effectief buiten het veld van strafbaarstelling laat, denkbaar. Dat het aanwezig
  • hebben van kleine hoeveelheden van de stof rechtstreeks met dat persoonlijke gebruik
  • samenhangend, buiten het veld van de strafbaarstelling wordt gebracht is dan eveneens niet
  • ondenkbaar. Er is meer voor een dergelijke ruime interpretatie van de verdragstekst te zeg
  • gen, omdat regelingen in internationaal verband uiteraard voornamelijk het oog hebben op de
  • gevolgen die een bepaald beleid in de ene staat zou kunnen hebben voor de toestand in een
  • ander land. Het voeren van een beleid dat de individuele druggebruiker juist als gebruiker
  • buiten de sfeer van het strafrecht brengt en dat overigens de strafrechtelijke benadering van
  • produktie en distributie onaangetast laat, kan internationaal voor de situatie in andere staten
  • op zichzelf niet als bedreiging werken. Ook pleit nog voor een dergelijke ruime interpreta
  • tie van de tekst, dat het - mede gezien de grote verschillen die zowel voor wat betreft het
  • druggebruik als voor wat betreft het functioneren van strafrechtelijke systemen en alternatie
  • ven t.o.v. deze systemen bestaan - weinig voor de hand zou liggen om staten te verplichten
  • om voor wat betreft hun interne situatie belastende maatregelen - zoals strafrechtelijke
  • sancties in beginsel toch altijd - te hanteren, wanneer in die concrete nationale situatie een
  • andere, voor het individu minder belastende aanpak betere resultaten belooft. De terzake
  • deskundige leden van de werkgroep zijn van oordeel, dat de teksten van de overeenkomsten
  • ruimte laten voor een beleid, dat het druggebruik buiten de sfeer van het strafrecht brengt
  • en dat voor het tegengaan van dat gebruik andere middelen hanteert. Slechts in uitzonde ringsgevallen kan men zich voorstellen, dat gebruik van een stof niet tevens het voorhanden hebben van een kleine hoeveelheid daarvan zou inhouden. Onder gebruik zou dus ook moeten worden verstaan het bezit van een hoeveelheid die kan worden aangemerkt als kennelijk voor eigen gebruik bestemd. Een interpretatie van de verdragen die ruimte schept voor een zodanig beleid lijkt niet onaanvaardbaar. Zou deze interpretatie wel onaanvaardbaar zijn dan zou naar de mening van de werkgroep de vraag rijzen of deze verdragen niet zouden moeten worden opgezegd. Gezien de nadelen die aan een dergelijke opzegging zijn verbon den meent de werkgroep dat het duidelijke voordelen biedt, eerst te beproeven of niet op grond van een dergelijke interpretatie het door haar bepleite beleid binnen het raam van die verdragen verwezenlijkbaar is. Mocht uiteindelijk blijken dat de organen, die krachtens die verdragen belast zijn met het beslissen van interpretaties, die uitleg niet accepteren dan ontstaat een nieuwe situatie waarvoor alsdan een oplossing moet worden gezocht.
6.4 Op korte termijn te treffen maatregelen

Tot nu toe is er geen wettelijk onderscheid in de strafbaarstelling gemaakt tussen gebruik, bezit, handel, vervoer en produktie van drugs, en ook niet tussen de drugs afzonderlijk. Het is wenselijk een begin te maken met een differentiatie. Dit kan naar het oordeel van de werk groep het best als volgt plaats vinden.

  • 6.4.1 Het gebruik van cannabisproducten inclusief het bezit van kleine hoeveelheden wordt wettelijk buiten de strafrechtelijke sfeer gebracht - Verwijzende naar hetgeen in dit rapport reeds is gesteld zouden we hier nog de volgende kanttekeningen willen maken.
    • Cannabis is de minst gevaarlijke stof en juist bij deze stof manifesteren zich de bezwaren van het huidige beleid het meest.
    • Het niet vervolgen van de cannabis-gebruiker kan meehelpen, dat het gebruik een vrijblijvend karakter houdt. Het gevaar dat de gebrui-ker steeds verder in de 'subcultuur' ge‹nvolveerd raakt (naast de mogelijkheid van overdosering het belangrijkste bezwaar tegen cannabis-gebruik) en daardoor tot excessiever druggebruik komt wordt daardoor verminderd.
    • De maatregel dient te worden begeleid door een intensieve voor lichting, die er zoals gezegd op wijst, dat het niet strafbaar stellen niet betekent dat cannabis gebruik een goede zaak is, maar dat strafvervolging geen goed middel is om het tegen te gaan.
    • Door middel van wetenschappelijk onderzoek zal moeten worden vastgesteld, welke gevolgen deze maatregel en de gevolgde methode van invoering hebben.
    • Een niet onbelangrijk neveneffect dat hier nog kan worden aangestipt zou zijn, dat een belangrijke oorzaak van de verwarring die heerst in het hedendaagse jeugdwerk zou worden weggenomen.
    • Het feit dat het gebruik en het bezit (van kleine hoeveelheden) cannabis buiten de strafrech telijke sfeer is gebracht. sluit niet uit dat inbeslaggenomen cannabisprodukten aan het verkeer onttrokken worden.
  • 6.4.2 De produktie en distributie van cannabisprodukten worden overgebracht naar de overtredingssfeer - Men zegt wel dat het moeilijk te rechtvaardigen valt produktie- en distributiehandelingen wel strafbaar te stellen als het gebruik niet strafbaar is. We willen er dan echter op wijzen, dat een dergelijke situatie zich vaak voordoet wanneer men wil voorkomen dat het publiek in aanraiking komt met gevaarlijke stoffen of situaties (bouwvoorschriften, wet op geneesmiddelen, enz.).
    • Het strafbaar houden van de handelingen in de sfeer van produktie en distributie van canna bisprodukten voorkomt, dat de stof wordt gecommercialiseerd en dat d.m.v. reclame en dergelijke de omzet zou worden gestimuleerd.
    • Zolang er geen oplossing is gevonden voor de homogenisering van de werkzame bestanddelen van de stof blijft de kans op ongewilde overdosering aanwezig. Onder meer hierom is het uiterst moeilijk om de stof thans in het produktie- en distributieproces te brengen op een wijze die een zekere kwaliteitscontrole daarop insluit zoals dat bijv. bij alkohol en tabak het geval is. Mede hierom lijkt het in dit stadium dan ook nog niet wenselijk de produkten en distributie van cannabis geheel uit de strafrechtelijke sfeer te brengen, hetgeen zou impliceren dat elke mogelijkheid tot overheids ingrijpen zou komen te ontbreken. Of dat in een later stadium het geval zou kunnen zijn hangt onder meer af van de mogelijkheden tot homogenisering en van de vraag of verder onderzoek bevestigt dat matig gebruik van cannabis inderdaad zo weinig ernstige risiko's meebrengt als op grond van de uitkomsten van het thans beschikbare onder zoek moet worden aangenomen.
    • Deze overwegingen betekenen echter niet dat de handel in canna. bis een misdrijf zou moeten blijven. Voor het overbrengen naar de overtredingssfeer zijn steekhoudende argumenten aan te voeren.
    • Wij stelden reeds dat het redelijk is, dat de mate van gevaarlijkheid van een stof mede bepalend zal zijn voor de mate van de strafrechtelijke bemoeienis daarmee (met inbegrip van de zwaarte van de beschikbare sankties) en dat dit ook in wettelijke programmering van die strafrechtelijke bemoeienis tot uiting moet komen.
    • Voorkomen moet worden dat een intensieve opsporing juist de minst gevaarlijke stof uit de 'markt' drukt. De voorgestelde maatregel zou dus tevens gepaard moeten gaan met een vermindering van de opsporingsintensiteit.
    • Het overbrengen van de behandeling van de strafzaken uit de sfeer van de Politierechter naar die van de Kantonrechter ontneemt aan de procedure een belangrijk deel van haar bedreigend karakter en heeft ook voor de verdere maatschappelijke ontwikkeling van betrok kene minder consequenties. Toch kunnen de beschikbare sancties van voldoende ernstige aard zijn om te voorkomen dat een mogelijke invloed bij voorbaat illusoir zou zijn.
    • Het is niet altijd eenvoudig, de kleinhandelaar in cannabis te onderscheiden van de gebruiker. Bij het tegengaan van de handel dienen dan ook de ongewenste neveneffekten, veroorzaakt door het kriminaliseren van het gedrag te worden verminderd, wat zijn uit-drukking vindt in de verschuiving van de sfeer van het misdrijf naar die van de overtreding.
    • Een niet onbelangrijk - en naar het zich laat aanzien nog steeds toenemend - deel van de jeugd is in de huidige situatie blootgesteld aan een klimaat van wantrouwen en vervolging in de misdaad-sfeer. Het is dringend gewenst dat daaraan zo veel mogelijk een einde wordt gemaakt.
  • 6.4.3 Het gebruik van andere drugs dan cannabis inklusief het bezit van kleine hoeveelheden, bestemd voor eigen gebruik blijft strafbaar, echter als overtreding
    • In de toekomst dient naar het oordeel van de werkgroep alle druggebruik aan de werkings sfeer van het strafrecht te worden onttrokken. Het verdient aanbeveling om daartoe nu de eerste stap te zetten. Het nu abrupt intrekken van de strafrechtelijke bepalingen m.b.t. het gebruik van andere drugs dan cannabisprodukten zou het misverstand kunnen bevorderen, dat het gebruik van deze stoffen minder gevaarlijk is dan aanvankelijk werd gedacht. Het - met vermijden van de ernstige bezwaren - zo goed mogelijk bewaren van de continu‹teit is wenselijk. Men stelt wel, dat de opsporing van handel en produktie van deze gevaarlijke middelen ernstig zou worden bemoeilijkt als de weg via de gebruiker zou worden afgesloten. Dit argument is uiteraard belangrijker, naarmate de stof gevaarlijker is. De werkgroep meent dat de waarde van dit argument vaak is overdreven. Het is in strafrech- telijk technisch opzicht wel degelijk mogelijk strafbepalingen zo te redigeren dat de gebruiker buiten schot blijft en toch effectief optreden tegen produktie en distributie mogelijk blijft. Niet ontkend kan echter worden dat de strafbaarstelling van het gebruik in bepaalde gevallen de opsporing van pro duktie en handel kan vergemakkelijken.
    • Op grond van de uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek dat het buiten de straf rechtsfeer brengen van cannabisgebruik begeleidt, kan in de toekomst worden bepaald, of en zoja onder welke voorwaarde of omstandigheden en op welk tijdstip ook het gebruik van deze drugs aan de werking van het strafrecht kan worden onttrokken. Daarbij kan o.a. van belang zijn de mate waarin andere dan strafrechtelijke maatregelen zijn ontwikkeld en effect sorteren. Verschuiving naar de sfeer van de overtreding voorkomt dat gebruikers worden opgespoord en vervolgd als misdadigers, dat op hen voorlopige hechtenis wordt toegepast en dat zij tot gevangenisstraf worden veroordeeld (voorkomen van criminaliseren en daaruit voortvloeiende secundaire deviantie). Bevorderd wordt, dat zij die door het gebruik van deze middelen in ernstige moeilijkheden geraakten, adequate hulp durven zoeken.
  • 6.4.4 De handel en de productie van andere drugs dan cannabispro-dukten blijft strafbaar als misdrijf
    • De maatregel is gerechtvaardigd, omdat zo veel mogelijk moet worden voorkomen, dat deze gevaarlijke stoffen de consument bereiken.
    • Het onderscheid tussen deze stoffen en cannabisproducten is gerechtvaardigd, omdat het hier gaat om stoffen die grotere risico's bij gebruik meebrengen. Tevens moet worden opgemerkt, dat het mechanisme dat m.b.t. cannabis geldt, n.l. dat als deze stof uit de markt wordt gedrukt, verschuiving naar gevaarlijker middelen plaats vindt, hier niet op gaat (waarschijnlijk omgekeerd werkt).
6.5 Maatregelen die een meer rationele benadering van het drugvraagstuk kunnen bevorderen
d.5.1 Inleiding
  • In het voorafgaande is reeds gesteld, dat de strafrechtelijke kant van de benadering van het drugvraagstuk bepaald niet de belangrijkste moet zijn. Dat in dit rapport zo veel aandacht juist aan de strafrechtelijke kant van het overheidsbeleid werd geschonken, vindt zijn oorzaak in het feit, dat dit aspect niet alleen het ontwikkelen van een meer rationele aanpak belemmert, maar zelfs het vraagstuk in plaats van het te helpen oplossen, verergert. Het drugbeleid moet worden ingepast in een meeromvattende stellingname, waarbij vooral geestelijke en lichame lijke gezondheidszorg (zowel kuratief als preventief), jeugdzorg, welzijnszorg in het algemeen betrokken zijn. Enige punten die in het voorafgaande aan de orde zijn gekomen, willen wij hier nog iets verduidelijken. De werkgroep hoopt daardoor aan deze ontwikkeling bij te dragen.
6.5.2 Wetenschappelijk onderzoek
  • Wil de door ons voorgestane beleidsontwikkeling kans van slagen hebben. dan zal meer dan in het verleden vaak het geval was, moeten kunnen worden gesteund op de resultaten van onderzoek op psycho-hygi‰nisch en sociaal-wetenschappelijk gebied. Er zal dan behoefte zijn aan een 'vertaalbureau' (zie punt 6.5.5 hieronder) dat enerzijds deze uitkomsten toegankelijk maakt voor de beleidsorganen en dat anderzijds de behoefte aan kennis voor de beleidsont wikkeling omzet in onderzoeksprojecten. Tevens zal wetenschappelijke evaluatie van de genomen maatregelen kunnen en moeten zorgen voor de noodzakelijke feed-back. Tot nu toe is van overheidswege vooral farmacologisch onderzoek in de drugsector ondersteund. Voor de begeleiding en toetsing van een overheidsbeleid is echter evenzeer en wellicht in nog sterker mate behoefte aan onderzoek naar de psychologische en sociologische aspecten van het druggebruik. Een wijziging in het tot nu toe gevoerde onderzoekbeleid is dan ook noodza kelijk.
6.5.3 Voorlichting
  • Het verschijnsel druggebruik ondervindt in onze samenleving een zeer grote belangstelling.

Voorlichting over drugs of wat zich als zodanig aandient vindt dan ook meestal gretig aftrek.

Bewogen door de meest uiteenlopende drijfveren werpen velen zich op de drugvoorlichting. De gecompliceerdheid van de met druggebruik samenhangende problematiek en de emotio nele betrokkenheid van sommigen die zich op het terrein van de voorlichting begeven brengen mee, dat bepaalde facetten soms onevenredig veel aandacht krijgen. De situatie m.b.t. de drugvoorlichting kan dan ook als lichtelijk chaotisch worden gekenschetst. Naar de mening van de werkgroep is het dringend gewenst, dat zo goed mogelijke co"rdinatie en planning van voorlichtingsactiviteiten m.b.t. drugs tot stand komt. Bevorderd zal moeten worden, dat deze voorlichting waar mogelijk wordt ingepast in een breder kader. Tevens zal een voorlichtingsstrategie moeten worden ontworpen, waarin de doelgroepen waarop voorlichting zich dient te richten zullen moeten worden bepaald. bijv.: gebruikers en potenti‰le gebruikers, ouders van adolescenten (tot nu toe een verwaarloosde groep), andere sleutelfiguren in de samenleving, enz. De voor deze groepen meest ge‰igende kanalen en methoden zullen moeten worden gevonden. De resultaten zullen moeten worden ge‰valueerd. Zo zal bijv. moeten worden vastgesteld, of voorlichting in bepaalde gevallen niet beter achterwege kan blijven, omdat zij het gebruik eerder bevordert dan tegen gaat. Tevens zal op dit centrale punt de kennis beschikbaar moeten zijn (data-bank) die voorlichters nodig hebben wanneer zij willen voorlichten.

6.5.4 Hulpverlening
  • Aan de ambulante en residenti‰le hulpverlening t.a.v. druggebruikers en de aanpak op verschillende echelons door geestelijke gezondheidszorg en maatschappelijk werk is in allerlei publikaties reeds veel aandacht gegeven, reden waarom wij in dit rapport met het maken van enige opmerkingen willen volstaan. Een verder toenemen van het aantal druggebruikers moet worden verwacht. Ook het aantal mensen dat mede i.v.m. druggebruik in ernstige moeilijkhe den raakt zal stijgen. Het zou een vanzelfsprekende zaak moeten zijn, dat deze laatsten hulp zoeken bij de oplossing van hun problemen. In de praktijk blijkt evenwel dat vele van deze pati‰nten dat niet doen. Zij neigen er eerder toe zich steeds verder terug te trekken, zo zelfs dat zij tenslotte soms een verpauperd bestaan leiden. De hulpverlenende organisaties kunnen dan ook niet lijdelijk afwachten tot betrokkenen zich melden. De hulp zal hen 'gebracht' moeten worden. Het inschakelen van niet-beroepskrachten zoals bijv. door de diverse in ons land reeds functionerende drugteams wordt gedaan, zal daarbij naar het oordeel van de werkgroep - onontbeerlijk zijn. De financiering van deze vorm van hulpverlening mag geen beletsel vormen voor haar functioneren.

Hechte samenwerking tussen hulpverlenende organisaties en plaatselijke en provinciale overheden is noodzakelijk. Er zal veel moeten worden ge‰xperimenteerd met 'alternatieve' vormen van werk en huisvesting. Ook daar zal wetenschappelijk onderzoek niet kunnen worden gemist. Zo zal bijv. door middel van onderzoek moeten worden vastgesteld of verple ging in een gedwongen situatie zinvol kan zijn en in welke gevallen en met gebruikmaking van welke methoden. Daarbij zal een vergelijking moeten worden gemaakt met de effectiviteit van de verpleging in meer vrije situaties.

6. .5. 5 Een landelijk aandachtspunt voor het drugsvraagstuk
  • Naar het oordeel van de werkgroep is er in de huidige Nederlandse situatie dringend behoef te aan een centraal punt op het terrein van de drug-problematiek. Daarbij zal moeten worden voorkomen, dat een structuur ontstaat die - naast wellicht vele positief te waarderen activitei ten - bijdraagt aan de selectieve aandacht voor het drugvraagstuk en aan de isolering van dat vraagstuk (en de daarbij betrokkenen). Als taken die moeten worden vervuld kan men noe men:


  • optreden als gesprekspartner van de overheid (ministeries en lagere overheidsorganen) en andere organisaties die met het drugvraagstuk worden gekonfronteerd;
  • -bevorderen van wetenschappelijk onderzoek (ten behoeve van de beleidsontwikkeling en de hulpverlening);
  • bevorderen van voorlichting, zowel specifiek op doelgroepen ge. richt als wel ingepast in voorlichting over andere zaken (ook het zo nodig geven van verhelde rende commentaren op berichten in de pers e.d. zou tot de taken moeten behoren);
  • bevorderen en co"rdineren van hulpverlening aan slachtoffers van druggebruik; daartoe zou ook kunnen behoren het bevorderen van het vergroten van deskundigheid, de training van hulpverleners in het hanteren van diverse methoden en het ondersteunen van experimenten met nieuwe behandelingsmethoden en het inschakelen van sleutelfiguren;
  • bevorderen van co"rdinatie van jeugdbeleid m.b.t. drugs;
  • bevorderen van co"rdinatie van activiteiten m.b.t. al deze factoren met activiteiten die betrekking hebben op ander riskant gedrag.

Het verheugt de werkgroep, dat de nationale organisaties op het terrein van de geestelijke volksgezondheid (waaronder het Algemeen Centraal Bureau voor de Geestelijke Volksgezondheid, dat de werkgroep vormde) en van het maatschappelijk welzijn inmiddels het initiatief hebben genomen om met de landelijke organisaties die het meest betrokken zijn bij voorlichting over drugs en bij hulpverlening aan slachtoffers van druggebruik, de wenselijkheid en mogelijkheid van samenwerking te bespreken.

Utrecht,oktober 1971

Namens de werkgroep,

Prof. Mr. L.H.G. Hulsman, voorzitter
Mr. W. Blok van der Velden, rapporteur

Literatuurlijst

Voor wie behoefte heeft aan een meer-omvattende literatuuropgave m.b.t. het drugvraagstuk: het Nederlandsche Roode Kruis, Laan van Meerdervoort 438, Den Haag, telefoon 070/ 1 84200, afdeling druginformatie, verstrekt aan ieder die daarom vraagt alle gewenste informatie. In verband daarmee moge hier met een korte verwijzing worden volstaan.

  1. 1 Div. auteurs, Drugs in Nederland. Paul Brand
  2. 2 Div. auteurs, Wat heet drugs. Malmberg
  3. D. Solomon (Ed), The Marihuana Papers. Signet Book W3442
  4. Advisory Committee on Drugs, Cannabis. Londen 1968
  5. R.E.L. Masters & J. Houston, The Varieties of Psychedelic Experience. Delta Book 9289
  6. W.G. Mulder, Verslaving:
  7. A.R. Lindesmith, The Addict and the Law. Indiana Univ. Press
  8. Ned. Tijdschrift voor Criminologie, september 1970
  9. R.H. Blum e.a., Students en drugs I en 11, San Francisco, Jossey-Bass Inc.1969
  10. Interim Report of the Commission of inquiry into the non-medical use of drugs, Information Canada, Ottawa 1970, $ 2,-
  11. A report to the Congress from the secretary Department of `Health, Education & Welfare. Marihuana and Health
  12. Resource book for Drug Abuse Education. National Clearing House for Mental Health Information. N.I.M.H. Chevy Chase, Maryland 2001
  13. Drugs and Youth., Edited by J.K. Wittenborn, Ph. D., Henry Brill, M.D., Jean Paul Smith, Ph.D., Sarah A. Wittenborn
  14. Drugnummer Medisch Contact 1971/21 d.d. 28 mei 1971
  15. David Smith, Drug Abuse Papers, 1969
  16. Kaplan, J., Marijuana. The New Prohibition, vnl. hfst 5 (Dangers of Marijuana use) en de hoofdstukken 9 en 10 'control' en 'criminalisation'